De Franse acteur Gérard Depardieu viert vandaag zijn zeventigste verjaardag. Daar zal hij wellicht wel een flesje voor kraken!
De enige keer dat ik Depardieu heb ontmoet, was op de persconferentie n.a.v. “Mon père ce héros”. Ik leerde Depardieu toen kennen als zeer open, geen capsones, geen flauwiteiten, gewoon recht voor de raap. Zoals de films die hij maakt. Dat korte bezoek wordt helemaal een blitsbezoek als blijkt dat Gérard Depardieu twee uur te laat op de afspraak verschijnt. Zijn versnellingsbak (of beter gezegd: die van zijn wagen) heeft het dertig kilometer voor Brussel laten afweten en de rest heeft hij dan maar per taxi moeten doen.
Aangezien de film “Mon père ce héros” in de eerste plaats om (al dan niet goedbedoelde) leugens draait, krijgt Depardieu dan ook als één van de eerste vragen voorgeschoteld wat hij vindt van een statement in de film als zouden leugens het leven zoveel aantrekkelijker maken. “Zo ver zou ik zelf niet durven gaan,” aldus Depardieu, “maar af en toe een leugentje om bestwil, waarom niet?”
Had hij het nu over zijn autopanne? Eerlijk gezegd, ik denk het niet, tenzij hij zich had overslapen of onderweg een pint had gepakt. Want Depardieu houdt van goed eten en drinken, dat is bekend. Op zijn paspoort staat als beroep zelfs “wijnboer” i.p.v. “acteur”.
Een beroemde anecdote is de drinkwedstrijd die hij op het Festival van Cannes aanging met Nick Nolte, de acteur die “zijn” rol vertolkte in de Amerikaanse versie van “Les Fugitifs”. Nolte, nochtans ook van geen kleintje vervaard, moest ’s anderendaags doodziek alle interviews afzeggen, terwijl Depardieu fris als een hoentje de pers te woord stond.
Dat doet hij ook nu, wat nog wordt versterkt door de ongedwongenheid waarmee hij het fotografenlegertje doorstaat, de gilletjes van de tieners in Kinepolis en zelfs de journalisten die op handtekeningjacht zijn. Eigenlijk zou je het voor minder op je heupen krijgen, maar Depardieu niet dus. Eenzelfde jeugdig enthousiasme bleek b.v. ook uit het feit dat hij erop stond de tekst van Kenneth Branagh in te spreken voor de Franse versie van diens “Henry V” en zelf de distributie op zich te nemen.
In “Mon père ce héros”, de vierde film van Gérard Lauzier, gaat het over een gescheiden vader en zijn veertienjarige dochter, maar aangezien het een komedie betreft, is de echtscheiding deze keer van minder belang, zodat het geen tranerige discussieprent is geworden. Toch zitten er nog wat sentimentele passages in, namelijk waar het gaat over de vader die zijn opgroeiende dochter uit handen moet geven, omdat de liefde ook voor haar begint te wenken.
De echtscheiding heeft in zoverre belang dat de film zich afspeelt tijdens een kerstvakantie van vader en dochter op het tropische eiland Mauritius en dat de vader zelf met problemen worstelt met zijn huidige minnares. Die heeft hem zogezegd verlaten, maar de wereldwijze dochter weet al lang dat het eigenlijk een uitdaging is opdat haar vader haar ten huwelijk zou vragen. Wat op het einde ook gebeurt, inclusief de bestelling van een nieuwe baby, als het effe kan opnieuw een meisje.
Dit soap-einde, helemaal in de lijn van het ethisch reveil van de jongste jaren, verknalt in mijn ogen voor een goed deel een voor de rest niet onaardige film, maar Depardieu is het daarmee niet eens. Als vader van Julie (°1973) en Guillaume (1971-2008) ging hij zelfs heel ver in de identificatie met zijn personage.
In verband met de titel had hij wél een paar bedenkingen. Volgens hem had die even goed “Mon père, ce zéro” kunnen zijn, want een echte held is de vader in de film niet. “En dat is maar goed ook,” zegt Depardieu, “want ik hou meer van helden met foutjes.”
In de film wordt de rol van de dochter vertolkt door de Belgische Marie Gillain, toen nog gewoon een vijftienjarige scholiere uit Luik. Marie was ook aanwezig op de persconferentie en was de schattigheid zelve. Met ogen die je ondeugend aankijken en je duidelijk maken waarom in de film Depardieu zoveel moeite heeft om al dat mansvolk (zelfs van zijn leeftijd) op afstand te houden.
Dankzij de natuurlijke dialogen komt Marie ook zeer goed over, ondanks (of misschien juist dankzij) het feit dat ze enkel nog maar in een toneelgroep van adolescenten had geacteerd. En Gérard? “Hij was zowel een ‘ours’ als een ‘nounours’ voor mij,” zegt Marie, sterke beer en zachte teddybeer tegelijkertijd dus.
Het is ongetwijfeld ook aan Marie te danken dat er aan de Belgische release zoveel aandacht werd besteed, al dient gezegd dat naast haar ook de technische ploeg volledig Belgisch was. Maar daarmee hebben we nu nog altijd niet het verhaal verteld natuurlijk, alhoewel je het al min of meer kunt raden.
Om een jongen te imponeren verzint Véronique (Marie dus) een onwaarschijnlijk verhaal over het feit dat André (Depardieu) zich weliswaar als haar vader voordoet, maar in feite haar minnaar is. Het ene leugentje blijkt alras het andere met zich mee te brengen en voor je het weet doen er een heleboel misverstanden de ronde bij de vakantiegangers. Aanzet dus voor een typische komedie van “mistaken identity”.
De Amerikaanse remake door Steve Miner stond trouwens al onmiddellijk in de startblokken met Depardieu zelf in de hoofdrol. Het succes van het voorafgaande “Green card”, de komedie van Peter Weir, zit daar zeker voor iets tussen, want het Engels van Depardieu is eigenlijk niet om aan te horen. Anderzijds is de aanpassing deze keer veel Amerikaanser dan anders. Het wicht b.v. is totaal onuitstaanbaar. De enige grappige aanpassing is dat Depardieu in zijn onschuld “Thank heaven for little girls” zingt, wat de goegemeente verontwaardigd doet op de vlucht slaan. Helemaal op het einde (bij de lofzang op het huwelijk en het kweken van kinderen) maakt Emma Thompson een cameo-appearance als de aangezochte minnares van Depardieu.
Maar meer nog dan “Green card” zorgde het succes van “Cyrano de Bergerac” voor twijfels bij regisseur Lauzier of Depardieu wel zijn belofte zou houden. Hij had immers mondeling toegezegd de film te zullen maken vooraleer “Cyrano” zo’n onstuitbare wereldcarrière begon. Daar kwam nog bij dat Lauzier, die eigenlijk meer bekend is als toneelauteur en (strip)scenarist, zelfs in het chauvinistische Franse filmwereldje niet au sérieux werd genomen. Toch bleef Depardieu zijn woord gestand en “uit dankbaarheid” laste Lauzier een balconscène in met een heel duidelijke knipoog naar “Cyrano” (*).
Anderzijds lag het ook voor de hand dat men zou vragen of Depardieu dit komedietje er maar bij had genomen, ook al omdat het een verblijf op Mauritius inhield…
Depardieu: “Zwijg me van Mauritius. We zijn er gaan opnemen buiten het toeristische seizoen, in maart-april, maar het is dan ook duidelijk waarom er dan geen toeristen zijn: het weer valt er helemaal niet mee. We hebben zelfs een paar keer regelrechte stormen gehad. En verder… In de film moet ik wat knoeien met waterskiën en surfen. Ik moet doen alsof het gespeeld is, maar ik moet toegeven dat ik écht moeite had, vooral omwille van mijn gewicht dat tijdens de film 115kg bedroeg. Dat is allemaal niet erg bevorderlijk voor het ego. Maar bovenal: het is niet omdat een komedie om te lachen is, dat er ook op de scène veel gelachen wordt. Integendeel zou ik zelfs durven beweren. Ik lach heel wat meer af op de set van een dramatische film.”
Dat Depardieu nare herinneringen heeft overgehouden aan zijn verblijf op Mauritius bij het draaien van “Mon père ce héros” heeft ongetwijfeld ook te maken met het feit dat hij daar verbleef op het moment dat de Amerikaanse pers de lastercampagne inzette die er uiteindelijk voor zou zorgen dat de oscar voor zijn vertolking van Cyrano aan zijn… neus voorbijging.
Ik heb het dus over dat oude interview dat weer werd opgerakeld waarin Depardieu toegeeft dat hij als kleine jongen meermaals bij verkrachtingen was betrokken. Dat hij toen amper negen was en dus niet veel meer had kunnen doen dan toekijken, dat legde een hysterische Amerikaanse pers naast zich neer. Om een voorbeeld te geven: zelfs de Washington Post (u weet wel, de krant die het Watergate-schandaal heeft uitgebracht) riep op om de films met Depardieu te boycotten. Het leek wel alsof de platenverbrandingen nadat John Lennon had gezegd dat “The Beatles populairder waren dan Jezus Christus” weer voor de deur stonden! Maar hierover werd op de persconferentie in Brussel niet meer gerept.
Integendeel, dankzij “1492: the Conquest of Paradise” kreeg de internationale carrière van Depardieu even daarna een nieuw elan. Dat zorgde er natuurlijk ook voor dat het toneelstuk “Gilles!” in de kast blijft liggen. “Ik ben nog steeds erg geïnteresseerd, want dat stuk van jullie Hugo Claus is echt heel goed, maar het is voorlopig te vermoeiend. Daarbij, alleen op scène staan, ce n’est pas marrant, tu sais!”
Barry Norman (“there’s a good guru”) stoorde zich wel aan het Franse accent van Juliette Binoche in “Wuthering heights” en “Damage”, maar hij moest toch toegeven dat haar Engels heel wat beter is dan dat van zijn grote idool Gérard Depardieu. Bovendien wordt het accent van Binoche in “Damage” ergens “verklaard” (ze stamt uit een diplomatenfamilie die van het ene land naar het andere reisde), terwijl het niet duidelijk is waarom Christoffel Columbus Engels-met-een-Frans-accent zou spreken. Akkoord, Columbus was een Italiaanse “gastarbeider” in Spanje, maar dat Engels-zonder-accent eigenlijk voor Spaans zou staan, wordt niet volgehouden. Soms hoort men immers (vooral in massascènes) ook “echt” Spaans… Dit gezegd zijnde vond ik de prent van Ridley Scott toch beter dan algemeen wordt aangenomen, o.a. omwille van de spectaculaire beelden (bekijk deze film nooit op dvd, dit is een film die een groot scherm nodig heeft) en de muziek van Vangelis, al heeft hij dan duidelijk “leentjebuur” gespeeld bij de partituur voor “The mission” van Ennio Morricone.
Gérard Depardieu had dus een hele weg afgelegd, ook al is hij eigenlijk heel de tijd zichzelf gebleven. Hij is nog altijd de ex-bokser uit de provincie die door het Théâtre National Populaire werd aangetrokken om zonder enige opleiding of ervaring een rol te vertolken in “Saved” van Edward Bond. Daar werd hij bevriend met de Antwerpenaar Roger Van Hool. Toen hij na die rol met de motor “op wereldreis” wou gaan, weerhield Van Hool hem hiervan, omdat een groot talent verloren zou gaan.
In plaats daarvan draaide hij “Les valseuses” van Bertrand Blier met Patrick Dewaere en Miou-Miou (1973) en de rest is geschiedenis, zoals men dan zegt. Ergens moet hier ook de periode gesitueerd worden dat Depardieu na het bijwonen van een optreden van de Arabische diva Oum Kulthoum zich tot de islam bekeerde. Hij heeft het twee jaar volgehouden.
Dan is het de beurt aan “René la canne” van Francis Girod met Sylvia Kristel en Michel Piccoli. “Ik denk wel dat die meer succes zou hebben gehad met een andere regisseur. Girod vond immers alles even leuk wat Depardieu en Piccoli uitspookten. Een strakke hand zou hier op z’n plaats zijn geweest. Wat niet wil zeggen dat ik het toch fantastisch vond om met Gérard te spelen,” aldus Sylvia Kristel die het blijkbaar zo fantastisch vond dat ze ook privé nog een beetje met Depardieu heeft “gespeeld”.
In 1977 is er het opgemerkte heroptreden van het trio Bertrand Blier-Gérard Depardieu-Patrick Dewaere, deze keer met de beeldschone Carol Laure i.p.v. Miou-Miou, in “Préparez vos mouchoirs”. Laure is hierin immers, ongeveer zoals het meisje in “Cours privé”, een koele schoonheid die niet “gelukkig” kan zijn (herinner u dat ook Miou-Miou in “Les valseuses” oorspronkelijk geen orgasme kon krijgen). Althans niet bij haar echtgenoot Gérard Depardieu, die haar dan maar uitleent aan een onbekende die hij in een café ontmoet (Dewaere), maar ook deze blijkt niet de Ware te zijn. Net zoals Miou-Miou in “Les valseuses” uiteindelijk “ontbolstert” bij een wat zwakzinnige jongeman, zo vindt Carol Laure het geluk bij een vroegrijp knaapje (Riton).
Depardieu werd als jong acteur in bescherming genomen door Jean Carmet, die voor hem een echte vaderfiguur werd. Toch houdt hij met hem de zot in “Le sucre” van Jacques Rouffio uit 1978. Een beetje onverwacht eindigt het satirische scenario van Georges Conchon met een happy end, wat voor het verachtelijke personage dat Depardieu speelt toch niet echt comme il faut is. Datzelfde jaar haalt hij apenstreken uit in “Ciao Maschio” van Marco Ferreri. Daarna zit hij vast in apocalyptische verkeersopstopping in “L’Ingorgo” van Luigi Comencini (1979). Vervolgens is hij de bastaardzoon van een Noord-Italiaanse landeigenaar in “Novecento”. Hij verloochent het daaropvolgende “La Lune dans le Caniveau”: “Idiote film, regisseur Beineix is alleen geïnteresseerd in zijn eigen navel.” Reactie van Jean‑Jacques Beineix op het boe-geroep tijdens de vertoning: “Ze begrepen ook Picasso niet toen hij Guernica schilderde.”
In 1980 was Gérard Depardieu te zien in “Le dernier métro”. He was not a fan of director François Truffaut and had to be convinced to join the cast. Toch werd hij meteen gecontracteerd als hoofdrolspeler van Truffauts volgende film, La femme d’à côté (1981).
Nog uit 1980 dateert “Le coup du parapluie” (Gérard Oury), waarin hij voor het eerst een duo vormt met Pierre Richard. Dat had zo’n succes dat dit in 1981 werd gevolgd door “La chèvre” (Francis Veber). In 1991 maakt Nadia Tass hiervan een remake (“Pure luck”) met Martin Short als Pierre Richard en Danny Glover als Depardieu.
“Le Retour de Martin Guerre” werd in 1982 gedraaid door Daniel Vigne naar een eigen scenario, dat werd bijgespijkerd door specialist Jean-Claude Carrière. Het verhaal speelt zich af in de 16de eeuw in een boerenmilieu. Als de kinderen van twee families aan elkaar worden gekoppeld en het huwelijk maar niet wil vlotten, trekt de man ervan door. Na acht jaar keert hij echter weer om zijn erfdeel op te eisen. Of is het dan toch niet dezelfde? Een concurrent die ondertussen naar de hand van de achtergelaten vrouw dingt, vindt alvast van niet…
In “Les compères” (Francis Veber) speelt Gérard Depardieu de rol van de journalist Jean Lucas. Van “Het Laatste Nieuws” ongetwijfeld. Hij vormt hier overigens weer een team met Pierre Richard.
Gérard Depardieu maakt daarna zelf zijn regiedebuut met de Molière‑adaptatie “Le Tartuffe”, maar het zal bij deze ene poging blijven. Terecht legt hij zich verder toe op zijn carrière als acteur.
In “Police” van Pialat heeft hij het (in maar vooral nààst de film) aan de stok met Sophie Marceau. Nochtans had ze in ‘Fort Saganne’ goed met hem samengewerkt.
“Rive droite, rive gauche” is de laatste film van Philippe Labro. Hierin laat Depardieu Carole Boucquet in de steek voor Nathalie Baye. De muziek is van Michel Berger. En de titel? Volgens Télérama gaat het als volgt: “Rive droite, l’avocat Paul Sénanques (Depardieu) n’en peut plus de couvrir les crapuleries de son principal client. Rive gauche, Sacha Vernakis (Baye), une attachée de presse, se demande si elle doit coucher pour obtenir un marché. Paul et Sacha se rencontrent et décident d’en finir avec les compromissions…”
Daarna is hij samen met Yves Montand te zien naast in “Jean de Florette”, een film van Claude Berri naar de roman “L’eau des collines” van Marcel Pagnol. De muziek is eigenlijk van Verdi (“La Forza del Destino”), maar in de versie van Toots Thielemans is dat bijna niet te herkennen. Later kwam er een vervolg op: “Manon des sources”.
In 1986 loopt Gérard er in “Tenue de soirée” af en toe in vrouwenkleren bij en wil hij absoluut Michel Blanc sodomiseren, terwijl nochtans ook diens filmvrouw Miou-Miou beschikbaar is!
In 1987 wint voor de eerste maal sinds 1966 een Franse film de Gouden Palm: “Sous le Soleil de Satan” van Maurice Pialat naar het werk van Georges Bernanos. Gérard Depardieu, van alle markten thuis, mag hierin voor ’t eerst een kazuifel dragen. Dat het festival zijn veertigste verjaardag viert en Yves Montand voorzitter is van de jury, is puur toeval. Wanneer Montand de grote prijs aankondigt, roept en tiert het publiek. Pialat snauwt terug: “Si vous ne m’aimez pas, je peux vous dire que je ne vous aime pas non plus” en steekt tot twee keer toe zijn vuist in de lucht.
Sommigen noemen het de slechtste film van Depardieu. Maar ze zullen hem ongetwijfeld toch nog altijd beter vinden dan “Les fugitifs”(Francis Veber), al kan ikzelf nog altijd onbedaarlijk lachen met deze film waarin Depardieu weer in de huid kruipt van Jean Lucas.
Daarna draait Gérard “Trop belle pour toi”. In “Tous les matins du monde” van Alain Corneau, heeft hij niet zo’n grote rol. Hij speelt weliswaar Marin Marais, de leerling van de nukkige Sainte-Colombe (Jean-Pierre Marielle), maar de film is vooral een flashback en daarin wordt de rol van de jeugdige Marin Marais gespeeld door zoon Guillaume Depardieu (de dochter die de geheimen van de zevensnarige gamba aan hem verklapt wordt gespeeld door Anne Brochet).
Dat lag nochtans niet voor de hand. Als klein jongetje had deze wel eens een rol vertolkt als zoon van zijn vader in “Pas si méchant que ça” van Claude Goretta, maar eigenlijk wou hij niks met film te maken hebben, precies omdat zijn vader dit vak verkoos boven het huiselijke leven. Daarom stortte Guillaume zich op de muziek en zo kreeg hij toch zin deze barokcomponist gestalte te geven (al wordt de muziek voor de film wel door Jordi Savall vertolkt).
Toch zou de relatie met zijn vader niet verbeteren. Guillaume raakte steeds meer aan de zelfkant van de maatschappij (hij ging dus net de andere richting uit dan zijn vader) en belandde uiteindelijk wegens drugshandel voor anderhalf jaar in de gevangenis. Toen hij vrij kwam had hij in oktober 1995 een zwaar ongeval met de motor. Zijn been zou hem dan voortdurend last blijven berokkenen, zodat hij in juni 2003 tot amputatie besloot.
Anderzijds was hij door heel die affaire wel afgekickt. En ook tot zijn vader en het filmvak in het algemeen was er een toenadering gekomen, wat in 2002 als het ware werd bekroond met de film “Aime ton père”. Kort daarna zou Guillaume echter alsnog overlijden aan een hardnekkige longontsteking die hij had opgelopen tijdens filmopnamen in Roemenië.
Ondertussen was de grote internationale doorbraak er voor Depardieu senior dus gekomen met “Cyrano de Bergerac” van Jean-Paul Rappeneau (**). De decors waren van Ezio Frigerio, die we o.a. uit de Vlaamse Opera kennen.
Gérard Depardieu werkt het liefst van al met regisseurs die zelf de scenarist zijn van hun film. “Zij regisseren al op papier en laten op de set de acteurs meer vrijheid,” aldus Depardieu. Het komt uiteraard ook tegemoet aan zijn opvatting dat een film op de eerste plaats een goed verhaal moet vertellen. “Het verhaal interesseert mij het meest, niet de techniek. Slechts een goede tekst of een goed verhaal heeft magie in zich.”
Depardieu zoekt daarop een tijdje naar de titel van een film die om technische redenen wordt bewierookt, maar waarin een verhaallijn totaal ontbreekt, maar ofwel wou “Prospero’s books” hem niet te binnen schieten, ofwel was hij bang daarvoor uit te komen met al die filmfreaks in de zaal.
Daarnaast mag het verhaal ook niet verzuipen in de “special effects” volgens hem. “Ik heb het al eerder gezegd,” zegt Depardieu. “Il y a des films avec des effets spéciaux et il y a des films avec des effets d’âme. Geef mij maar de laatste categorie!”
Daarna speelde Gérard Depardieu God in “Hélas pour moi” van Jean-Luc Godard, enfin een god die tot de conclusie komt dat hij geen echte god is, omdat hij b.v. niet op het water kan wandelen. Maar voor de rest is het een typische Godard-film, totaal onverstaanbaar voor normale mensen, tenzij misschien als ze het gedicht van Leopardi hebben gelezen, waarop de film is gebaseerd.
Daarna kwam “La machine” van François Dupeyron die door degenen die hem hebben gezien (dus niet door Barry Norman die het op “The Flintstones” houdt) bekroond werd als de slechtste film van het jaar. Hierin speelt Gérard Depardieu een geleerde die “per ongeluk” van brein wisselt met een vrouwenmoordenaar (Didier Bourdon). Zijn eigen vrouw (Nathalie Baye) merkt niet eens enig verschil…
Ondertussen werd in Frankrijk “Daens” opzettelijk nà “Germinal” uitgebracht, zodat men in de pers smalend kon lezen dat die Belgskes “hun” Germinal nog eens wilden overdoen. Niet alleen was het dus omgekeerd, bovendien is “Daens” van een veel betere kwaliteit dan deze Zola-verfilming met een onherkenbare Miou-Miou, met natuurlijk ook Gérard Depardieu, met zanger Renaud in zijn eerste filmhoofdrol en met Jean Carmet in zijn lààtste rol. Hij overleed immers in april ’94 in Sèvres op 73-jarige leeftijd.
Daarna speelde Gérard Depardieu de titelrol in “Le Camion” van Marguerite Duras en in 1994 was hij te zien in “Une pure formalité” van Giuseppe Tornatore naast Roman Polanski. Dan speelt hij een verloeloederde nozem in “Loulou” naast een huilerige Isabelle Huppert en een zoals altijd messcherpe Guy Marchand, waarna hij ook van de partij is in “Mon Oncle d’Amérique” van Alain Resnais. Vanessa Paradis van haar kant is de dochter van Depardieu in “Elisa” van Jean Becker.
Rond die tijd verklaart Sigourney Weaver in “Humo”: “Ik heb heel veel geleerd van Gérard Depardieu. Hij blijft niet vastzitten in zijn personage. Hij staat voortdurend te gekscheren, hij amuseert zich, maar op de cruciale momenten is hij plots helemaal geconcentreerd. Depardieu is de beste acteur die ik ken. Mijn absolute favoriet. Hij is een van die mensen die nog echt van hun werk genieten. Depardieu belichaamt iets dat volgens mij heel uitzonderlijk is, het complete genot. Hij heeft iets kinderlijks. Het is dat speelse in hem dat me ertoe brengt hem zo aardig en zo goed te vinden. Hij is gewoon een klasse apart. Hij neemt het hele gedoe niet ernstig, en toch slaagt hij erin om passioneel en sterk te zijn. Iemand die altijd voor iedereen klaar staat, en zich absoluut niet de grote ster waant. Hij is gewoon Gérard.”
LES ANGES GARDIENS
Het is goed van deze woorden in herinnering te houden, want zijn carrière zelf gaat van kwaad naar erger o.a. met “Les Anges Gardiens” met Christian Clavier, un film français réalisé par Jean-Marie Poiré, avec le plus gros budget de l’année 1995. Il obtint la seconde place au box-office français de l’année, derrière Les Trois Frères de Bernard Campan et de Didier Bourdon. Il s’agit d’une adaptation de la pièce C’est malin de Fulber Janin et mise en scène par Jacques Fabbri, diffusée dans Au théâtre ce soir en 1970. C’est le cliché habituel: deux individus que tout oppose se retrouvent malgré-eux: le premier, Antoine Carco, un malfrat égoïste reconverti, doit ramener de Hong Kong le fils d’un ami trafiquant, mais le fait en premier lieu pour passer les 15 millions de dollars en bons du trésor volés par le père de l’enfant aux triades chinoises. Le second, l’honnête et bienveillant père Hervé Tarain, rentre d’un stage éducatif avec un groupe de jeunes français en difficulté.
Maar wie (zoals ik) dacht dat de titel sloeg op het feit dat die twee nu “les anges gardiens” waren van de kleine Bao, die is eraan voor de moeite. Bijna halfweg de film duiken plotseling uit het niets twee “echte” engelbewaarders op, waarvan één (die van Tarain) eigenlijk juist een kwelduivel is i.p.v. een engelbewaarder. Om maar te zeggen dat er veel meer te halen viel uit deze film, waarin nochtans met geld werd gesmeten (vooral in de vorm van autowrakken en straatwinkeltjes in Hong Kong) om te beletten dat men zou denken dat dit ooit een theaterstuk is geweest. Een ander voorbeeld is o.a. dat die ambetante kinderen van Tarain (“jeunes en difficulté”) op het vliegtuig voortdurend een dikke passagier met hun blaaspijpen liggen te ambeteren. Je verwacht dat dit in een goeie grap gaat uitmonden (de dikke die weerwraak neemt b.v.), maar nee, dat gaat gewoon zo irriterend door. Kortom, onbegrijpelijk dat Alain Bernardin op het einde van zijn leven nog de toelating heeft gegeven dat de Crazy Horse haar medewerking heeft verleend aan dit onding.
OBELIX
Met “Bogus”, met een eveneens overacterende Whoopi Goldberg, lijkt het er zelfs een beetje op alsof Depardieu al last krijgt van seniliteit. Hij speelt immers bijna uitsluitend nog in nietszeggende komedies. Wat bezielde hem b.v. om de rol van Obelix te aanvaarden in de gelijknamige film van Alain Chabat uit 2002 (naast de Asterix van Clavier) ? Een jaar eerder draaide hij echter nog een komedie (niet toevallig van Francis Veber) die toch uit wat beter hout is gesneden, vooral omdat ze inspeelt op de actualiteit. In “Le placard” staat François Pignon (rol van Daniel Auteuil) immers op het punt te worden ontslagen in het bedrijf waar hij is tewerkgesteld. Zijn buurman Belone (Michel Aumont) stelt echter voor dat hij “uit de kast” (le placard) zou komen en zichzelf “outen” als homo. In deze tijden van “political correctness” is het dan als het ware onmogelijk dat hij nog zou worden ontslagen, iets wat hem (Belone dus) destijds in de dagen vóór er van “political correctness” ook maar sprake was, wél is overkomen en dan nog precies om die reden (dat hij homo was dus). Voor Belone is het dus een vorm van revanche. Alhoewel Pignon hetero is, zelfs met de nodige problemen met zijn ex, besluit hij op het advies van Belone in te gaan en het plannetje lukt. Meer zelfs, de coach van de rugbyploeg van het bedrijf (Gérard Depardieu als Félix Santini) wordt door een aantal collega’s, geleid door Thierry Lhermitte, van homofobie beschuldigd en komt zo op zijn beurt in nauwe schoentjes te staan…
Daarna was hij nog te zien in “Le plus beau métier du monde” en “The man in the iron mask”, waarin als Porthos al de spot wordt gedreven met zijn gewichtstoename. Zoals gezegd gaf hij vanaf 1999 verscheidene malen gestalte aan Obelix in tal van Asterix-films. Dat was het moment dat hij enorm in volume is toegenomen, al is niet duidelijk wat er eerst kwam: de kip (zijn corpulentie) of het ei (Obelix). Depardieu bleef desondanks onverdroten films maken, ook al kwam hij steeds meer met zijn wijn in het nieuws. Maar daar heeft hij dan ook een neus voor!
In “Tais-toi!” van Francis Veber uit 2003 was zijn corpulentie echter nog binnen de perken. Twintig jaar na “Les compères” wilde Veber zijn succesformule van een gehaaide gangster gekoppeld aan een goedaardige sul nog eens overdoen. Aangezien Pierre Richard daar blijkbaar geen zin meer in had, deed Veber deze keer een beroep op… Jean Reno. Het spreekt echter vanzelf dat die nu de rol van de tough guy zou spelen, zodat Gérard Depardieu deze keer de weliswaar beresterke maar toch vooral onnozele brave snul moest spelen. Akkoord, het werkt niet helemààl zoals vroeger, maar de film verdient toch beter dan de quasi-anonimiteit waarin hij thans is verloren gegaan.
In “Disco” van Fabien Onteninente uit 2008 daarentegen speelt Gérard een totaal onbenullige rol in een film die helemaal is gebouwd rond Franck Dubosc, die als veertigjarige zijn carrière als dansfenomeen Didier Travolta heropneemt om een wedstrijd te winnen (georganiseerd door Depardieu), waardoor zijn zoontje op reis kan naar Australië. Muziek, humor en sociaal engagement verweven, het doet denken aan films als “The Full Monty”, maar daartegenover is dit een grote afgang. Zonder deze vergelijking kan de film er nog mee door, mede dankzij de vrouwelijke hoofdrol Emmanuelle Béart als danslerares, die echter wel een mislukte botoxinspuiting in haar lippen achter de rug heeft (in de realiteit, bedoel ik, niet in de film).
In 2009 speelde hij een klein rolletje in “A l’origine” van Xavier Giannoli. In dit, naar men ons wil laten geloven, echt gebeurde verhaal speelt Gérard Depardieu kort samengevat “de slechte moordenaar”, daar waar de echte hoofdfiguur, François Cluzet, als oplichter “de goede moordenaar” speelt. Als het verhaal inderdààd echt gebeurd is, dan moeten de Groenen deze film toch wel met rode kaken hebben bekeken. De volledige titel luidt namelijk “A l’origine il y avait un scarabée” en dat gaat dan over het feit dat werken aan een autoweg dienden te worden stilgelegd omdat… er een zeldzame kever was gesignaleerd op de bouwwerf. De werken dienden te worden stilgelegd, firma’s gingen overkop en zo goed als een heel dorp werd werkloos. Als een oplichter zich voordoet als de nieuwe werfleider Philippe Miller, wordt hij als de Messias onthaald en de economie leeft weer op. Tot uitkomt dat het allemaal slechts oplichterij is natuurlijk. Maar op dat moment is “Philippe Miller” al zozeer in de ban van zijn realisatie gekomen dat hij van geen ophouden wil weten en de weg inderdaad afwerkt, ook al komt hij daardoor in de gevangenis terecht. Volgens het naschrift op de film is hij ondertussen alweer op vrije voeten maar weet niemand waar hij zich bevindt…
DE ZAAK DEPARDIEU
Kort daarna volgde de zogenaamde “zaak Depardieu”, waarover ik mij had voorgenomen niets te schrijven, maar kort daarna zag ik op de RTBF “Potiche” een komedie van François Ozon uit 2010 en hierin speelt Depardieu een communistische burgemeester. De film gaat eigenlijk terug op een boulevardstuk van Pierre Barillet en Jean-Pierre Grédy uit 1980 en de belangrijkste rol is weggelegd voor Catherine Deneuve, door Depardieu ooit omschreven als « l’homme que j’aurais aimé être », maar dat Depardieu hierin een communist speelde, was nu toch wel een geweldig toeval. Om aan de rijkentaks van de socialistische regering in Frankrijk te ontsnappen, heeft hij zich immers een Russisch paspoort aangeschaft, dat hem overigens was aangeboden door premier Poetin, net zoals onze minister Reynders hem met gulle hand een Belgisch paspoort had aangereikt dat Depardieu evenwel heeft afgewezen, ook al had hij zich reeds een stulpje net boven de Franse grens aangeschaft. Welnu, in zijn dankwoord tegenover Poetin, maakte Depardieu plotseling bekend dat zijn vader communist was. Daar had ik nog nooit iets van gehoord. En ik vond het ook erg vreemd dat hij daar nù mee afkwam, juist op het moment dat hij zijn centen ergens anders wou onderbrengen i.p.v. zijn steentje bij te dragen om de crisis in eigen land te bestrijden!
Hij kreeg dan ook voorspelbaar een hoop bagger over zich heen, maar ik hoop dat niemand het in zijn hoofd heeft gehaald om meteen ook zijn verdiensten als acteur te proberen onderuit te halen, want datzelfde jaar (2010 dus) levert hij toch alweer een prachtprestatie in “La tête en friche” van Jean Becker. “Friche” is eigenlijk “braakliggend” en het is dan ook een goede titel voor een film over een ogenschijnlijk minder begaafde, zeg maar: wat achterlijke, man die in de herfst van zijn leven met een heel oud dametje in contact komt (Gisèle Casadesus) die hem laat kennismaken met de Franse literatuur. En dan blijkt de “achterlijke” man juist zeer gevoelig voor dat soort zaken te zijn. Al van in zijn jeugd werd hij echter gekleineerd en zo was hij er stilaan van overtuigd geraakt dat dit allemaal niet aan hem besteed was. Mooie, gevoelige, warme film met uitstekend gecaste nevenrollen (zoals die van de Waalse Maurane).
In 2018 was hij te zien in een potsierlijke rol in “Amoureux de ma femme” van Daniel Auteuil. Met zijn omvangrijke lichaam is hij als minnaar van een beeldschone jonge dame totaal ongeloofwaardig.
Referentie
Ronny De Schepper, “De magie van een goed verhaal”, Steps magazine, november 1991
(*) In 2015 werd dit nog eens succesvol overgedaan in de Vlaamse televisieserie “Tom & Harry”.
(**) Hij speelt ook een cameo-rolletje in diens “Le hussard sur le toit” (1995).