Morgen zal het ook dertig jaar geleden zijn dat op de BRT “Tot nut van ’t algemeen” werd uitgezonden, een televisiefilm naar het toneelstuk van Walter Van den Broeck. Dat was in het kader van de reeks “Made in Vlaanderen”, een reeks die ontzettend belangrijk is geweest voor de ontwikkeling van de filmindustrie in Vlaanderen en het is dan ook schandalig hoe slordig de VRT met deze erfenis omspringt. Niet alleen van déze film, maar ook van tal van andere is het onmogelijk om illustratiemateriaal te vinden. Ikzelf had de film op de persvisie gezien (want bij de uitzending zat ik dus in Leningrad) en ook een klein interviewtje hierover gehad met de nog piepjonge Els Dottermans. Gelukkig was er nog Jo Clauwaert om dit op de gevoelige plaat vast te leggen.

“Tot nut van ’t algemeen” werd door de BRT dienst drama uitgezonden op 11/12/1988 met twee regisseurs: Lode Verstraete (act.)/Raf Verpooten (TV). Het decor was van Paul Degueldre. De acteurs: Denise De Weerdt (Jeanne Bonneure), Dries Wieme (Domien Bonneure), Polly Geerts (Gerda Bonneure), Ugo Prinsen (Hubert Bonneure), Els Dottermans (Alice Bonneure), Luk De Koninck (schepen Valgaeren), Jaak Vissenaken (notaris) en Walter Cornelis (Miel). Ik vroeg aan Els Dottermans of het prettig werken was ?
E.D.: Zeer zeker, vooral samenwerken met Dries Wieme was heel interessant. Dat is iemand met een fantastisch inzicht hoe er dient gespeeld te worden en dat was voor mij een grandioze ervaring, vooral omdat de relatie tussen die kleindochter en haar grootvader toch een beetje eigenaardig is, nietwaar? Ik vond persoonlijk dat voor de televisiebewerking die relatie nogal « gevaarlijk » was uitgeschreven, veel meer dan in de oorspronkelijke toneeltekst (daarin staan kleindochter en grootvader dicht bij elkaar gewoon omdat ze beide rebellen zijn, in de TV-film wordt er echter bovendien gesuggereerd dat Alice bij Domien ook herinneringen aan een jeugdliefde, zijn « zwarte tijgerin » zou oproepen). Maar Dries en ik hebben samen getracht dat in juiste banen te leiden, wat meer aanvaardbaar te maken, zodanig dat wat de auteur wil tonen een beetje te begrijpen valt. Als ik het scenario las vond ik het allemaal immers nogal vreemd, moeilijk om te spelen, dat al dan niet lesbienne zijn b.v. Ik vond het eigenlijk een beetje genant zoals het daar stond. Maar we hebben dan geprobeerd uit te leggen wat die mensen bezielt door hun achtergrond zo duidelijk mogelijk neer te zetten.
Het toneelstuk “Tot nut van ’t algemeen” werd in 1980 gecreëerd door het Mechels Miniatuur Theater, al weet ik niet of het ook in opdracht van het MMT is geschreven, ook niet na het leven van een interview dat André Lefèvre van hem heeft afgenomen voor “De Scène”, al heeft dat ongetwijfeld ook te maken met het feit dat ik slechts een fragment van het interview in mijn bezit heb. In dat fragment vraagt André Lefèvre o.a.: Hoe ervaar je het groepswerk, het meewerken aan een productie?
W.V.D.B.:
Met het MMT is er echt groepswerk mogelijk. Een idee dat groeit tot een stuk, is iets dat ik wel mogelijk zie met die mensen. Zoals het nu is = een voorafgeschreven stuk, wil ik wel geregeld komen zien hoe het staat, hoe het verloopt. Maar ik wil niet elke dag komen, dat vind ik te veel op de vingers kijken. Je moet de ploeg de kans geven zelfs iets te vinden, zelf iets te creëren.
A.L.: Is de auteur achter zijn bureau niet afgeschreven? Is het niet beter effectief in het theater een stuk te maken?
W.V.D.B.:
Naar een theater gaan en vanuit een idee daar een stuk maken, hangt af van mijn debiet. Het is voor mij geen uitgesproken regel. Veel hangt af van de stemming : ik voel nu ga ik een stuk schrijven, zonder specifiek te weten voor wie. Of dit uit de tijd is, weet ik ook niet. Er zijn ook gevaren verbonden aan het werken in een groep o.a.: de nivellering naar het kleinste gemene veelvoud van een stuk. Een stuk moet groter zijn. De mensen die zeggen: schrijven achter een bureau is fout, zijn fout; werken in een groep is goed, is fout. Ik heb ook al gewerkt in groep en daar is niets uit voortgekomen. Het is moeilijk in een groep te werken, je moet de groep kennen om optimaal te kunnen werken. Ik hou echter niet vast aan één bepaalde methode, maar je kan ook niets zonder rekening te houden met de Vlaamse theatersituatie.
André Lefèvre: Voel je enige affiniteit met andere auteurs?
W.V.D.B.:
Met Franz Xaver Kroetz, maar niet met zijn hyperrealisme. Ik bedoel daarmee de afwezigheid van de relativering. De personages van Kroetz nemen alles te bloedserieus op. Ik ontdekte pas achteraf dat er gelijkenis is met iemand anders.
André Lefèvre vraagt ook nog in hoeverre Domien (de vaderfiguur) autobiografisch is en Walter Van den Broeck antwoordt hierop: “Alle vaderfiguren hebben met mijn vader te maken, maar niet de verhaalelementen. Mijn eigen vader was meer de figuur uit Greenwich : de uitvinder, en ook de man uit Groenten uit Balen die naar de koning schrijft. Mijn vader doet dat ook, hij vindt sociale actie overbodig, hij wendt zich onmiddellijk tot de machthebbers in de vorm van brieven aan Carter, Waldheim, Brezjnev. Dit gegeven heb ik verder uitgewerkt in mijn nieuw boek dat in ’80 verschijnt: Brief aan Boudewijn. Ik vind het onmogelijk een personage te creëren dat je niet zelf kent. De tedere ondergrond van mijn figuren ligt ook in mij.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.