Dat staat dus op het programma, hé! Zelfs in een Handelschool, zoals ik tot mijn scha en schande mocht ondervinden. Los daarvan vind ik dat zelf wel interessant, vandaar dat ik de moeite heb gedaan het ook allemaal nog eens op mijn blog te noteren, maar om dit nu ook aan zestienjarige pubers op te dringen, dàt is natuurlijk een heel ander verhaal…

§1.HET ZELFSTANDIG NAAMWOORD
1.Concreet/abstract
Concreet: iets dat op zichzelf bestaat (reëel of gefantaseerd, dus ook een spook is “concreet”)
Abstract: bestaat niet op zichzelf, maar is aanwezig in concrete zaken (eigenschap, toestand, gevoel, werking, maat, tijd…)
2.Soortnaam/eigennaam
Eigennaam: één bepaalde persoon, dier, zaak…
Soortnaam: meerdere
Concrete eigennamen: Louis, Floere, België…
Abstracte eigennamen: juni, maandag… (in het Engels nog met een hoofdletter)
Opmerking: personificatie; gepersonifieerde allegorieën (b.v. de Dood) zijn dan niet langer abstract
Omgekeerd: een eigennaam als soortnaam: een Rubens, een Ford, cognac…
3.Indeling van concrete zelfstandige naamwoorden
Voorwerpsnamen: persoonsnamen, diernamen, zaaknamen
Stofnamen: “goud is een gegeerd goedje”; bij twijfel: een voorwerpsnaam kan bijna nooit zonder lidwoord, dus “smid is in de smisse” kan niet, “smid” is dus geen stofnaam (let op: “Smid is een fijn beroep” kan dan weer wel, maar hier is “smid” elliptisch voor “smid zijn”)
Verzamelnamen: verschillende elementen van dezelfde soort als een eenheid b.v. klas
4.Geslacht
Mannelijk, vrouwelijk en onzijdig.
Lijkt simpel, maar is niet hetzelfde in alle talen. In het Frans b.v. krijgt het bezittelijk voornaamwoord het geslacht van het zelfstandig naamwoord waar het bij staat, dus: L’homme et sa voiture.
5.Getal
Enkelvoud, meervoud.
Idem. In het Nederlands hangt dit van het woord (vorm) zelf af. “Het volk” b.v. is enkelvoud, ook al bestaat het uit meerdere personen. In het Engels krijgt echter de inhoud de voorkeur: “Games people play“.
6.Meervoudsvorming
Normaal: (e)n
-s voor vreemde woorden of na achtervoegsels zoals aar, aard, erd, age, el, em, en & er en na verkleinwoorden, andere gevallen zijn meestal gallicismen
-eren (eigenlijk een dubbel meervoud, zoals men kan afleiden als men vergelijkt met het Duits waar “Kinder” op zich reeds een meervoud is van “Kind”) bij éénlettergrepige onzijdige woorden (onzijdig, jawel, ook “hoen” is onzijdig!)
Soms herbergt de oppervlaktestructuur van één woord eigenlijk in de dieptestructuur twéé woorden (b.v. been, blad): dat wordt dan duidelijk in de twee verschillende meervoudsvormen (benen: lichaamsdelen; beenderen: skelet; bladen: papier; bladeren: van bomen)
namen van hoeveelheden (maten, gewichten, munten, tijdperken)
indien voorafgegaan door een bepaald getal: onveranderd
indien voorafgegaan door een onbepaald getal: meervoud
7.Verbuiging
genitief -s: enkel met persoonsnamen zoals vaders pijp (let op: géén afkappingsteken, tenzij indien noodzakelijk voor uitspraak) en spreekwoorden zoals ’s werelds loon (let op: ’s nachts is een bijwoord)
genitief -en: uitzonderlijk (het huis des Heren)
datief -e: in uitdrukkingen zoals ten geschenke geven

§2.HET WERKWOORD
1.Samengestelde werkwoorden
a) met zelfstandig naamwoord: beeldhouwen, zegevieren (niet splitsbaar)
b) met bijvoeglijk naamwoord: liefhebben, vrijspreken (wél splitsbaar)
c) met een ander werkwoord: spelevaren, wiegewaaien (niet splitsbaar)
d) met een voorzetsel: doorblàderen, vóórspreken (niet splitsbaar indien de klemtoon op het tweede lid ligt, wel splitsbaar indien de klemtoon op het voorzetsel ligt); let op: op die manier ontstaan homoniemen (doorlopen, voorspellen…)
2.Afgeleiden met voorvoegsels of prefixen
BE:
– voorzien van: beantwoorden, bedrukken
– om van intransitieven transitieven te maken: beschieten, bespreken
– perfectief: bekijken, bemerken
– andere: beginnen, behoren
ER: erbarmen, ervaren
GE: gedenken, geloven
HER: herdrukken, hernieuwen (opnieuw)
ONT:
– inchoatief: ontbranden, ontvlammen
– iets ontdoen van: onthoofden, ontmantelen
– verwijdering: ontkomen, ontvluchten
– mutatief (in een andere toestand brengen): onthullen, ontspannen
VER:
– perfectief: verbranden, vergaan
– mutatief: verjongen, verwarmen
– verkeerd handelen: zich verrekenen, zich verspreken
– verwijderen: verdrijven, verspelen
3.Afleidingen met suffixen of klankwisseling
a) denominatieven (afgeleid van zelfstandige naamwoorden, maar ook bijvoeglijke naamwoorden)
-en: bijna alle neologismen (middagmalen, stillen…) en onomatopeeën of klanknabootsingen (roekoeën, piepen…)
-e(e)ren: parkeren, waarderen…
-igen: huldigen, wijzigen
b) deverbatieven (afgeleid van werkwoorden)
– causatieven (doen…): zwakke werkwoorden, afgeleid van sterke (drenken, zogen…)
– frequentatieven: -elen en -eren (bedelen, bibberen…); let op: niet verwarren met denominatieven die afgeleid zijn van woorden die eindigen op -el of -er (hengelen, ankeren…); randgeval: druppelen
– intensieven (vlug en/of voorbijgaand): korte klinker en dubbele medeklinker (vroeger hóórde men die twee medeklinkers ook) b.v. bukken, wikken, hikken…

§3.WOORDWIJZIGINGEN
1.Veranderingen in de KLANKEN
b.v. diftongering (bliven: blijven)
2.Veranderingen in de VERBUIGING
Uitgangen zijn meestal weggevallen, b.v. enen osse: een os
Uitzondering: vaders pijp
3.Veranderingen in de VERVOEGING
In de voltooide tijden (begonsten: begonnen)
4.Veranderingen in de SPELLING
Invloed van het Latijn verdwijnt (ghesellen: gezellen)
5.Veranderingen in de WOORDENSCHAT
“wijf” (vgl. het Engelse wife) had oorspronkelijk geen negatieve betekenis
Bijvoeging
Voorvoeging of prothesis: nijver (ijver), tachtig (acht), nonkel (onkel)
Invoeging of segmentatie: geschieden (gescien), kelder (kelre)
Achtervoeging of paragoge: burcht (burg), niemand, ochtend, rijst
Weglating
Voorafwerping of aféresis: makkelijk, pon (japon)
Uitstoting of syncope: kermis (kerkmis), broer (broeder), kleren (klederen)
Afkapping of apocope: meestal weglating van de doffe -e die in het Latijn nog een heldere klank was, maar die door het Germaanse accent op de eerste lettergreep dof is geworden b.v. rosa, rose, roos; here, heer; vrouwe, vrouw; sone, zoon
ASSIMILATIE
a) progressieve assimilatie: uit inertie (luiheid); men houdt de eerste medeklinker aan b.v. “kornel” wordt “korrel”, “altemaal” wordt “allemaal”, “klimben” (bestaat niet meer in het Nederlands, maar wel nog in het Engels) wordt “klimmen”…
b) regressieve assimilatie: uit anticipatie (vooruitlopen); men spreekt de tweede medeklinker te vroeg uit, zodat de eerste wegvalt b.v. “banling” wordt “balling”; “potlepel” wordt “pollepel”; “l’ombre” wordt “lommer”…
In al deze gevallen is de assimilatie totaal en wordt ze dus ook zichtbaar in de spelling. Maar dit is niet altijd zo: bij “hij leeft” b.v. wél (onder invloed van de stemloze “t” wordt de “v” van “leven” tot een stemloze “f”), maar bij “hij leefde” niét (onder invloed van de stemhebbende “d” wordt de “f” als “v” uitgesproken, maar naar analogie blijft de spelling met een “f” toch gehandhaafd). Dit is bijna enkel het geval op het einde van een woord (ook een zelfstandig naamwoord: “deugd” wordt eigenlijk uitgesproken als “deucht”, maar naar analogie met “deugden” schrijft men toch “deugd”.
Labialisering: onder invloed van de daaropvolgende labiale medeklinker wordt de “n” van het voorvoegsel “on” als “m” uitgesproken, ook al is dit niet terug te vinden in de spelling: onmogelijk, onbetamelijk, onpasselijk… Uitzondering: “onmens” blijft “n”.
Palatalisering of palatalisatie: katje, musje, franje… worden niet uitgesproken als kat+je enz., maar de medeklinker vormt samen met de daaropvolgende “j” één medeklinker die enkel door een fonetisch teken kan worden weergegeven en helaas heb ik geen manier gevonden om deze weer te geven (ook niet via de Ascii-codes).
Velarisatie: idem, maar deze keer gaat het over de “n” die de invloed ondergaat van de daaropvolgende medeklinker, zoals in het geval van “ongelukkig” of “in Keulen”. Dit laatste noemt men een sandhi (niet te verwarren met “Xandee van Tienen”) omdat men het enkel kan hóren, in de spelling is er niets van terug te vinden.
DISSIMILATIE
ongelijkmaking omwille van de uitspraak
murmelen i.p.v. murmeren
tovenaar i.p.v. toveraar
OMZETTING OF VERSPRINGING
metathése of metàthesis
“kerstmis” tegenover “Christmas” (waarin we duidelijk “Christus” kunnen herkennen)
“derde” tegenover “drie”
en in het dialect: geps, weps, heps
ENCLISIS
zag ‘k
hij zei ‘t
PROCLISIS
’t huis
‘k hoor

§4.KLANKWIJZIGINGEN
ANALOGIE
= overeenkomst, gelijkenis, eenvormigheid
b.v. men zegt: molen+aar, eigen+aar, Antwerpen+aar…
men zou dus ook moeten zeggen: kluis+aar, weduw+aar, Utrecht+aar…
naar het voorbeeld van de drie voorgaande zegt men echter: kluizenaar, weduwnaar, Utrechtenaar…
belang: streven naar eenvormigheid, vereenvoudiging van de taal (progress in language)
b.v. een nieuw werkwoord wordt zwak (zoals “stofzuigen”)
Opmerking: STAPELVORMEN
Ongewone meervoudsvormen (hoender, kinder, kalver, lammer, kleder…) worden gelijkgemaakt aan de gewone meervoudsvormen door toevoeging van -s of -en: hoenders, kinderen, kalveren, lammeren, klederen…
Ook bij diminutieven als druppel en korrel (druppeltje, korreltje)
CONTAMINATIE
ontstaat wanneer ons bij het spreken twee verwante, nagenoeg gelijkluidende of synonieme woorden of uitdrukkingen voor de geest zweven en we een gedeelte van het ene met een gedeelte van het andere verbinden
in tegenstelling tot de vorige voorbeelden, zijn voorbeelden van contaminatie foutief, zoals voorbijpasseren, verexcuseren, van jongsbeen af, vertransporteren, optelefoneren, ze lieten niet tonen, allerleihande, pas op uw hoede, onmeedogenloos, verpleegzuster…

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.