Laat ik meteen maar toegeven dat ik een beetje (?) kort door de bocht ben gegaan: 160 jaar geleden ging in het Théâtre des Bouffes-Parisiens te Parijs de operette “Orphée aux Enfers” (“Orpheus in de onderwereld”) van Jacques Offenbach in première. De ouverture tot deze operette eindigt met een uptempo-ritme dat later aanleiding zou geven tot een nieuwe, gewaagde dans, de zogenaamde cancan. Het lijkt me echter dat dit proces enige tijd in beslag heeft genomen en dat de can can niet geboren is op de avond van de première…

Ewel, ik ben verkeerd! De cancan bestond al vóór “Orphée aux Enfers”. Dit is wat Wikipedia erover weet te vertellen: “Oorspronkelijk komt de dans uit Algerije. Het is een linedance waarin een aantal vrouwen in een rij naast elkaar staan en tegelijk bewegen op de maat van de muziek. Hierbij tillen zij hun rok op of tillen ze hun been zo hoog in de lucht dat hun blote benen te zien zijn. Dit laatste werd destijds als zeer aanstootgevend beschouwd.
Hoewel de cancan uit Algerije komt, is de kleding geïnspireerd op de rokweelde van de Spaanse danseressen. De danseressen dragen lange jurken, petticoats en zwarte kousen.
Rond 1830 kwam de cancan in zwang in de Parijse wijk Montparnasse. Hij werd vaak in nachtclubs gebruikt als lokdans met een erotische functie. Zo ook in de Moulin Rouge. De overheid en de kerk ergerden zich in die tijd zeer aan deze dans.
De Franse componist en cellist Jacques Offenbach verwerkte cancanmuziek in zijn compositie Orphée aux enfers uit 1858. Hervé, pseudoniem van Florimond Ronger (1825–1892) componeerde eveneens een cancan, die echter minder beroemd is. Andere voorbeelden van deze dans zijn te vinden in Franz Lehárs operette Die lustige Witwe en Cole Porters musical Can-Can, die de basis vormde voor de film Can-Can uit 1960 met Frank Sinatra en Shirley MacLaine. De cancan komt vaak voor in ballet, onder meer in La Boutique fantasque uit 1919 van de Russische balletdanser en choreograaf Léonide Massine.
Henri de Toulouse-Lautrec heeft de cancan in veel schilderijen in beeld gebracht. Ook veel affiches voor de optredens werden door hem geschilderd. Pablo Picasso, Georges Seurat en Georges Rouault hebben eveneens de cancan in hun schilderijen verwerkt.”

Dat alles belet echter niet dat de Brusselse Muntschouwburg in de jaren tachtig met een superieure opvoering van « Hoffmans vertellingen » van Jacques Offenbach uitpakte in het Koninklijk Circus.
ALS EEN VEEL TE KORTE DROOM
Laten we maar meteen met de deur in huis vallen : dit is een van de boeiendste Munt-voorstellingen die wij (*) tot nu toe hebben bijgewoond. De algemene opvatting en enscenering van Gilbert Deflo, aangepast aan het circus, is daar zeker niet vreemd aan. Het is een voorstelling waarbij je je bijzonder betrokken voelt. Bladzijden vol zouden wij kunnen schrijven over de tientallen geniale vondsten, het prachtige mobiele decor en het vlotte acteren van de personages.
Maar ook muzikaal was dit een uiterst genietbare avond. Het orkest en de koren o.l.v. Sylvain Cambreling klonken adembenemend synchroon, puntgaaf en helder. Een summum van verfijning !
De solisten volgden met gelijke tred José van Dam was zonder meer subliem als Lindorf/Coppélius/Dr Miracle/Dapertutto. Waar wachten de platenfirma’s op om deze perfecte en ongeëvenaarde prestatie voor de eeuwigheid vast te leggen ?
Van de drie geliefden verkozen wij de mechanische pop Olympia van Danièle Chlostawa, meer een lyrische dan een uitgesproken coloratuursopraan, maar met welk een prachtig beheerste voordracht en muziek !
Barbara Madra als Antonia had ofwel te kampen met een verkoudheid, ofwel met een partij die haar te zwaar ligt. Katherine Ciesinski verdient beter dan de ondankbare rol van Giulietta. Zeer knap was echter de Nicklausse van Diana Montague. Stuart Burrows is een tenor met klasse en dit is over de ganse lijn te horen, maar hij mist het jeugdige elan om nog een geloofwaardige Hoffmann te brengen.
Deze tekortkomingen werden echter deskundig opgevangen door het ensemblespel en de totaalindruk van de voorstelling was er een van puur enthousiasme. Deze ruim vier uur durende avond ging voorbij als een veel te korte droom.
OPERA K.T.
Men denkt overigens doorgaans dat Offenbach maar één echte opera geschreven heeft, nl. deze « Hoffmanns Vertellingen ». Maar niets is minder waar! Reeds in 1860 schreef hij voor de Opéra Comique te Parijs de opera « Barkouf ». Het werk was echter een flop en bracht het slechts tot zeven voorstellingen. In 1867 deed hij een nieuwe poging met « Robinson Crusoe ». Het publiek stelde blijkbaar andere eisen aan Offenbach dan mooie melodieuze muziek te schrijven, want ook dit werk liet het na 23 voorstellingen afweten.
In samenwerking met de Opéra Comique van Parijs, bracht de Opéra de Wallonie onlangs een wederopvoering van deze ten onrechte verwaarloosde opera. Het was voor ons geen eerste visie, want enkele weken voor de Luikse première werd de opera reeds in dezelfde enscenering van Robert Dhéry op het Franse TV-net Antenne 2 uitgezonden.
Behalve de titelrol die in beide producties gezongen werd door de lichte en soepele tenor Gerard Garino, was de bezetting van Luik volledig verschillend, maar daarom niet minder bevredigend. Alexise Yerna (Vendredi), Martine Masquelin (Edwige), Thierry Migliorini (Toby) e.a. vertolkten de vele aria’s en ensembles met een onmiskenbare Franse « esprit », terwijl het geheel met « elan » gedirigeerd werd door Robert Bléser.

(*) Willy Maijeur, Opera K.T., De Rode Vaan nr.8 van 1988

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.