Tien jaar geleden verscheen “Langs bergen van werk. Voetreis ver weg in België, over het terrilpad van Bernissart naar Blegny” van Willy Van Poucke (uitgave Globe-Roularta Books).

Willy Van Poucke gaat op verkenningstocht ver weg in België. Hij trekt van west naar oost over de GR 412 – het terrilpad – door de voormalige Waalse steenkoolbekkens. Zijn voettocht brengt hem van Bernissart, waar behalve steenkool de fossiele resten van verschillende iguanodons naar boven werden gehaald, naar Blegny, waar de mijngebouwen er nog bij staan alsof de productie zo kan worden hernomen. Honderden terrils, de getuigenisheuvels van de mijnbouw, liggen op zijn pad. De sombere steenbergen van weleer zijn verbluffende biotopen geworden. Kankerplekken werden groene oases. Hij vertelt het verhaal van zijn boeiende tocht langs vervallen en gerestaureerde bedrijfsgebouwen, langs kastelen en door voormalige mijnwerkerswijken, langs oude en nieuwe kanalen, door dorpen en voorsteden die door hun inwoners afkomstig uit zestig verschillende landen een apart karakter hebben gekregen
Ver weg is waar men nooit is geweest of denkt te zullen komen. Hensies, Saint-Vaast, Trivières, Ans… nooit had de auteur gedacht er ooit een voet te zullen zetten. Zijn voettocht groeit uit tot een verkenningstocht door het verleden van een streek die als een van de eerste in Europa de weg van de moderniteit opging. Een van de regio’s ook die het ergst werden getroffen toen de doodsklokken luidden over de zware industrie. De mijnwerker en de steenkoolbaron komen op deze bladzijden tot leven. De sociale strijd, de mijnrampen, het industriële landschap, de feesten, de migratie worden levendig beschreven. Een wereld uit het recente verleden wordt verkend. Een voor velen onbekende wereld. Een rijk geschakeerde wereld. Onvermijdelijk komt de auteur al wandelend ook zichzelf tegen.
Zo wordt “Langs bergen van werk” een voetreisbeschrijving, een historische en culturele exploratie en een persoonlijk verhaal.
Je vindt uitgebreide promotie voor het boek – en een paar fragmenten – op de Waalse site http://www.terrils.be/index-nl.php. Maar veel meer fragmenten vind je hier, want de auteur was zo vriendelijk een aantal teksten als voorpublicatie op mijn blog te plaatsen. “De grote ontdekking van mijn culturele exploratietocht was Constant Malva, een schrijvende mijnwerker,” schrijft hij. “Miskend tijdens zijn leven (hij publiceerde vooral tijdens de jaren dertig tot vijftig), nu in Frankrijk min of meer herontdekt. Een grote greep uit zijn beklijvend werk werd er vorig jaar heruitgegeven. Hij werd mijn geestelijke gids tijdens mijn tocht.”

Ter inleiding

280 kilometer stappen en fietsen, velen draaien er hun hand niet voor om, maar ik zag het als een hele opgave. Omdat ik ze mezelf had opgelegd, wilde ik niet klagen. Integendeel, ik keek gretig uit naar mijn verkenningstocht van het voormalige mijnbekken langs het sentier des terrils, dat ik als terrilpad wil vertalen en niet als het in het Nederlands correcte ‘steenbergpad’. Dat is nietszeggend. Een steenberg kan vanalles zijn, een terril is een getuigenisheuvel van de mijnbouw en is verknoopt met de Belgische economische, sociale, politieke en culturele geschiedenis. Het woord heeft bijgevolg een hoge signaalwaarde. Een gevoelswaarde ook. Van boven op de terrils kijken eeuwen geschiedenis ons aan.
Ik zou het terrilpad ook niet in een lange tocht, dag na dag aflopen. Stuksgewijs zou ik te werk gaan, mijn tijd nemen, wat ik zou ontdekken uitdiepen met lectuur, afbeeldingen, gesprekken, opzoekingen, bezoeken. Ik zou eerder verkenner zijn dan wandelaar. Een leerzame voetreis moest het worden, ook voor mijn zelfkennis. Mijn tocht had maar zijdelings een sportief en openlucht oogmerk. Ik wou vooral een streek ontdekken waar ik totnogtoe achteloos door was gereisd, onderweg naar elders. Het gebied waar ik zou doortrekken, had in de negentiende en begin van de twintigste eeuw de wereld verbaasd door zijn dynamiek en zijn ondernemingszin. De toorn van zijn arbeidersbevolking had de gezeten burger doen beven, de hervormingsgezinden in hoopvolle verwachting laten ontvlammen. Nu was de aantrekkingskracht uitgedoofd die honderdduizenden uit heel Europa, uit Azië, uit Noord-Afrika had gelokt om vele honderden meters onder deze grond een beter lot te komen verdienen. De pauper, die fiere, gevreesde arbeider was geworden, was opnieuw pauper. Hij had zijn land ingrijpender veranderd dan ooit tevoren was vertoond. Hij had het binnenste buiten gekeerd, fysisch en sociaal.
De Britse auteur John Berger liet in de jaren tachtig van de vorige eeuw Londen achter zich en vestigde zich in de Haute Savoie om er tussen de laatste kleine boeren te gaan wonen. Hij legde hun leven en streven vast in zijn sublieme verhalencyclus ‘Ver weg in Europa’, een monument in woorden, opgericht vóór de allerlaatste traditionele Europese boer de staldeur achter zich dicht zou trekken en zijn boerenwoning het tweede verblijf van een stadsbewoner zou worden. Ook de Belgische industriearbeider behoort tot een verdwijnend slag mensen. Ten gevolge van de combinatie productiviteitstijging en globalisering zal hij binnen afzienbare tijd in ons land in nog nauwelijks grotere aantallen aanwezig zijn dan de landbouwer, toont de econoom Paul De Grauwe aan. Voor het zover is, wil ik de regio leren kennen waarvan hij het karakter ingrijpend naar zijn hand zette. Heel ver zal ik daarvoor reizen. Het meest veraf is immers waar je nooit geweest bent of denkt te zullen komen. Hensies, Marchienne, Saint-Vaast, Trivières, Ans, Tignée… nooit gedacht dat ik er ooit een voet zou zetten. Ver weg in België zal ik gaan. En een kleine gedenkplaat graveren. Voor een verdwenen wereld, voor een in West-Europa verzwonden soort mensen. Ik zal naar hun verleden stappen, waar ik schandelijk weinig over weet. Ook mijn jeugd in een arbeidersgezin ligt ondertussen een heel eind achter me. Dus ook daarheen zal ik wandelen, tussen de huizen en tuinen, over de wegen en paden, over de bergen van volk waar ik me goed bij voel.

Werkvolk

Het Grote Routepad nummer 412, het terrilpad, werd eind 2006 uitgezet door Les Sentiers de Grande Randonnée en voert de wandelaar van Bernissart aan de Franse grens naar Blegny, voorbij Luik. Of andersom. De becijfering is niet willekeurig gekozen. 4 december is de heiligendag van Sint-Barbara, de patroonheilige van de mijnwerkers. Die dag werd eertijds uitbundig gememoreerd, maandenlang legden de kompels een deel van hun loon opzij om alles in één bandeloze keer op te maken. Het bier en de péquet – de jenever – vloeiden in beken. Toen wist men nog wat kermis vieren was. Die ene keer in het jaar toch.
Ik kocht de topogidsen en waagde een proef om na te gaan of de tocht wel de moeite zou lonen. 22 mei 2007 reed ik naar Moignelée, halfweg de route. Het was een zonnige zondag, het dorp lag er – onvermijdelijk – ingedut bij. Nauwelijks een mens op straat, alleen bij de bakstenen kerk hield zich een paar van middelbare leeftijd op. Ze volgden me nieuwsgierig met de ogen, ook al onvermijdelijk in zondagse dorpen. Toch was er geen misviering, las ik op het dienstrooster of hoe de agenda van de celebraties ook moge heten. Indien wel, was de opkomst wel heel mager geweest. Ik nam me voor ook op een zondagochtend een stuk van de route te lopen, om met eigen ogen het kerkvolk op te nemen. In Melle, het dorp waar ik sinds 1975 woon, had ik het door de jaren heen dramatisch achteruit zien boeren. In Naamse en Ardense dorpjes had ik het opvallend talrijk gevonden, maar misschien lag dat aan het geringe aantal op zondagochtend gecelebreerde missen. Het misvolk was er ook zichtbaarder gestratificeerd. Met zichtbaar bedoel ik de archaïsch voorname kleding van de notabelen: vele vrouwen droegen een soort aan ‘Trachten’ verwante overjassen waarvan ik altijd had gedacht dat ze in België niet werden omgehangen. Evenzo de modellen van hoeden die sommige heren bij het verlaten van de kerk op het hoofd zetten. De dorpsnotabelen en het volk waren in die plattelandsdorpen nog onmiskenbaar uit elkaar te houden, in Melle niet langer. Daar moest men op haarsnit of schoeisel afgaan om klasseverschillen te detecteren. Dus vroeg ik me af wat ik in het goddeloze mijngebied te zien zou krijgen. Sociologie in actie is de meest boeiende, maar niet erkende vorm van beoefening van de halfwetenschap waar ik ooit in werd opgeleid.
Ik voelde me onmiddellijk op mijn gemak in dit wat troosteloze gat. De straten leken op de straten uit mijn jeugd, krom, afgezet met kleine huizen, vaak met een moestuin opzij. Op de straathoeken huisde een café of was er ooit één geweest, te oordelen aan de buitensporig grote ramen. De huizenrij werd geregeld onderbroken door stukken braakland begroeid met distels, camille, sint-janskruid en schraal gras, waarboven koolwitjes fladderden. Het was jaren geleden dat ik zoveel onbebouwde en overwoekerde grond had gezien in een dorpscentrum. In Vlaanderen kreeg verwaarloosd terrein geen kans meer, meteen werd er een benzinestation of een appartementsgebouw op neergezet. Hier wel nog, alles moest blijkbaar niet meteen worden volgepropt, er was nog plaats voor fragmentjes wildernis. Op mijn tocht zou ik vele van die voor kinderen paradijslijke plekjes doorkruisen.
Ik hield stil. Tussen de koolwitjes zweefde een grotere, krachtiger vlinder. Het tere geel was afgezet met een zwartgeblokt patroon met een blauwe rand erlangs. Hij had pandjes onderaan zijn vleugels, zoals het een voornaam heerschap betaamde. Vele kinderjaren lang had ik ernaar gespeurd, maar een enkele keer had ik er eentje gezien. Nu waaierde hij voor mij uit, al bij het prille begin van mijn testtocht. De koninginnepage streek neer op een bloem, liet zich bewonderen. Dit was een goed voorteken.
Het pad liep tussen de huizen, langs de met gegoten betonnen platen en gaasdraad afgezette moestuinen – afrasteringen uit mijn jeugd – maakte haakse bochten om huizen, graslandjes of om een aardappelveldje. De 412 maakte veelvuldig gebruik van die paadjes, die het stratenpatroon van en tussen de dorpen aanvulden in tijden dat nog veel te voet werd gegaan. Of gefietst. Bij ons zijn ze grotendeels verdwenen. Kerkwegels, heten ze er, en er bestaat een vereniging om hun behoud veilig te stellen of om, waar dat kan, ze te reconstrueren. Hier leidden ze naar de mijn. En zijn ze bewaard gebleven. Vijftig jaar geleden is de tijd hier trager beginnen te stromen, na anderhalve eeuw van hectische veranderingen die alles overhoop haalden en omkeerden, tot en met het reliëf. Want voor mij zie ik hem liggen, de eerste terril op mijn tocht. De Sainte-Eugénie. Ik zal me op zijn flanken wagen. De allereerste keer dat ik me bewust werd van het bestaan van die gevoelsgeladen steenhopen was tijdens het televisiekijken, vele jaren geleden.
De kinderen zaten op bakblikken. Met een razende vaart stoven ze de helling af. Ze trappelden met hun voeten om af te remmen of om bij te sturen. Brokken steen stuiterden op, rolden buitelend met ze mee. Een dikke stofwolk werd achter ze opgeworpen. Hun voorbijflitsende gezichten stonden ernstig. Ze joelden niet, ze zwegen. Hun spel werd met diepe ernst gespeeld, zoals het hoorde. Gegiechel en geschater signaleerden verveling, een absorberend spel vereiste stilte. Ik was nog jong genoeg om dat met stellige zekerheid te weten. De helling was steil en op plaatsen begroeid. Maar hij was vooral een zwart, schuivend tapijt van losliggende stenen waarover ratelend kon worden geskeelerd op bakblikken en koekendoosdeksels.
Die berg was een terril. De kinderen die gezeten op bakblikken naar beneden denderden waren het kroost van Italiaanse migranten. De streek was de Borinage, in het westen van Henegouwen. Het beeld kwam uit een in 1960 gedraaide semidocumentaire film. Ik zag dat fragment datzelfde jaar op de Vlaamse televisie in Première, een programma dat uitsluitend aandacht besteedde aan de nieuwe films die dezelfde week voor het eerst in de bioscoopzalen werden vertoond. De film heette ‘Déjà s’envole la fleur maigre’, de cineast Paul Meyer, de opdrachtgever was de Belgische staat, de instantie die belette dat hij de zalen haalde eveneens de Belgische staat.
Het fragment duurde hooguit een drietal minuten. Ik was dertien. Nog te jong voor een lange broek en me te oud voelend voor een korte, was ik hevig jaloers op de kinderen die het plezier was vergund om met een rotvaart van een zwarte helling naar beneden te razen. Ik was klein van stuk voor mijn leeftijd wat, naast heel veel verdriet over veronachtzaming, één voordeel had. Ik kon nog naar hartelust spelen zonder me opgelaten te voelen. Ik vertoefde graag in de buitenlucht, maar vond dat ik het in Oost-Vlaanderen, een streek zonder bossen, zonder bergen en zonder zuivere rivieren slecht getroffen had. Dus was ik jaloers op die kleine Italianen die dat allemaal wel leken te hebben.
Die drie minuten waren bijzonder misleidend. Ze toonden een ogenblik van geluk, een korte onderbreking van de verlammende ontsteltenis die de eerste dag van een migrant in het vreemde land het aanschijn van een nachtmerrie geeft.
Ik zag de film van Paul Meyer pas volledig tijdens de winter van 2006 in Brussel, in een tot filmzaal omgebouwd fabrieksgebouw met een combattief verleden. Niets was onverlet gelaten om het zoveel mogelijk op een industriële ruïne te laten lijken. Verval was de huisstijl. Het publiek bestond voornamelijk uit Franstalige, vergrijsde soixante-huitards en hier en daar een verdwaalde jongere, die de hoogbejaarde filmregisseur – hij was op de vertoning aanwezig – met veel eerbied bejegenden.
Ongelooflijk veel had Meyer in zijn film gekregen. Hij gaat over de eerste dag in het nieuwe land van een migrantengezin en de laatste dag van een oudere gastarbeider, die naar huis terugkeert. Een dag uit een handvol levens. Toch zit alle verwarring erin die samengaat met de confrontatie met het onbekende: de angst voor de eerste schooldag, de eerste werkdag, de onverstaanbare taal, de verbijstering bij de aanblik van de pikzwarte, doorweekte mijnwerkers, gehurkt in de kooi die hen naar boven brengt, de zorg voor de bella figura van de jonge Italiaan, het feest in de coron waar gedanst wordt zoals thuis in Polen, in Griekenland, in Turkije, in Italië. En ook de terril. De mysterieuze terril waar de kinderen op rondzwerven, naar omlaag denderen. De terril die door de oude mijnwerker, vergezeld door de jonge nieuwkomer, wordt beklommen. Boven aangekomen kunnen ze uitkijken over de streek, de een om haar nog eens in zich op te nemen, de andere om haar te leren kennen. ‘Borinage,’ zegt de oude Italiaan. ‘Chômage,’ vervolgt hij. Het is 1960. Het ergste moest nog komen.
De flank is steil en dicht begroeid. De stenen liggen los, het klimmen op dit willekeurig stuk valt niet mee. Zodra ik de door bos omgeven voet van de terril bereikte, heb ik meteen de klim aangevat. Ongeduld loont zelden, de Sainte-Eugénie laat zich langs deze kant niet benaderen. Ik geef het op wanneer ik vergezeld van kletterende brokstukken een paar meter naar beneden schuif. Van achter de autoraampjes of vanuit de trein hadden terrils me bergen toegeleken. Nu kan ik er niet naast kijken, het zijn inderdaad steenhopen. Hoe onbeweeglijk ze er ook uitzien, ze zijn geen solide massa. De meeste brokstukken op deze flank zijn groot. Ik raap er een op. Leisteen, gelaagd, zoals ik hem in de Ardennen heb leren kennen, hij kan zonder moeite in schilfers worden gekliefd. Pas nu daagt het me in alle duidelijkheid dat de mijngangen in harde rots werden gehouwen. Hoe vanzelfsprekend ook, toch was dit besef niet echt tot me doorgedrongen, bewoner als ik was van sedimentgrond, van rulle aarde, zand en modder. Ik krijg nog meer ontzag voor deze door mensen tot stand gebrachte bergen. Ik zal het terrilpad volgen, van Bernissart naar Blegny.

Mijnwerkers

De vele terrils rondom mij zijn mensenwerk, van mannen en in langer vervlogen tijden ook van vrouwen en kinderen. Het soort mensen dat ze tot stand bracht, bestaat nauwelijks nog in West-Europa. Tijdens de tweede helft van de vorige eeuw werden de steenkolenmijnen één voor één gesloten. Dit moet ook letterlijk worden genomen. Op mijn tocht passeer ik de betonnen deksels waarmee de putten werden dichtgemaakt. Op de sluitstenen staan het sluitingsjaar, het nummer en de diepte van de put aangegeven. De getallen staan even scherp in de zielen van de mensen gegrift.
De arbeid in de mijn was te zwaar voor woorden. De last van het werk en de gevaarvolle omstandigheden waaronder het werd verricht, tekenden de mensen in goede en in kwade zin. Hun harde lot sprak tot de verbeelding. Wie was die mijnwerker? Hij was een arbeider, maar geen doodgewone werkman. Een levende met verlof, werd hij genoemd, die meer dan duizend meter onder de doden aan het werk ging. Op plekken waar, tot hij er kwam, nooit een sprankel licht was doorgedrongen.
Meer dan mensen in andere bescheiden beroepen kreeg hij gestalte in de literatuur, de schilder- en beeldhouwkunst en de documentaire film van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw. Emile Zola daalde als eerste schrijver af in zijn milieu in de pakkende roman “Germinal”. De Britse romanschrijver George Orwell groef zich wekenlang in het industriële noorden van Engeland in en bracht in 1937 verslag uit van zijn bevindingen in zijn “The Road to Wigan Pier”. De Duits-Tsjechische schrijver en sterreporter Egon Erwin Kisch zakte tijdens de jaren dertig van de vorige eeuw af naar de Borinage voor een lang artikel over de mijnstreek, het viervoudig klassieke land zoals hij het noemde. Joris Ivens en Henri Storck namen de mijnwerkersstaking van 1932, eveneens in de Borinage, tot onderwerp van hun propagandistische film “Misère au Borinage” die, ontdaan van zijn communistische retoriek, een verpletterend document bleef. Constantin Meunier borstelde en goot het beeld van de mijnwerker in het collectieve geheugen van de Belgen. Maar de trefzekerste beschrijving van het mijnwerkersleven gaf een bouveleur, een schachtenhouwer, tijdens de jaren dertig van de vorige eeuw.
Op 9 oktober 1938 noteert Constant Malva: ‘Het is vandaag op de kop af vierendertig jaar geleden dat ik in een arbeidershuisje van een coron in de Borinage uit de buik van mijn moeder kwam. En daarom ben ik van de leeftijd van zestien jaar af in de buik van mijn andere moeder: de aarde.’
Tot grofweg de jaren zestig van de vorige eeuw stond het lot van iemand die in een arbeidershuisje werd geboren onveranderlijk vast. Dus werd Malva wat zijn vader, zijn grootvader en zijn ooms waren geweest: mijnwerker. Maar hij volbracht het onmogelijke, hij ontkwam aan zijn lotsbestemming. Gedeeltelijk toch, want de mijnwerker die op zijn zestiende voor het eerst afdaalde in de put heette niet Constant Malva. Hij heette Alphonse Bourlard, een naam die hem evenals zijn beroep was opgelegd. Malva was zijn schrijversnaam, die koos hij zelf en zijn keuze bevat een programma en een zelfportret.
‘Malva’ (va mal) betekent letterlijk ‘’t gaat slecht’. Constant Malva, dus niet ‘slecht’ voor even, maar voor altijd. ‘Liever dan mijn zonen in de put te zien afdalen, hak ik ze hun beide armen af, bij de schouders,’ hoort Malva zijn werkmakkers vaak verzuchten. Niettemin stappen ze op een dag vergezeld van hun zoon in de liftkooi die hen onder de grond zal brengen, naar de duisternis van de eeuwige nacht, de hitte, de stank, de vochtigheid, het mijngas, het stof. Er is geen ontkomen aan.
En toch.
‘Altijd op stap. Je bent een mijnwerker uit een operette,’ zegt de Russisch-Belgische auteur Victor Serge hem op een dag, wanneer Malva in Parijs zijn schrijversvrienden opzoekt. Hoewel hij de doem op zich voelt wegen en beseft dat hij nooit aan zijn lot zal ontsnappen, weet Malva maar al te goed dat hij de dans voor een stuk is ontsprongen. Hij leidt een dubbel leven. Hij beleeft een soort vreugde en voldoening die zijn werkmakkers niet kennen. ‘Door mijn pen kan ik mijn hart luchten, me tot een menigte bekende en onbekende vrienden richten. De andere mijnwerkers kunnen hun zorgen nooit aan de kant zetten.’
Het onderwerp van zijn pen is het werk in de mijn en het leven van de mijnwerkers. Hij beschrijft het zonder franje en laat aldus een document van onschatbare waarde na. Arbeiders hebben geen geschiedenis, want laten in geschriften nauwelijks sporen achter die de generaties na hen in staat stellen hun leven, zoals zij dat subjectief beleefden, te reconstrueren. Constant Malva doet dat wel en vult de lacune op in een sobere, krachtige taal. Zijn getuigenis is tegelijk ook literatuur van de bovenste plank, vooral in “Ma nuit au jour le jour”, waarin hij in dagboekvorm een jaar uit zijn mijnwerkersleven beschrijft. In die dagboeken geeft hij niet toe aan de neiging te literair Frans te schrijven en uit onzekerheid uit een verkeerd taalregister te putten, zoals hij in zijn romans al eens pleegt te doen. Om te bewijzen dat hij het geschreven Frans perfect beheerst, verzuimt hij daar zijn mijnwerkers levend Frans (of Waals) te doen spreken en legt hen werkwoordsvormen in de mond die ze in de dagelijkse omgang niet gebruiken. Een vergeeflijke wanklank, vergelijkbaar met de gewoonte van Vlaamse auteurs uit de jaren vijftig en zestig die hun volkse personages het ‘je’ en ‘jou’ van het A(lgemeen) B(eschaafd) N(ederlands) lieten bezigen. Maar ook begrijpelijke fouten worden aangerekend. Schrijvers afkomstig uit de periferie van een taalgebied zijn ertoe gedoemd de onmogelijke worsteling aan te gaan met correct taalgebruik en authenticiteit.
Bij de lectuur van “Ma nuit au jour le jour” trof het me hoe verrassend gelijklopend volkse uitdrukkingen van het Frans uit de Borinage van de jaren dertig van de vorige eeuw met zegswijzen van de Vlaamse volkstaal waren. Vóór het Frans uit Frankrijk en het Nederlands uit Nederland de in België gesproken talen gingen overheersen, bestond dus blijkbaar zoiets als een gemeenschappelijk taalgebruik. Op kleine schaal natuurlijk, maar niettemin. Iets wat Belgisch moet worden genoemd, hetzelfde, maar in de andere volkstaal. ‘Un brave homme’, karakteriseert Malva iemand waarderend, ‘courageux’. Ik hoor het mijn moeder zeggen: ‘Nen braven mens. En courageus.’ ‘Je n’ai goût à rien,’ schrijft hij en ik lees: ‘Ik heb in niets goesting’. Liefdesverklaringen zijn in de beide idiomen even bescheiden: ‘Je te vois volontiers’, ‘ik zie u graag (geiren)’. In ‘Je ne vaux plus une chique de tabac’ herken ik met veel genoegen het lang vergeten ‘ik ben geen sjiek toebak waard.’ Malva gaat ‘boire des pintes’, pinten drinken. Tijdens mijn militaire diensttijd in de jaren zeventig, die ik uitzat in een tweetalige eenheid, dronken de Franstalige miliciens al ‘chopes’, wij pinten, zoals hun vaders. Wel namen we elkaars vloeken nog in de mond. Zij ‘godverdomme’, wij ‘milledju’. Het Angelsaksisch taalimperialisme had de Belgische krachttermen nog niet vervangen door het slappe shit, maar lang zou dat niet meer uitblijven. Hoe dan ook, de wederzijdse beïnvloeding van de in België gesproken volkstalen is stilgevallen, misschien op Brussel na, waar het contact tussen de gemeenschappen nog niet heeft opgehouden te bestaan.
Arbeid is zowat even moeilijk te beschrijven als seks. Een woord, zelfs gewoon een klemtoon te veel of te weinig en het wordt onecht. Uit bed klappen zonder ranzig of snoeverig te worden, het over het werk hebben zonder dat de lezer of toehoorder gaat glarieogen van verveling, het valt niet mee. Malva kan het. Hij slaagt erin het gezwoeg in de mijn tastbaar te maken. Bladzijden lang beschrijft hij de moeizame zoektocht naar de steenkoolader die tengevolge van een geologische breuk is verschoven. Ook voor de mijningenieur is het een gok of ze hem door graafwerk naar omhoog of naar beneden opnieuw zullen aantreffen. Voor de arbeiders maakt de keuze niet uit, ze komt onvermijdelijk neer op labeur. Malva en zijn ploeg hakken en boren gehurkt, zittend op hun knieën, liggend, kruipend.
Toen George Orwell bij de research voor zijn boek “The Road to Wigan Pier” voor het eerst in een steenkolenmijn afdaalde, stelde hij verbluft vast dat de mijnwerkers hun uitputtende arbeid vaak liggend op hun buik moesten verrichten. Zoals ieder denkend mens die in staat is zich een voorstelling van iets te maken, had hij nooit getwijfeld aan de zwaarte van het werk in de mijn. Voortaan wist hij dat het onmenselijk was.
In het gat dat Malva en zijn makkers hebben gehouwen, verzamelt zich mijngas. Ze verdrijven het met de luchtslang, beuken een paar minuten tegen de wand, tot ze nauwelijks nog adem krijgen, het ijl wordt in hun hoofd. Een makker lost af, terwijl ze bij hun positieven komen, zich klaar maken voor een nieuwe kortstondige duik in het gas. Dag aan dag gaat dit door, tot de mijningenieur beslist dat dit niets wordt en er in de hoogte wordt gehouwen in plaats van naar omlaag, zodat alles opnieuw kan beginnen. Want daar komt lichamelijk werk op neer: altijd maar opnieuw beginnen.
Uit het volbrengen van onmogelijke opdrachten halen de arbeiders een vreemd soort eergevoel. Malva vertelt in een boeiende episode van “Un mineur vous parle” het gevecht van drie schachtenbouwers tegen een rotslaag waar geen doorkomen aan is. Aan twee kanten wordt ze aangevallen, dag aan dag. Tussen de twee ploegen ontstaat een competitie over wie de opening zal maken. De houwers worden per strekkende meter betaald, veel zullen ze hier niet opstrijken, dit wordt een erezaak. Boorkop na boorkop gaat eraan. De ploeg aan de andere kant laat als eerste een dynamietlading ontploffen. Daarop is het de beurt aan gene kant. De Italiaanse helper van de schietmeester is de leem voor de vulling van de springstof vergeten. Geen nood, de schachtenbouwer is vindingrijk. Hij graait aarde samen, pist erop en laat zijn mannen dat ook doen, kneedt een stevig deeg waar het dynamiet in kan. Ze slagen erin een gat van vijftig centimeter uit de rots weg te blazen. Als het stof is neergedwarreld zien ze twee stralende gezichten aan de andere kant van het gat, helwitte ogen en tanden die oplichten in de met vuil en modder aangekoekte gezichten. De mannen omhelzen elkaar. Morgen trakteer ik op een pint, belooft de opzichter. “Dat is het enige extraatje dat ze na dat titanengevecht tegen de rots hebben verdiend,” besluit Malva wat bitter.
Op vele bladzijden slaagt Malva erin de verschrikking op te roepen van de donkere, stoffige, stinkende, lawaaierige wereld waarin hij zijn dagtaak verricht. Een paar keer staat hij er in “Ma nuit au jour le jour” en in zijn andere boeken bij stil waarom hij dit volhoudt. Hij en zijn makkers weten dat ze hun gezondheid ruïneren, dat hoort bij dit werk, een mijnwerker wordt niet oud en zijn dood is verschrikkelijk. Hij stikt met jaren vertraging, maar veel te vroeg, van het stof in zijn longen. Maar het verdient goed, meer kan een ongeschoold arbeider niet beuren. Al houdt de volkswijsheid in de Borinage het wijselijk op ‘men verdient minder lang een hoog loon dan een laag,’ dan nog.
Toch denkt Malva dat er maar één op honderd mijnwerkers van zijn werk houdt. Net zomin als een bajesklant van de nor houdt en de verdoemde van de hel. In zijn boek “Borins” zegt hij het zo: ‘We houden van ons werk zoals we van ons vaderland houden.’ Hij stelt in een kritiek vast dat de recensent het tegenovergestelde leest van wat er staat. Hij doelde helemaal niet op enige vorm van heldhaftigheid, hij had het over fataliteit.

In de ban van de terril: Olivier Rubbers

Maar terug naar de terrils. Pas in de twintigste eeuw bereikten die hoogten van zestig tot negentig meter. Hoger werd niet gestapeld, om grondverschuivingen te vermijden. Want de mijnwerkershuisjes stonden soms letterlijk aan de rand van de immer groeiende kolossen. Uit de verte zien de grotere exemplaren er kegelvormig uit. Als je ze beklimt, merk je dat ze zijn ingekerfd door sleuven die door de erosie tot stand zijn gekomen en door uitdieping van de ribbels die bij het storten werden gevormd. Een terril loop je maar zelden vlotjes op en af, het is klimmen en klauteren. De terrils die uit de achttiende en negentiende eeuw dateren, zijn zo’n tien- tot vijftiental meter hoog en zijn vaak, zoals ik al merkte bij het begin van mijn tocht, langgerekte wallen van steengruis die ondertussen volledig zijn begroeid en opgegaan in het landschap. De wagons met de steenbrokken en het gruis werden door paarden de berg op gesleurd. De mijnwerkersdochters en -zonen zouden heden ten dage nog makkelijker ongezien ontucht kunnen bedrijven onder de overdadige begroeiïng dan ten tijde van Emile Zola. Want de terril was een geprefereerd plekje voor de liefde, schrijft hij. En trouwens ook dat ze er zich niet veel aan gelegen lieten liggen gespied te worden. Wat ze deden lag immers in de natuur van de dingen.
De steenbergjes uit de twaalfde – toen al werd steenkool opgedolven – tot de zeventiende eeuw zijn een paar meter hoog en liggen her en der verspreid over de velden en weiden.
Een terril is een gortdroge berg met natte voeten. Het regen- en dooiwater spoelt zo door de los op elkaar gestorte steenbrokken. Alleen de kleine ravijnen, waar gronddeeltjes naartoe werden gespoeld zodat een bedding met wat sediment is ontstaan, liggen er vochtiger bij. Ook in de bezinkbekkens is het water blijven staan. Onderaan komt alles samen, welt het water uit de grond en is het drassig.
Terrils werden vaak geschilderd. Niet de met bomen en struiken overdekte heuvels – dat is voor een kunstenaar die met een oog voor het uitzonderlijke begiftigd is een berg als een andere – maar de naakte, duistere, dreigende steenhoop. Zo rijst hij keer op keer op in het werk van Maximilien Luce (1858-1941), de Parijse kunstenaar die zich thuis voelde in de Borinage. Somber en intrigerend. Onmenselijk ook.

Niet langer

De natuur staat voor niets, ook het meest onvruchtbare terrein wordt door haar heroverd. En wat is onherbergzamer dan een hoop schist en leisteen met een restant steenkool ertussen? Losse steen ook, die nauwelijks kan worden beworteld. Toch komt de begroeiing er, en nog geen klein beetje ook. Al na een paar maanden nadat het storten is opgehouden, arriveren de eerste pioniersplanten, flora die het heeft gemunt op ruw terrein, uit zaden aangevoerd door de wind of uitgescheten door vogels. Klein hoefblad, waarvan de wortels tot anderhalve meter diep tussen de rotsblokken tasten, Spaanse zuring, reseda en nog wat andere taaie rakkers brengen het eerste kleur aan op de donkergrijze onderlaag. Ze vormen de eerste humus en maken het terrein geschikt voor nieuwe soorten zoals de wilde peen, de witte honingklaver, het slangenkruid en het Sint-Janskruid. Later waaien er struiken aan – de hondsroos, de meidoorn en de sleedoorn en schieten er bomen wortel: es, haagbeuk, beuk, eik en vooral berk. Opvallend is het grote aantal berken met een gevorkte stam. Zo’n stam ontstond doordat een zijtak het overnam en een nieuwe stam werd, nadat de oorspronkelijk stam was scheefgezakt in de losliggende bodem. De bosvorming heeft alleen plaats op de niet door de zon uitgedroogde noordkant en in de ravijnen. De boomgroei kwam er zowel spontaan als door aanplanting. De mijn had continu behoefte aan hout om de gangen te stutten, zodat sommige terrils al vroeg door de mijnbedrijven werden bebost.
De zondoorstoofde zuidelijke helling ligt er kaler bij. Hier groeien alleen taaie rakkers die zonder veel water kunnen. De zwarte bodem en de hellingsgraad werken de opwarming door de zon in de hand, zodat daar voor onze streken bijzonder zeldzame mediterrane plantensoorten zijn gaan postvatten, alsof ze er wilden voor zorgen dat de vele zuiderse migranten die in de mijn kwamen werken zich daar thuis zouden voelen. Dat alles maakt van een terril een boeiende biotoop, die trouwens van insecticiden en herbiciden, van fosfaten, roze korrels en varkensgier gevrijwaard bleef. Hoe paradoxaal het ook klinkt, deze onnatuurlijke heuvels zijn nu de enige onbespoten, chemisch onvervuilde plekken op het Belgische grondgebied!
Een terril is niet alleen door het aanzuigen van de zonnestralen een warme berg. Sommige exemplaren worden zonder verpinken‘vulkanen’ genoemd. Niet omdat ze de kegelvorm gemeen hebben, er is meer aan de hand. Ze braken weliswaar geen lava uit, maar roken en stomen bij vochtig weer. Circa vijftien procent van de terril is immers steenkool, die spontaan kan gaan ontbranden. Hoe dat precies in zijn werk gaat is nog grotendeels onbekend. Onderin kunnen de temperaturen oplopen tot zeshonderd en zelfs tot tweeduizend graden celcius, een paar centimeter onder de oppervlakte worden temperaturen van 45 tot honderd graden celcius gemeten. Als daar regen op valt, gaat het dampen. Ook komen door de verbranding op bepaalde plaatsen waterstofsulfide en koolstofmonoxyde vrij, in die mate zelfs dat het niet risicoloos is daar te lang te verwijlen. Over grote delen van de voormalige steenkoolstreek kan de geur van een slecht afgestelde kolenkachel hangen. Dat verschijnsel is lang niet zeldzaam: zo’n acht op de tien terrils branden of hebben gebrand. Het vage schijnsel dat broeiende terrils afgeven hebben volgens de schrijver Malva de kleur van een nachtmerrie. Sommige terrils herbergen nog verrassingen. Door het vuur in zijn binnenste wordt het doorsijpelende water verhit en wellen soms warmwaterbronnen onderaan de berg op.

Borinage 4

‘Monsville’ staat nog leesbaar in de ooit witte letters tegen een verschoten blauwe achtergrond, de kleurencombinatie die nog altijd in gebruik is bij de Belgische spoorwegen. De naam is geschilderd op het voormalige, kleine stationsgebouw en op een in onbruik geraakte betonnen watertoren. Sporen – wat achterblijft als iets voorgoed voorbij is – blijven hier lang zichtbaar. Aangetast, verweerd, gehavend. Oud geworden zonder cosmetica. Aan beide zijden van de vroegere spoorlijn, nu Ravelpad, strekt zich de desolate arbeidersbuurt uit, een wirwar van vervallen negentiende-eeuwse huisjes en recente nieuw- en vernieuwbouw. Monsville was een bloedrood nest. Tijdens een staking in 1924 sloten de arbeiders met barricades hun wijk af voor de rijkswacht die met de blanke sabel chargeerde. Naar verluidt daverden de dunne muren van de huizen van de luid gezongen Internationale. Monsville werd vanaf dan ‘klein Moskou’ genoemd. De wijk maakt deel uit van Quaregnon, waar in 1894 de stichtingsakte van de Belgische Werkliedenpartij (de socialistische partij) werd ondertekend, een veel radicaler document dan de feitelijke koers die de partij vanaf het begin zou varen. Vandaag is een op vijf inwoners van het dorp werkloos, van de jongeren dubbel zoveel. De grote broederschap kwam er nooit. De welvaart wel, maar niet hier.
Achter de daken rijzen de drie Titans du Levant op, reusachtige terrils uit de tijd toen er nog hoop bestond. De bloeiende sleedoorn en wilde kerselaren vlammen op tussen het jonge groen op hun flanken. De Titanen lijken het miezerige stadje omhoog te willen tillen en slagen daar ook wel in. Vooral tijdens de lente wordt het begrijpelijk waarom de bevolking haar terrils in het hart draagt. In Dour ging de mijnwerkerszoon Fabrizzio di Antonio samen met een vriend in hongerstaking toen in 1988 bekend werd dat het magische speelterrein van hun kinderjaren, de Saint-Antoine, zou worden afgegraven voor de recuperatie van de schist. De mannen hielden het vasten twaalf dagen vol. Hun actie had tot gevolg dat slechts een gedeelte van de terril zou worden ontgonnen. Het uitgestrekte podium van hun jeugd bleef overeind. De Saint-Antoine bekroont vandaag nog altijd Dour en omstreken en werd de vertrouwde achtergrond van het jaarlijkse muziekfestival aan zijn voet, dat tienduizenden jongeren naar het voormalige mijnterrein van de Grande Machine à Feu lokt. De helling waarvan Fabrizzio en zijn maats, in elkaar gedoken op de motorkap van een Volkswagenkever, naar beneden denderden, bleef behouden. De hongerstakers kregen tijdens hun actie bezoek van honderden sympathisanten die hen een hart onder de riem kwamen steken. Onder hen een oud vrouwtje uit de buurt. Ze kwam alle dagen, verzekerde hen hoe belangrijk het was wat ze deden. Om dan afscheid te nemen met de woorden: ‘Ik stap maar op, mijn soep staat op het vuur.’ De moordende blikken van de hongerstakers ontgingen haar.
Ik besluit een kijkje te nemen in Quaregnon en beland in de Zuidwijk. De neoromaanse kerk met dubbele toren is flink uit de kluiten gewassen en valt wel erg royaal uit voor die amper ene misviering op zondag om half tien. Het kerkplein wordt overschaduwd door een dubbele rij statige bomen. Ze staan nog niet in blad, ik herken ze niet aan hun stammen. Ik gok op lindes. Hoe heerlijk zal het hier dan niet geuren tijdens de vroege zomer. Achter de kerk is een grote cementen Mariagrot gebouwd. Ze wordt omgeven door kapellen met scènes uit het leven van de Maagd en van Jezus. De levensgrote beeldengroepen zijn in suikergoedkleuren geschilderd en hebben een kitschgehalte dat je niet voor mogelijk houdt, mocht je er niet op staan te kijken. De moeder Gods wordt omringd door een gewemel van gevleugelde kinderkopjes die bij voorkeur rond haar voeten wriemelen. Ze werpt zulke zoete blikken op de bedevaarder dat diens suikerspiegel het alarmpeil overschrijdt. Verrassend veel kaarsen flakkeren op de offerplek. Het geloof mag dan in deze streek niet hoog aangeschreven staan, het bijgeloof wel. Het katholicisme is een godsdienst die bol staat van sentimentaliteit en van weeheid, maar deze plek slaat alles. Maar zoals dat hier zo vaak gebeurt, wordt de verregaande lelijkheid door een dialectische omslag omgezet in iets dat treffend, zelfs mooi kan worden genoemd. De surrealiteit van dit pleintje met zijn bultige grot en mierzoete kapellen is af, hier moet niets aan worden toegevoegd of van weggenomen. Een land dat over dit soort onvermoede plekken beschikt, moet behalve een beetje gaga, ook rijk worden genoemd. Vanzelfsprekend kan de Mariaganger prentkaarten van de grot en van de beeldengroepen kopen.
De Heribus torent boven Cuesmes. Samen met de Titans is hij een van de koningen van de Borinage. Het uitzicht vanaf zijn rode top mag er wezen. Vooral Mons, waar het pad met een brede boog omheentrekt en dat je voortdurend in de verte ziet liggen, oogt uitnodigend vanaf zijn verhevenheid. Het belfort en de torenloze Sint-Waltrudiskerk wenken. We zullen het terrilpad verlaten om ze te bezoeken. De Heribus is een ‘vulkaan’, zijn zuidflank rookt bij vochtig weer. Als je er een putje in graaft van een halve meter diep kun je een eitje koken, de temperatuur loopt dan al snel op tot honderd graden.
Op het dorpsplein van Cuesmes staat een metershoge mijnlamp. Ze werd in 1950 door drie arbeiders vervaardigd in het atelier van de mijn du Nord du Rieu du Coeur in Quaregnon. Vele mijnen waren vrijwel autarkisch, stonden zelf in voor de productie van benodigd materiaal en beschikten over goed uitgeruste ateliers en bedreven arbeiders. Je kunt ze op een plaats nog gaan bekijken. In het ecomuseum van le Bois-du-Luc in het Centrum staan het houtbewerkingsatelier, de machineconstructieruimte en de smidse er nog bij alsof zij gisteren werden verlaten. De arbeiders zijn wel vervangen door levensechte gipsen figuren, witte schimmen van eens warmbloedige mensen. Toen de Nord du Rieu du Coeur dichtging, werd de lamp in 1958 opgesteld op de binnenplaats van de Heribus, de laatste mijn die in bedrijf bleef in de Borinage. Toen hier het licht in 1968 uitging, schonk de mijndirectie van de Heribus haar reuzenlamp aan de gemeente.
Egon Erwin Kisch schrijft in zijn reportage over de Borinage dat door instortingen van de doorwoelde ondergrond volledige dorpen in de aarde wegzakten. Dat was een van die journalistieke overdrijvingen waar de vliegende reporter Kisch een patent op had. Niettemin, het plein waar de lamp staat is in honderd jaar tijd niet minder dan zeven en een halve meter verzakt. Dat behoorlijk wat huizen aanzienlijke schade leden, ligt voor de hand.
Het ontlopen van het risico op mijnschade – en de ermee gepaard gaande schadevergoedingen – leidde tot soms opmerkelijke conflicten. De steenkoolmagnaat Arthur Warocqué, eigenaar van een somptueus kasteel in zijn uitgestrekte park van Mariemont, vond het niet raadzaam te laten delven op minder dan honderd meter van zijn woonstede. Dit betekende dat naar schatting 450.000 ton steenkool onontgonnen zouden blijven. Dat was niet naar de zin van een paar aandeelhouders van de mijn, die de directeur (en een van de grootste aandeelhouders) het vuur aan de schenen legden. Is de vrees voor mijnschade of erger, de angst om het zwarte goud onberoerd te moeten laten liggen, de reden waarom zo weinig mijneigenaars in de streek woonden? De Warocqués, heer en meester over Morlanwelz en wijde omgeving, waren inderdaad een uitzondering.
Voorbij Mesnil duikt het terrilpad een andere wereld binnen. Een landbouwstreek, aan de grote vierkantshoeves – soms met versterkte hoektorens – en fraaie huizen te merken een welvarende. Spiennes was ook een mijnplaatsje, maar dan een neolithisch, waar een paar millennia voor onze tijdrekening naar silex werd gegraven. Op het dorpsplein van het naburige Saint-Symphorien staat een reusachtige slijpsteen. Volgens de archeologen zou de prehistorische mens zijn silex werktuigen op dit forse steenblok hebben gescherpt. Ik besluit ze maar te geloven, weten zullen we het nooit, maar ik blijf het een onhandig ding vinden. Het blok moet tonnen wegen.
Op het oorlogskerkhof van Saint-Symphorien liggen 227 Britten, 2 Canadezen en 284 Duitsers begraven. Het merendeel sneuvelde tijdens de slag om Mons op 23 augustus 1914 en de dagen erna. De doden liggen niet broederlijk naast elkaar. Britten en Duitsers rusten in gescheiden perken, op een uitzondering na. Gefreiter Reinhold Dietrich ligt in het midden van een rij Engelsen, die allen tijdens de laatste oorlogsmaanden van 1918 omkwamen. Zijn grafsteen in de gebroken witte kalkzandsteen waaruit alle Britse zerken zijn gehouwen is echter hoekig, niet lichtjes afgerond zoals die van alle Britten en leden van het Gemenebest. De landgenoten van Reinhold rusten zij aan zij onder arduinen grafstenen. De grote arduinen stèle op het hoogste punt van de beboste heuvel waarop het kerkhof is ingericht werd door de Duitsers al tijdens de oorlog geplaatst. De tekst herdenkt zonder onderscheid de gesneuvelden van beide kampen. Groot is het contrast met wat een Engelse fronttoerist in het Visitors Book schreef: ‘Well done, lads’. Ondanks de waanzin van de onafzienbare begraafplaatsen die ze al hebben aangedaan, zijn fronttoeristen zelden pacifisten.
Ik heb de Levant van Mons achter me gelaten en ben doorgedrongen in de Couchant van Mons, schitterende benamingen om de streek van Mons aan de hand van de ondergaande en opkomende zon te beschrijven. Ik heb met andere woorden de onduidelijke grens van Le Centre overschreden, de recentere benaming voor de Couchant. Maar eerst richten mijn schreden zich naar Mons zelf, de hoofdstad van Henegouwen. In niets doet ze aan haar industriële hinterland denken. Ik ga er de meesterwerken bekijken van de beeldhouwer Jacques Du Broeucq.

Willy Van Poucke

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.