Toni Morrison werd op 18 februari 1931 geboren te Lorain (Ohio)als Chloe Anthony Wofford. Haar pseudoniem leidde zij af van haar tweede echte voornaam en Harold Morrison was haar echtgenoot van wie zij evenwel is gescheiden. In 1993 ontving zij de Nobelprijs voor literatuur omwille van haar visionair, poëtisch beeld van een essentieel aspect van de Amerikaanse realiteit. In 1988 had zij reeds de Pulitzer Prize gekregen voor haar roman ‘Beloved’. En in 2012 werd haar de hoogste civiele onderscheiding van de US toegekend, de Presidential Medal of Freedom.

Morrison schreef talloze romans, kinderboeken (samen met haar zoon Slade), toneelstukken, historische werken.
Zij kwam steeds op voor de minderheden, in haar boeken en in haar leven. De zwarte gemeenschap, de mensen aan de zelfkant… Zelf was zij opgegroeid in een sfeer van rassenhaat en werden zij en haar ouders rechtstreeks geconfronteerd met de problemen die de Afro-Amerikanen ondervonden. Toen Obama president werd noteerde zij dat zij zich pas dan vaderlandslievend voelde en als een kind… Hij was het trouwens die haar voorstelde voor de Medal of Freedom.
Zij gaf ook les aan diverse universiteiten, o.m. in Houston en New York. De universiteit van Oxford kende haar een eredoctoraat toe.
Morrison hield op met schrijven toen één van haar twee kinderen, Slade, stierf. “Please, Mom, I’m dead, could you keep going…” deze woorden dacht zij hem wel postuum toe.
SONG OF SOLOMON
De belangrijkste van haar romans zijn ‘Jazz’, ‘Song of Solomon’, ‘Beloved’ en ‘Love’. ‘Song of Solomon’ (‘Het lied van Solomon’/’De hemelvaart van Solomon’, 1977) is een roman met een op het eerste gezicht chaotische inhoud. Van de hak op de tak, en een complex verhaal. Maar dankzij het meesterschap en de vertelkunst van Morrison raakt de lezer toch nooit de draad kwijt. Integendeel, alles blijft mooi in elkaar passen – en alles verwijst uiteindelijk naar alles. Zo start het verhaal (dat speelt tussen ongeveer 1930 en 1960) met de poging van een verzekeringsagent om vanop een dak, met aangeplakte vleugels, te vliegen. Hij stort neer; de moeder van de hoofdpersoon uit het boek, Macon Dead jr., bevalt ter plekke door de shock bij het zien in aanwezigheid van haar twee dochtertjes Lena en Korinthiërs. De jonge Macon zal later door het leven gaan – en nog alleen zo genoemd worden – als Milkman; een naam die hij dankt aan het feit dat zijn moeder hem jarenlang één keer per dag op schoot nam om hem te zogen. Een feit dat ontdekt werd door de bediende, de factotum van zijn vader, Freddie, die hem met deze spotnaam bedacht waarvan het ganse stadje in het middenwesten van de US (Michigan) de oorsprong zou kennen behalve Milkman zelf noch zijn familie. De vader van Milkman, eveneens Macon Dead genaamd, is een rijke huisjesmelker. Hij huwde Ruth Foster, dochter van gerenommeerd en bemiddeld arts wat hem in staat stelde zijn imperium op te bouwen. Er wordt hem verweten dat hij de dood van de dokter op zijn geweten heeft, en dat hij aandrong op abortus bij Milkman. Hoe dan ook, voor hem telt alleen bezit en geld en aanzien als één der belangrijkste zwarten in de stad.
Behalve dit gezin woont in het stadje een tweede gezin dat een essentiële rol speelt. Pilatus, zus van Macon Dead sr., haar dochter Reba en kleindochter Hagar. Geen der vrouwen is gehuwd. We moeten voor de logica teruggrijpen naar de jeugd van Pilatus en Macon. Ze woonden als kleine kinderen op een vrije grote boerderij met hun vader. Deze werd voor hun ogen doodgeschoten door blanken die zijn bezitting wilden inpalmen. Een vrouw hielp de kleintjes onderduiken gedurende korte tijd. Daarna trokken ze de wereld in maar eerst gebeurde een drama dat hun leven zou beïnvloeden: schuilend in een grot stuiten ze op een man die ze veeleer uit angst doden en ontdekken bij hem een voorraad goud. De kleine Macon gaat er vandoor, Pilatus blijft achter. Wanneer Macon drie dagen later terugkeert om zijn jonger zusje te halen is zij onvindbaar en hun levens verlopen sindsdien gescheiden tot Pilatus zich onverwacht aandiende in het stadje waar de volwassen Macon inmiddels de plak zwaait. Zij leeft aan de zelfkant, verkoopt zelfgestookte wijn. Macon haat zijn zuster, hij weigert iedere band. Zo niet Milkman – deze zoekt zijn familie op, wordt verliefd op zijn nicht Hagar, ze krijgen een twee jaren durende relatie die hij tenslotte beëindigt. Hagar, vrijwel krankzinnig van liefdesverdriet heeft moordplannen die zij niet volvoert, maar zal tenslotte wel aan de emotionele pijn bezwijken en sterven.
En dan is er Guitar, de goede jeugdvriend van Milkman. Vreemde jongen die, ouder geworden, aansluit bij ‘De Zeven Dagen’, een groepje van zeven zwarten die voor iedere zwarte die vermoord wordt een blanke op gelijkaardige wijze executeren op een overeenkomstige weekdag. Maar tussen de jongens loopt het fout wanneer Milkman in het huis van Pilatus een mysterieuze zak ontdekt; bevat deze het goud dat de kleine Pilatus eertijds meenam uit de grot? De twee vrienden besluiten, met medeweten van vader Macon sr., het ‘goud’ te stelen. Ze worden betrapt, de zak bevat slechts beenderen (een menselijk geraamte!) en stenen die Pilatus van ieder stadje meebracht op haar omzwervingen door de US als herinnering. Een vreemde vrouw deze Pilatus, zij spreekt met de doden, voorspelt de toekomst, maakt liefdespoeders… niet verwonderlijk: zij is geboren zonder navel, wat haar tot een tovenares bestempelt. Magie, mysterie, het is nooit ver weg bij Morrison en sluipt haar intriges steevast binnen zonder hen te overweldigen, ze zijn nooit cruciaal.
Milkman zal op zoek gaan naar het goud dat zich mogelijk nog in de grot aan de andere kant van het land bevindt in Danville. Hij maakt er kennis met de stokoude Circe, de vrouw die ooit de jonge Pilatus en Macon redde na de moord op hun vader. In de grot vindt hij evenwel alleen nog een geraamte maar één en ander laat hem besluiten dat hij op zoek moet naar zijn roots, naar zijn overgrootouders, naar het Indiase bloed dat ook in hem schuilt. In het kleine stadje Shalimar, in wezen Solomon, schuiven de stukken van de puzzel in elkaar via een kinderlied, losse mededelingen, een legende… Vrijwel iedereen daar heeft banden met Solomon, die zich ooit van een heuvel naar beneden stortte – hij vloog weg! En zo keren we terug naar het begin van de roman. Terwijl op dat ogenblik Guitar achter Milkman aan zit om hem te vermoorden, woedend omdat hij hem ervan verdenkt het (verloren gegane) goud te hebben gestolen. Tenslotte zullen Pilatus en Milkman de beenderen gaan begraven op de plaats waar het allemaal begon, de oude boerderij, de moord…, in het land waarover de vermoorde Macon ooit zei: “In mijn huis komt niemand om van de honger, in mijn huis huilt niemand en als ik zo’n huis kan hebben kun jij dat ook! Grijp het. Grijp het dit land! Pak het, hou het vast, broeders, bewerk het, broeders, schud het, knijp het, draai het, wring het, sla het, schop het, kus het, gesel het, kneed het, spit het, ploeg het, zaai het, oogst het, pacht het, koop het, verkoop het, bezit het, verbouw het, vermenigvuldig het en geef het door; horen jullie me? Geef het door!” Een oer-begrafenis als hoogtepunt met een tragisch slot.
Zoals de inhoud hier verteld werd dient hij zich niet aan in de roman. Daar is hij chaos, losse eindjes. En desondanks raakt de lezer de draad uit het kluwen niet kwijt. En meer zelfs, het verhaal kennend zal dit vast niet het genoegen ontnemen van een lezing want de puzzel openbaart zich op steeds nieuwere wijzen, vertakt zich, de verwijzingen zijn legio. Het is een magistraal boek. Met de bekende thema’s, uiteraard, waarover zou Morrison schrijven, armoede, schijnheiligheid, racisme… En er schuilt zoals altijd opstandigheid in haar werk, maar ook weemoed, ontroering, liefde, passie. Zij houdt van de mens.
BELOVED
Toen Oprah Winfrey ‘Beloved’ (‘Beminde’) (1987) gelezen had wou zij hiervan dadelijk een verfilming maken. En die kwam er in 1998 met Oprah in de rol van Sethe; er kwam zelfs een opera door Morrison zelf geschreven onder de titel Margaret Garner. Deze laatste was de vrouw op wier levensverhaal en rechtszaak ‘Beminde’ losjes gebaseerd was. Het boek kreeg de Pulitzerprijs, en in 2006 bekroonde de New York Times het als het beste boek uit de Amerikaanse literatuur van de voorbije 25 jaar. Of dat alles veelzeggend is? In ieder geval, de lezing blies mij uit mijn zetel. Schitterend!
‘Beminde’ speelt in Cincinnati, hoofdzakelijk nog ten tijde van de slavernij. Maar op de plantage van Garner ‘Sweet Home’ verloopt het soepel, vrij progressief – geen harde aanpak, grote vrijheid. Zelfs zo dat één der slaven Halle zijn moeder met geld, verdiend buiten de plantage, mag vrijkopen. Deze moeder opoe Baby Suggs betrekt dankzij welwillende blanken gratis een groot huis nr.124 – het centrum van het gebeuren van de roman. Een zeer wonderlijke figuur deze oma die acht kinderen had. Zij staat in de bres voor de ganse gemeenschap. En ontpopt zich zelfs tot een soort predikant als zij iedere zondag in het bos de slaven toespreekt. Een prachtige monoloog is dit, Morrison overtreft hier stilistisch en inhoudelijk alles – Martin Luther King waardig. Elders in het boek laat zij iemand zeggen: “geen preek, geen kanselrede, ze riep op en het gehoor gaf gehoor”.
In dat huis 124 duiken eerst drie kinderen op van haar zoon Halle en diens vrouw Sethe. Na de dood van de eigenaar Garner van ‘Sweet Home’ werd het regime op de plantage immers zoals elders, streng, bloederig zelfs. En de slaven trachten te vluchten. Deze nog kleine kinderen zijn ontsnapt. Later arriveert ook Sethe met een pasgeborene, Denver. De met haar ontsnapte slaven werden inmiddels weer gevat en hoe het er dan aan toeging levert geen fraai schouwspel op. Wat dat betreft is ‘Beminde’ ook een hard, helaas maar al te realistisch boek. Ook Sethe ondergaat dit lot, slavenjagers vinden haar en haar kinderen ondergedoken bij Baby Suggs in 124 – en dan voltrekt zich het noodlot. Opdat haar kinderen niet als slaven verkocht zouden worden, slaagt zij er in hen nog net voor ze gegrepen worden alle drie te doden. Alleen de pasgeboren Denver wordt gered en met haar gevangen weggevoerd. Maar dankzij de belangstelling over de kindermoord (en het feit dat de slavernij vrijwel overal afgeschaft is inmiddels) kopen blanken haar vrij en keren zij naar opoe Baby Suggs terug. Maar huis 124, ooit zo gastvrij, waar iedereen kon onderduiken, een woord en eten en drinken vond, wordt nu geschuwd. Het is na de moorden een spookhuis. Spookt het echt? Ja, er gebeuren onverklaarbare dingen. Volgens Sethe – die in haar geest volhoudt dat haar twee jongens leven en gevlucht zijn, en dat alleen haar dochtertje gestorven is (“voor Sethe was de toekomst alleen een kwestie van het verleden op een afstand te houden“) – dwaalt de geest van Beminde in het huis. Beminde… haar naam dankt zij aan het feit dat deze op de grafsteen staat, voor meer letters ontbrak het geld. Spoken, mysterie, bijgeloof, magie, het komt wel vaker voor in het boek zoals in al het werk van Morrison. Wat b.v. te denken over het raadselachtig blanke meisje dat Sethe in het bos hielp bevallen, realiteit, een geest…
De lezer komt in feite terecht in het boek wanneer Baby Suggs overleden is. Het verhaal grijpt in flarden terug naar het verleden. Zoals het ook voortdurend verteld wordt door andere personen. Stilistisch sterk. Terwijl dus Sethe en haar dochter Denver 124 eenzaam bewonen arriveert er een meisje. Dat zich Beminde laat noemen. De jonge meisjes worden vriendinnen, bijna zusters. Dan duikt Paul D. op, één van de vroegere slaven van ‘Sweet Home’; ook het relaas van zijn omzwervingen en vreselijke belevenissen als voortvluchtige komen we in delen te weten. Hij wordt tijdelijk de minnaar van Sethe maar onder mentale druk van vooral Beminde verlaat hij tenslotte het huis dat eerst door zijn toedoen ‘spookvrij’ gemaakt was. En later blijkt dat Beminde zwanger is door hem. Inmiddels groeide het geloof van Sethe dat Beminde haar (overleden, gereïncarneerde? weergekeerde?) dochter is; en Beminde gedraagt zich ook zo. Wat Denver met lede ogen ziet gebeuren. Uiteindelijk gaat 124 bijna ten gronde tot Denver met de hulp van een blank echtpaar ingrijpt. Wat toch nog bijna tragisch eindigt. Maar er blijft een sprankel hoop.
Een sterke roman. En meteen een getuigenis over rassenhaat, discriminatie, haat. Dat o.m. de zwarten een kermis één dag exclusief mochten bezoeken, nikkerdag. Maar verder de gruwelen uiteraard. En het ergste: “De blanke kon je niet alleen laten werken, je vermoorden of je verminken, hij kon je bevuilen. Je zo erg bevuilen dat je niet meer van jezelf kon houden. Je zo erg bevuilen dat je vergat wie je was en er niet meer op kon komen”. Dit boek beklijft.
PARADISE
‘Het paradijs’ (‘Paradise’ 1997) is het derde deel van wat Morrison zelf haar Danteske trilogie noemde, samen met ‘Beloved’ en ‘Jazz’. De werken delen niet hun personages, evenmin hun locatie noch handeling. Wat dan wel: de auteur bouwde via hen een geschiedenis op van de zwarten in Amerika. En zij besluit deze dus in ‘Paradise’, dat speelt in Ruby, Oklahoma, een heel klein stadje exclusief bevolkt door zwarten – een enclave. Deze bevolkingsgroep, zo’n vijftien families onder leiding oorspronkelijk van Big Papa, trok gedurende tien generaties, na de vrijlating van de slaven, op zoek naar eigen geschikte grond. Vanuit Louisiana vertrokken, komen ze terecht in Haven waar ze zich eerst vestigen, tussen de blanken, maar tenslotte verdreven worden. Om verder, in het gebied van de indianen, tenslotte een eigen plaats te veroveren en Ruby te stichten. Ruby, hun eigen stad, geïsoleerd, met wantrouwen tegenover vreemden, spaarzaam, waar ze trachten behoedzaam met elkaar om te gaan.
Maar er is een tweede locatie in het boek, even belangrijk als het stadje: het Klooster, zo’n twintig kilometer van Ruby verwijderd. Terwijl we meemaken wat zich in de stad afspeelt, tussen de heel diverse personen met wie we kennis maken, hun liefdes, hun conflicten, hun achtergronden, de botsende kerkgenootschappen met de progressieve dominee Milner als spilfiguur en de tweeling Deek en Steward als de bemiddelde bankeigenaars die Ruby domineren, leeft het Klooster. Morrison vertelt nooit rechtlijnig in haar boeken; het zijn puzzels, schuiframen waaruit langzaam de geschiedenis van ieder personage opduikt. De lezer ontdekt met mondjesmaat de ware toedracht, karakters en gebeurtenissen worden in fragmenten onthuld. Dat maakt de lezing boeiend, soms verwarrend, maar je moet alert blijven. Ook hier, in ‘Paradise’. Waar ieder hoofdstuk als titel de naam meekreeg van één der vrouwen die langzaam het Klooster komen bevolken. Want, wat eerst het landhuis was van een decadente en perverse grootgrondbezitter (getuige de inmiddels grotendeels verwijderde muurschilderingen, versieringen, e.d., een oord van verderf dat tot de verbeelding van de bewoners van Ruby bleef spelen), werd via hun Orde en door een rijke mecenas ter beschikking gesteld aan Portugese nonnen. Die er een school voor Indiase kinderen vestigden. Tot Ruby gesticht werd, de indianen verdwenen, en tenslotte ook de zusters. Alleen Connie (Consoluta) bleef over (met de zieke moeder-overste die jaren later zal sterven). Geen non evenwel deze Connie, wel opgegroeid in het Klooster nadat zij als jong (blank) meisje als 9-jarige uit de goot werd opgepikt en tot nu bij de zusters verbleef. Zij slaagt er in op het grote domein groenten en kruiden te verbouwen, voor zichzelf, en voor inwoners van Ruby die vaste klanten worden. Niet onbelangrijk: nog vrij jong heeft zij een relatie met een man uit Ruby. Om haar heen zweeft ook een sfeer van magie die op het einde ten top zal gedreven worden.
Dan arriveert Mavis, een vrouw die op de vlucht is voor haar man en drie kinderen die haar – vermoedt zij – willen vermoorden, maar vooral voor zichzelf: zij had in haar afgesloten auto haar twee baby’s achtergelaten, deze waren gestikt… Nu strandt zij toevallig in de buurt van het Klooster, zoekt hulp en blijft er. De derde bewoonster zal Gigi (Grace) zijn. Zij arriveert wanneer Mavis reeds drie jaren in het Klooster woont, en op het moment dat deze een maand op reis was, net als de moeder-overste gestorven is en Connie duidelijk overstuur is. Ook zij besluit te blijven, al zal vlug blijken dat het voortdurend zal botsen tussen haar en Mavis zohaast deze terug is. Seneca is een meisje dat in pleeggezinnen opgevoed werd. Als zij een vrouw helpt die op de dool is belandt zij zelf in het Klooster, eveneens om er een plaatsje te veroveren. Zij lijdt aan zelfmutilatie. Tenslotte daagt de jongste van het gezelschap op, 16 jaar, Pallas, bedrogen door haar oudere vriend en op de vlucht uit schaamte voor ouders en school.
Terwijl in de loop van het boek deze vrouwen, hun relatie en hun achtergrond geschetst worden, maken we verder kennis met allerlei mensen die Ruby bevolken. En met de Oven, een bijna mythisch gegeven: een oven die ze gedurende al die jaren hebben meegesleept, ook alle stenen, telkens heropgebouwd, om hem centraal te plaatsen. De Oven gaf warmte, er werd voedsel in bereid, en hij deed dienst als centrale vergaderplaats. En… zal nu oorzaak worden van een generatieconflict betreffende de halfvergane tekst die er op stond. Hoe hem te vervangen? En zijn functie: inmiddels palmt de jeugd hem vaak in als ontmoetingsplaats voor feestjes, drank, drugs… De nieuwe generatie: recent de moord op M.L.King, er wordt gesproken over de terug naar Afrika-beweging, de Black Panther… ook de kerkgenootschappen laten zich niet onbetuigd in deze strijd. En tussendoor verhaalt Morrison via diverse personen die ze al dan niet zelf aan het woord laat, de geschiedenis van de ganse trektocht van Louisiana tot in Ruby, de vernederingen, de pijn, de honger, de ellende, de samenhorigheid. Het is de schooljuffrouw Pat die dit alles op schrift wil stellen. Tot zij het plots zo zinloos vindt: zij verbrandt alles. “Ze droogde haar tranen en tilde het kopje van de schotel. Onderin kleefden de theebladeren. Nog wat kokend water, even trekken, en de zwarte blaadjes zouden weer wat opleveren. En weer. Altijd weer. Tot… Tja. Wie zal het zeggen? Het was zo helder als glas. De volgende generaties moesten niet alleen raszuiver zijn, maar ook vrij van overspel. (…) ‘Goeie God’, mompelde ze. ‘Goeie God, ik heb de papieren verbrand'”. De desillusie over Ruby, over de ganse geschiedenis en waartoe deze geleid heeft, komt hier samen. Ruby stort in. Ook omdat de jeugd, net als in andere kleine stadjes wil wegtrekken, terwijl de ouderen zwelgen in nostalgie (“verdoofd door het gebral over de eigen geschiedenis”).
Terwijl in Ruby een en ander verandert staat ook in het Klooster de tijd niet stil. De inmiddels oud geworden Connie heeft zich terug getrokken in de wijnkelder die zij als kamer inrichtte, zij heeft nog nauwelijks contact met de andere vrouwen. En de spanning tussen Mavis en Gigi loopt vaak hoog op. In Ruby wordt een bruiloft gevierd. Iemand nodigde de Kloostervrouwen uit die zich inderdaad melden voor het feest en zich daar te zeer laten opmerken wat drank en dans betreft. Dit huwelijk – op zich reeds een scharnierpunt – zal ook voor de relatie Ruby/Klooster definitief blijken. Een groep mannen zal even later een complot smeden om de vrouwen te verjagen of te doden. De vroedvrouw die getuige was van de samenzwering gaat de vrouwen verwittigen maar wordt op ongeloof onthaald: tot dan was de relatie met het stadje hartelijk… Connie, steeds in het bezit van enige magische krachten zo werd gesuggereerd, roept alle vrouwen samen. Ze moeten op de grond gaan liggen, hun contouren met krijt aftekenen, en daarin symbolen aanbrengen van hun verleden of van wat hen bezwaart… een bizar ritueel waarin de vrouwen zich als het ware tot een hecht genootschap samen smeden. Diezelfde nacht trekken de mannen er op uit: tegen de ochtend vallen ze het Klooster binnen. Eén vrouw wordt gedood, de anderen weten zich te verzetten, er worden nog uitsluitend mannen gewond en de andere vrouwen ontkomen. Dagen later blijkt het Klooster verlaten, de vrouwen zijn verdwenen, hebben hun vermoorde vriendin meegenomen – politie van het naburige Haven werd blijkbaar nooit ingeschakeld… Maar Ruby, de enclave, is teloor, die zal de wonden likken. In een laatste hoofdstuk vernemen we nog hoe het met de onderscheiden overlevende vrouwen verder gaat, ieder apart hun leven…
Met ‘Paradise’ voegde Morrison weer een prachtig boek toe aan haar oeuvre. Niet in het minst om haar stilistische kracht en schoonheid die spreekt uit zinnen en beelden als “Ze wist dat ze verging van de honger omdat de watermeloenrode zon eetbaar oogde”. Maar ook omdat zij zo indringend schrijft over de mensen, met zoveel warmte, zo scherp ook. Ontledend de confrontatie zwart-blank, de historische duiding met uiteraard de zwarte slachtofferrol maar desondanks nooit eenzijdig: voor haar zijn er ook steeds de goede blanken en ook de slechte zwarten, er zijn bovenal individuen… En boven en om dat alles heen is er de natuur, zijn er de seizoenen, creëert Morrison hiermee een sfeer waarin planten, bloemen, kruiden, geuren, en vooral ook zoals in ieder boek de kleur bepalend is om de lezer mee te slepen in het verhaal.
LOVE
Met Bill Cosey heeft Toni Morrison in ‘Love’ (2003) een intrigerende hoofdpersoon gecreëerd. Hoewel men zich zou kunnen afvragen in hoeverre hij de werkelijke hoofdfiguur is. Want om hem heen zijn er de vrouwen die zijn leven bepalen. Er is May, zijn schoondochter, weduwe van zijn zoon. Haar dochter Therese en haar boezemvriendinnetje Heed, een meisje uit de zelfkant. En er is L, de kokkin die in een reeks schitterende tussenkomsten het gebeuren en de karakters becommentarieert, objectief.
Cosey heeft met het dubieus verworven geld van zijn vader een luxueus hotel gebouwd in het zuiden van de US. Alles loopt prima, ook tussen de personen, tot Cosey besluit met de 11-jarige Heed te huwen. De relaties lopen nu mank, persoonlijk, en langzaam – naarmate Heed ouder wordt en meer van het hotelwezen begrijpt – ook hiërarchisch. May en Christine gaan Heed haten; wat niet verbetert wanneer May tekenen vertoont van kleptomanie en verwardheid. Cosey verkoopt gronden aan een bouwpromotor, er zijn raciale onlusten, het hotel gaat langzaam ten gronde. Cosey sterft. May sterft. En noodgedwongen trekken Heed en Christine zich terug in hun huis in de stad. Bekvechtend om de erfenis waarop ze beiden recht menen te hebben. Christine wordt behandeld als slaafje, Heed bezit het geld en zij neemt een meisje in dienst, Junior, om tegen haar rivale te intrigeren. Deze Junior komt uit een heropvoedingsgesticht en ook zij draagt een verleden mee dat ons niet onthouden wordt. Prachtig zijn de momenten waarin deze Junior, dwalend door het huis en door het oude maar niet echt vervallen hotel, als het ware in contact komt met ‘de oude man’, Cosey – hoe zij hem zich voorstelt. Mysterieus, maar Morrison blijft het heel koel benaderen, geen magie. Veeleer poëzie, wat de figuur van de ruige Junior, in voor wilde seks, een extra mooie dimensie geeft. Het verhaal sluit verbijsterend af.
Zoals vaak heeft Morrison het in dit boek over de zelfkant van het leven. De mensen die trachten te overleven… En ook raciale problemen komen aan bod, al is het minder nadrukkelijk, niet bepaald pamflettair; zij dienen hier vooral om de teleurgang van de streek te onderlijnen. En uiteraard, met de tekening van dergelijke vrouwelijke karakters, is de thematiek van het feminisme niet veraf. Maar ook hier, geen pamflet, geen theorie, alles via mensen van vlees en bloed; en de lezer oordele zelf… Het boek is ongemeen spannend van opbouw, de intrige toont met mondjesmaat de relaties en hoe deze zich konden ontwikkelen, de karakters, de mensen zijn sterk getekend en genuanceerd. Tegen een warme, hete achtergrond van het zwarte zuiden van de US. Sterk.
HOME
Net als in ‘Beloved’ hanteerde Morrison in ‘Home’ (vert. ‘Thuis’, 2012) flashbacks. Zo o.m. wanneer zij de hoofdpersoon Frank Money laat terugblikken op zijn vreselijke ervaringen in de oorlog in Korea. En hoe het gezin Money ooit met de nog heel jonge Frank gedwongen verhuisde naar het onooglijke stadje Lotus in Georgia, waarbij zijn zusje Cee langs de straatkant geboren werd en ze moesten intrekken bij de grootouders Salem en Lenore. Ook het verhaal van deze laatste – een hardvochtige vrouw die gedurende de enkele jaren dat haar kinderen Luther en Ida met de twee kleinkinderen bij hen inwonen – de kleintjes mishandelt, hen geen eten geeft, wordt in een terugblik verhaalt. De roman start in feite op het ogenblik dat Frank uit de oorlog terugkeert, eervol ontslag, medaille op de borst – maar: in het leger was blank en zwart gelijkwaardig. Niet zo in de gewone wereld, hij loopt verwezen rond, belandt even in de ziekenboeg van de gevangenis in Fort Lawton. Het is duidelijk dat hij een shellshock heeft, hij verliest soms alle kleuren (ziet alles grijs worden), schrikt van geluiden en bewegingen, wordt agressief. Het bericht bereikt hem dat zijn geliefde zus Cee met wie hij een zeer sterke band heeft (hun ouders zijn inmiddels gestorven) ernstig ziek is en hij wil zo vlug mogelijk naar huis. Moeilijkheden, financiële en andere, geholpen door mensen die hij op zijn weg via Portland en Chicago ontmoet, zo gaat hij op weg. En af en toe wordt hij geconfronteerd met racisme hoewel dat officieel niet meer bestaat – zo beleeft hij een pijnlijke scène op een stationsperron, of door het feit dat hijzelf spontaan op de achterbank van de bus plaatsneemt om moeilijkheden te vermijden en steevast de achteraf pensions en restaurants opzoekt, meer geschikt voor zwarten… de realiteit is weinig veranderd ondanks de wetgeving. Tenslotte verblijft hij enkele maanden bij een jonge vrouw Lily maar zet dan toch zijn tocht naar Cee, naar Atlanta waar zij inmiddels woont, verder. Cee was gaan werken bij een dokter. Deze had haar gebruikt voor een medisch experiment; als gevolg hiervan is zij stervend. Frank ontvoert haar uit het huis van de dokter en brengt haar naar hun eigen stadje Lotus waar zij door de vrouwen genezen en gered wordt. Tenslotte trekken broer en zus terug in in het ouderlijk huis. Het leven in het kleine stadje herneemt zijn dagelijkse gang. Frank blijkt eveneens hersteld. Het wordt niet letterlijk gezegd maar blijkt uit zijn belangstelling voor het kleurrijke deken uit patchwork dat Cee maakt. En hoe de roman besluit… samen met Cee begraaft hij in dit deken het geraamte van een man die ooit door zijn zoon in een gedwongen tweegevecht (tot één van beide dood was) gedood werd (omdat de blanken de hondengevechten te saai vonden). Kleur – het thema vonden we ook al in de roman ‘Beloved’, hoezeer Baby Suggs hunkerde naar twee gele vlekken op een grijze deken b.v., en andere kleurelementen. Morrison is, hoewel dit niet haar belangrijkste roman is, toch weer sterk in het suggereren van alles wat discriminatie, haat, afgunst, woede, maar ook liefde en medemenselijkheid betreft. Nooit al te expliciet, het verhaal en de personages spreken. Bovendien weet zij te beschrijven. Hoe zo’n stadje van honderd inwoners als Lotus er uitziet: “…daar was geen toekomst, slechts een eindeloos doden van de tijd. Daar viel niets anders te doen dan ademen, daar viel niets te winnen, en, afgezien van het rustige heengaan van een ander was er niets wat je moest zien te overleven en niets wat de moeite van het overleven waard was. In Lotus wist niemand iets en wilde niemand iets leren.” Zo analyseert Frank het stadje, en op het eind zal hij zeggen dat ze er “de tijdloze tijd doden”… wat een echte Morrison-formulering. Net als deze woorden van haar hoofdpersonage tot de lezer gericht: “Volgens mij snap je niets van de liefde. Noch van mij.”
Morrison was ‘Home’ aan het schrijven toen haar zoon Slade overleed aan een pancreastumor in 2010. Zij besloot eerst niet meer te schrijven maar voltooide dit werk en droeg het aan hem op.
GOD HELP THE CHILD
Lula-Ann Bridewell, die zich Bride zal laten noemen, is de hoofdpersoon in ‘God sta het kind bij’ (‘God Help the Child’; 2015). Zij is geboren uit een blanke vader die dadelijk uit beeld verdween, en een moeder geboren uit een blanke vader en een zwarte moeder maar zelf blank. Lula-Ann/Bride is zwart, erg zwart, pikzwart, duivels zwart in de ogen van haar moeder Sweetness die zich schaamt en de baby niet durft te tonen aan de buren, die er nauwelijks de straat mee op durft; en die als zij het kind later naar school brengt, het nooit een hand zal geven. Dat dit traumatiserend werkt, het kind voelt hoezeer haar moeder een afkeer heeft van haar zwarte huid… En zal er alles voor over hebben om haar liefde en vooral waardering te winnen. Dat gebeurt ook als zij acht jaar is. Het meisje, in een overwegend blanke school, wordt daar ook voortdurend gepest. De lezer kan in de loop van het verhaal wel vermoeden wat er precies gebeurde bij de kentering al onthult Morrison het expliciet pas in de laatste bladzijden.
We ontmoeten Bride in feite op het ogenblik dat zij een succesvolle zakenvrouw is, manager van een cosmeticabedrijf. Na talrijke baantjes ontmoette zij een stilist die haar op weg zette: haar donkere huidskleur gebruiken in combinatie met kleding, accessoires… en dit werkte in de zakenwereld, zij werd opgemerkt. Haar carrière bloeide. Maar nu heeft haar vriend, Booker Starbern, haar bruusk verlaten en zij raakt in een depressie. Haar rest gelukkig nog een vriendin, Brooklyn. Bride verneemt dat een vrouw, Sofia Huxley, na vijftien jaren gevangenis wegens kindermisbruik, vrij komt en wacht haar op. Om haar tenslotte in haar hotelkamer te gaan bezoeken met de bedoeling haar geld te geven als start voor een nieuw leven. Ooit had zij, Bride, als achtjarige, deze Sofia aangewezen als schuldig aan misbruik. Het eindigt ermee dat de vrouw haar in elkaar slaat en het geld weigert. Bride belandt een poos in het ziekenhuis maar vooral mentaal, wegens het gebeurde met Sofia, de breuk met Booker (zij streelt zich over het ganse lichaam met zijn achtergebleven scheerkwast!), de herinneringen uit haar jeugd (zij heeft geen contact meer met haar moeder die zij de afschuw van haar huidskleur verwijt) gaat het slecht met haar. En Morrison zou Morrison niet zijn: dit innerlijk wordt ook op magische wijze veruitwendigd: de gaatjes in haar oren (gekregen na de rechtszaak als soort ‘beloning’ voor haar kranig getuigenis) zijn dichtgegroeid, zij vermagert drastisch, menstruatie blijft uit, haar borsten verdwijnen volledig net als haar oksel- en schaamhaar… een totale regressie dus. Een toeval (briefje voor het herstellen van een trompet) brengt haar op het spoor van Booker. Zij gaat op zoek…
Booker Starbern: oorspronkelijk een mysterieuze figuur, niet alleen voor de lezer, ook voor Bride die hem zes maanden als vriend had. Hij leefde bij haar maar in feite wist zij niets van hem. Hij werkte niet, hing wat rond (dacht zij). Met mondjesmaat – typisch Morrison – wordt ons de geschiedenis van Booker onthuld. Hij blijkt een intelligente man te zijn, ook bekwaam trompettist. Getekend door de moord op zijn broer in zijn jeugd. Het is dit overlijden, deze broer dat hij niet kan loslaten, nooit kon verwerken. Waarbij hij zich vastklampt aan een tante, Queen Ollivee, die hem de raad gaf in deze te wachten: zijn broer zou zelf wel aangeven wanneer het tijd was om hem te laten gaan – maar inmiddels verstreken de jaren; en zijn obsessie, want dat werd het, groeide uit tot een conflict met zijn familie.
Bride zoekt en vindt Booker: hij had zijn toevlucht gezocht bij zijn tante Queen Olivee. Deze laat haar enkele teksten van Booker lezen, geschreven over Bride. Zij beseft dat hij van haar houdt. Zij zoekt hem op in zijn huis even voorbij de caravan waarin zijn tante woont. Hij verwijt haar het bezoek aan de kinderlokster Sofia terwijl zijn broer verkracht en vermoord werd door zo’n misdadiger. Zij bekent hem (en ons de lezers) dat haar getuigenis in de rechtszaal vals was en louter diende om haar moeder voor zich te winnen, om zich als achtjarige zwarte een status te verwerven, liefde… De twee verzoenen zich. Helaas sterft Queen Olivee na een brand in haar caravan. Booker zal haar as in de rivier verspreiden en zijn trompet, meegebracht door Bride, haar achterna gooien. Op het einde blijkt Bride alle lichamelijke kentekenen van volwassenheid te hebben terug gewonnen, en zwanger te zijn.
In het laatste hoofdstuk komt de moeder, Sweetness, aan het woord om haar houding tegenover Bride/Lula-Ann te verklaren: haar dochter sterken voor die duivelse wereld waar haar kleur niet zal aanvaard worden. Zij weet inmiddels dat Bride zwanger is, en haar woorden – haar ‘heilwens’ – zijn: “Veel succes en God sta het kind bij”, vrij bitter…
Morrison behandelt in haar boeken steeds de problematiek van de zwarten versus de blanken, de geschiedenis, de trauma’s, de conflicten. Zij doet dit aan de hand van gemeenschappen en individuen, en zij belicht het nooit eenzijdig. In dit boek evenwel gaat het over slechts één persoon en is het ganse gebeuren herleid tot wat Bride beleeft. Hoe zij, als zwarte, de wereld van de blanken moet trotseren. Zelfs de enge wereld van haar moeder van wie zij alleen waardering weet te krijgen na die vreselijke leugen in de rechtszaal. Een wereld waarin zij, op school gepest, op straat beschimpt wordt. Een wereld waarin zij moet knokken voor een carrière die zij pas verovert dankzij de glamour van een stilist. En dan nog, want in de loop van het verhaal zal zij – ondanks het modieuze en haar luxeauto – als zij, gestrand in een dorp en daar met een klein blank meisje op wandel is, door jongens beschoten worden met een hagelgeweer; ook dan blijft zij als zwarte kwetsbaar. In die zin is deze roman thematisch een goede verderzetting van wat Morrison met haar Danteske trilogie beoogde: de geschiedenis van de zwarten in de US. Inmiddels kunnen zij zich als individuen profileren… maar ten koste van…

Johan de Belie

2 gedachtes over “25 jaar geleden: Nobelprijs voor Toni Morrison

    1. Bedankt, Henk, voor de mooie woorden. Er was geen specifieke aanleiding om deze tekst te publiceren. Mijn goede vriend en trouwe medewerker aan mijn blog, Johan de Belie, had een boek van haar gelezen en was zwaar onder de indruk. Dat wilde hij even kwijt en ik heb met plezier hem daartoe een platform gegeven.

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.