Mens, mens, wat vliegt de tijd! Morgen zal het al tien jaar geleden dat “Daens, de musical” in première ging. Maar wat nog erger is: destijds heeft niemand, maar dan ook niemand (dus in eerste instantie ook ikzelf niet) er ook maar eventjes op gewezen dat er dertig jaar geleden in Vlaanderen reeds een stuk (met zang) over Daens was te zien, met name in het NTG. Zelf ben ik er op 20 februari 2009 heel toevallig over gestruikeld bij het opkuisen van mijn archief en Frans Redant was zo vriendelijk om mij meer tekst en uitleg te verschaffen.

Ikzelf woonde toen nog niet in Gent en schreef dus ook nog geen recensies voor De Rode Vaan (al werkte ik daar wel al), dat deed Firmin De Gryse. Ik deed wel de eindredactie. Een paar titels komen mij dan ook nog min of meer bekend voor (“Lieve hemel!” van Franz Xaver Kroetz b.v. of “Wij betalen niet!” van Dario Fo in een regie van Arturo Corso), daarmee bedoel ik dan dat de kritiek van Firmin mij nog een beetje voor de geest komt, want dat seizoen werd er veel “repertoire” gespeeld, dus de stukken zelf zeggen me uiteraard ook iets (“De burger edelman” van Molière, “Spoken” van Ibsen, “Bedrog” van Pinter, “De Meeuw” van Tsjechov, “Freule Julie” van Strindberg enz.). Maar waar ik het dus vooral over wil hebben is over een stuk dat aangekondigd werd als “Priester Daens” van Jos De Man naar L.P.Boon, regie: Walter Moeremans (van 22 december 1979 tot 20 januari 1980). Ik vroeg me af of die er uiteindelijk wel was gekomen? Ik meen me immers toch enige problemen daaromtrent te herinneren…
Frans Redant: “Daens is inderdaad aangekondigd geweest met als bewerker Jos de Man. En problemen zijn er inderdaad geweest, doch opgelost met succes. Daar ik me als dramaturg NTG niet meteen zag als stukkenschrijver, stelde ik in de beleidsgroep voor Daens van Louis te laten bewerken. Eerste vrijwilliger was Paul Berkenman. Hij leverde een proeve af, die ons en mij niet voldeed. Dan bood (via Leah Thys?) Jos de Man zich aan als redder in de nood. ‘Het stuk zat al in zijn hoofd, hij moest het alleen nog neerschrijven…’ Zodoende werd, met de grootste verwachtingen, het stuk ook aangekondigd. Van meet af aan was er al belangstelling bij het abonneepubliek. Doch toen na de grote vakantie het seizoen dreigde te beginnen en Jos zijn tekst afleverde, was de teleurstelling groot. Ik vond er niets in terug van Boon, van het Daensisme zoals ik dat kende. Er kwam zowaar een fabrieksbezetting in voor waar de arbeiders in eigen beheer jeans aan de man brachten. (Ge herinnert u onze jaren ’70 nog?…). We zaten dus goed in de problemen, want twee maand later zouden de repetities beginnen.
Ronny, het was ook een andere tijd. Het was de tijd nog van: the show must go on. Nu zou men vlug het plan afvoeren. Dus in de beleidsgroep werd mij de vraag gesteld: ‘Als ge ’t zoveel beter weet, waarom doet ge ’t dan niet zelf!? Walter, ziet ge ’t zitten om samen met Frans een voorstelling te maken?’ We hebben bevend de handschoen opgenomen. Maar het moest vlug gaan. Interviews in het Aalsterse met oude overlevenden, opnames van Daensistische strijdliederen. Archief van Vooruit, in de Albertina parlementaire verslagen gecopieerd en overgepend. Want één ding was duidelijk: een boek van Boon bewerken is vrijwel onmogelijk, zonder de essentie te verliezen. We moesten van nul herbeginnen, en omwille van de publiciteit er het etiket Boon laten opplakken…
Ons resultaat zou ik geen hoogstandje van dramaturgie durven noemen: het was een collage, met o.a. de beroemde speech van “Anseele” uit Buysses Een Leeuw van Vlaanderen. Maar het werkte! Ze kwamen met autobussen tegelijk uit Aalst, Ninove, de Vlaanders. Liedjes werden in de zaal meegeneuried, tranen, ontroering, enfin het werd stormachtig ontvangen. In het publiek zat ook een bijzonder geïnteresseerde (zie “De Bom”): Robbe de Hert. Na afloop vroeg hij een tekstbrochure. Weken nadien hoorde ik van hem dat hij met Ferre van der Auwera aan een scenario bezig was. Stout zei ik dat de dialogen in Vlaamse films doorgaans op niks trekken. Zodoende kwam hij veertien dagen bij mij thuis om het scenario te fatsoeneren. Maar naar mijn goesting klopte er niks! Beginscène (die aan de Genste Capitole zou gefilmd worden): Daens en Woeste komen discussiërend uit de stadscchouwburg van Aalst waar ze een naturalistisch drama à la Van Paemel hebben bijgewoond. Mijn kritiek: de Waal Woeste die niet in Aalst woonde zou nooit naar dergelijke vertoning zijn gegaan. Wel eventueel naar de opera in Brussel of Parijs. Het toenmalige stadsschouwburgje (afgebroken) van Aalst trok in de verste verte niet op het paleis Capitole. Naturalisme was toen nog avant-garde en onbekend, zeker in Aalst. En priesters hielden zich ver van werelds vertier zoals schouwburgen en cinema’s…
Dan hoorde ik een hele tijd niets meer van het filmproject; er waren problemen met geld en producenten. Tot ik hoorde dat Stijn Coninx het ding had overgenomen. Zijn film werd een gigantisch succes, maar zo commercieel en oogstrelend dat ik er het Daensisme niet in teruggevonden heb. De ingelaste liefdesgeschiedenis (waar bij Boon?) is belangrijker geworden dan de rest. Roger Bolders leek mij ook Daensachtiger dan Jan Decleir met de verwaaide hippie-haardos. De musical heb ik dan maar gemist. Maar nergens is inderdaad ook maar vermeld (buiten Eetezoone eventjes in een entrefiletje) hoe het allemaal begonnen is.”

Referentie
Joël De Ceulaer, “Bart De Wever is de erfgenaam van priester Daens”, Knack, 11 juni 2014

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.