De Duitse jeugdschrijver Klaus Kordon wordt vandaag 75 jaar.

In De Rode Vaan heb ik hem meer dan dertig jaar geleden opgehemeld omwille van een boek met de Nederlandse titel “Rechtsbuiten”. In het Duits was dat “Brüder wie Freunde”, maar dat heb ik nu pas op het internet ontdekt. Het was pas zijn tweede boek. Maar ook dat wist ik toen niet. Eigenlijk wist ik toen helemaal niets, ik ging uitsluitend op het boek af en pas nu stel ik vast dat dit maar goed was ook, want anders had ik moeten vertellen dat hij de DDR was ontvlucht en dan zou het al heel wat moeilijker zijn geweest om mijn positieve recensie aan de lezers van De Rode Vaan te “verlappen”. Ik wil niet zeggen dat ik het plotseling een slecht boek zou hebben gevonden, zeker niet, maar met dergelijke gevoeligheden moesten wij altijd rekening houden. Bovendien ben ik dan nog kort door de bocht gegaan met te zeggen dat hij “de DDR was ontvlucht”. In werkelijkheid had hij dat wel geprobeerd in 1972, via Bulgarije, maar men had hem te pakken gekregen en eens terug in de DDR werd hij door de Stasi gevangen gezet. Hij werd een jaar later door de Duitse Bondsrepubliek “vrij gekocht”, zo staat het op de Duitse Wikipedia en wie interesse heeft in dat soort verhalen kan misschien zijn autobiografische roman Krokodil im Nacken lezen…
“Rechtsbuiten” apprecieerde ik vooral omdat het een jeugdboek is dat de zware problemen niet uit de weg ging. Het boek gaat immers over de dood van een jongen van veertien, Herbert, rechtsbuiten in het plaatselijke elftal en idool van zijn zevenjarige halfbroer Frank, die hij heeft leren weerstand bieden aan hun parasitaire en autoritaire stiefvader, door hen Gladjanus genoemd.
Een fragment illustreert uitstekend hoe men zoiets het best kan aanpakken, zowel wat de problematiek zelf als wat de stijl betreft :
« Frank vraagt waar Herbert tot de begrafenis blijft. Met het antwoord dat hij krijgt, vergaat hem het laatste restje eetlust. Herbert ligt in een kelder, in een kille onvriendelijke ziekenhuiskelder, samen met andere dode mensen. Hadden ze hem niet beter op zijn kamer kunnen laten liggen ? Kan hij daar niet wachten tot hij opgehaald en begraven wordt ?
“Die kamer is toch in gebruik.” Mamma en tante Lucie wisselen een blik van verstandhouding en beginnen over iets anders te praten. Maar Frank geeft het niet op. Hoe klopt dat nou, vraagt hij, dat hij begraven wordt en dat verhaal over dat grote blauwe huis ?
“Alleen zijn omhulsel wordt begraven,” antwoordt tante Lucie. “Zijn ziel, het waardevolste dat een mens bezit, stijgt naar de hemel op.”
Frank vertrouwt het niet. Gelooft ze dat nu echt of wil ze hem alleen maar troosten ? Gladjanus gelooft tante in ieder geval niet. Hij lacht ironisch. En als tante Lucie zegt dat de lieve Heer eerst de goede mensen tot zich roept omdat mensen zoals Herbert te goed voor deze wereld zijn, legt Gladjanus zijn mes neer. Nu gaat tante toch echt te ver. “Vertel toch niet van die onzin. Het is om er misselijk van te worden.” Hij loopt naar het café en neemt een borreltje om niet misselijk te worden.
Tante Lucie is beledigd, maar mamma geeft Gladjanus gelijk. “Nou vraag ik je Lucie ! Je moet die jongen niet zulke onzin vertellen.” Tante Lucie staat op en gaat naar de keuken. Frank heeft medelijden met haar en vraagt waarcm ze dat soort dingen niet vertellen mag. “Omdat het niet waar is,” zegt Mamma. “Gebruik toch even je verstand : is tante Lucie geen goed mens ? Ja toch zeker ! En heeft de lieve Heer haar tot zich geroepen ?”
» (p.173-174).
Tegelijk valt in deze passage wel op dat we enige aanmerkingen kunnen maken op het woordgebruik. In vergelijking met het (nu voor de derde maal) bewierookte “Bloedbroeders” uit dezelfde reeks, merken we dat hier moeilijkere woorden worden gebruikt en ook langere zinnen. Dat zal wel voor een groot gedeelte aan de originele taal liggen (Duits is nu eenmaal breedvoeriger dan Engels), maar ook de vertaalster (Carla Berkhout) gaat niet helemaal vrijuit, als men b.v. vaststelt dat een fout als “tussen die kerel en ik” (p. 19) erdoor kan glippen. De auteur zelf willen we (nogmaals in vergelijking met Nigel Gray van « Bloedbroeders ») wel aanwrijven dat hij het “alomtegenwoordige” standpunt inneemt. Indien hij zich b.v. in de figuur van Frank (eventueel, zoals Gray, met een paar jaren « recul ») had verplaatst, dan had dit niet enkel tot een vereenvoudiging van de taal bijgedragen, maar ook tot een evenwichtiger structuur (in het eerste deel besteedt hij aandacht aan de beschouwingen van beide jongens, in het tweede deel uiteraard enkel aan die van Frank).
Daartegenover staat dat hij alle lof verdient voor de subtiele aanpak van een heel gamma aan gevoelens (van ouderliefde en broederliefde over kalverliefde en vriendschap tot zelfs haat), ook weer ingebed in een aantrekkelijk verhaal dat o.a. door de (relatief korte) voetbalpassages de jeugd wel zal aanzetten tot intensief lezen.
Tot slot dient er nog op gewezen dat ook de ontwerpers van de voorpagina’s van de Lotus-jeugdboeken (in dit geval alweer Annet Planten) bijzonder in de gunst staan van de muzen. Ook deze factor kan tot de verspreiding bij een ruim publiek bijdragen. En dit is wél gegund !

Referenties
R.D.S., “Rechtsbuiten”: subtiele aanpak van een heel gamma aan gevoelens, De Rode Vaan nr.48 van 1981
Klaus Kordon, Rechtsbuiten, uitgeverij Lotus, 205 blz.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.