Het is vandaag 560 jaar geleden dat Keizer Karel is gestorven. Aangezien ik niet telkens het beeldje dat in het Gentse Prinsenhof staat als illustratie kan gebruiken, heb ik mij deze keer tot het bekende schilderij van Titiaan gewend en hier kan men goed zien dat onder zijn baard Karel een kin verbergt waaraan Raymond Van het Groenewoud bij wijze van spreken nog een puntje zou kunnen zuigen…

Karel werd op Sint-Matthijsavond (24 februari) 1500 in het paleis van de Bourgondische Hertogen, het latere Prinsenhof, geboren, met name boven de Donkere Poort. Vrijwel alles wat van het vroegere Prinsenhof overbleef – met uitzondering van de Donkere Poort – bevindt zich achter de schermen. Van de oostvleugel, de noordvleugel, de kamers bij de Donkere Poort en de kapel bij de middenpoort bleven belangrijke bouwdelen bewaard. Dit geldt ook voor de 15de-eeuwse bakstenen omheiningsmuur, die het hele areaal van ca. 6 hectaren omgordde. De kennis die thans verzameld is, zou niet mogelijk geweest zijn zonder de substantiële medewerking van talrijke buurtbewoners, eigenaars van panden die stukken Prinsenhof in huis of bedrijfsgebouw zonder enige vorm van bescherming beheren. Deze buurtbewoners hebben in belangrijke mate bijgedragen tot het verhaal dat thans kan worden ingevuld.
Dat het Gentse Prinsenhof meer is dan de geboorteplaats van Keizer Karel of het oord van verdoemenis waar de Gentenaars stroppendragers werden, is voor veel stadsbewoners al lang duidelijk. Het latere Prinsenhof is immers gegroeid uit een burggrafelijk mottekasteel, de Wal of het Hof ten Walle, dat in 1231 voor het eerst wordt beschreven maar dat toen al enkele decennia bestond. Het opperhof van dit mottekasteel, in de 17de eeuw bekend als tuineiland, is te situeren onder de Simon de Mirabellostraat en de huizen ten zuiden van die straat. Het omwalde voorhof, ten noorden daarvan, ontplooide zich tot een prachtige vorstelijke residentie in de late 14de en de 15de eeuw. Dit paleis, thans te vatten binnen het bouwblok van Simon de Mirabellostraat, Prinsenhofplein en Sanderswal, omvatte behalve een hoofdpoort, ook woonvleugels met de appartementen van de graaf/hertog en van de gravin/hertogin, de grote zaal of audiëntiezaal, de daarnaast gelegen kamer of ‘antisale’, de kapel, het oratorium of de privékapel van de vorsten en de nutsgebouwen, waarbij de stoven een belangrijke plaats innamen. Talrijke geschreven bronnen, die voor het eerst grondig werden ontleed door historicus Daniel Lievois, leveren inlichtingen over het leven binnen dit paleis en zijn afhankelijkheden zoals de beroemde leeuwenhof. De aanwezigheid van Filips de Goede, de grote bouwheer van het Hof ten Walle, en van vorstinnen als Isabella van Portugal, Margareta van York en Maria van Bourgondië, heeft een duidelijke stempel gedrukt op het met veel torens bekroonde paleis ‘naast Gent’.
De ontwikkeling van het Hof ten Walle is niet te begrijpen zonder de geschiedenis van de ‘verkavelingen’. In het tweede kwart van de 14de eeuw privatiseerde Simon de Mirabello heel wat randgebied. De bebouwing langs de Abrahamstraat (noordzijde), het Sint-Elisabethplein, het Zilverhof, de Pluimstraat, de Varkensstraat en de Tinnenpotstraat maakt deel uit van deze geschiedenis. In 1649 stootten de vorsten het zuidelijke deel van het Prinsenhof af: de ongeschoeide karmelieten wisten een belangrijk deel te verwerven en bouwden er een klooster met hoofdingang aan de Burgstraat. Het kerneiland kwam in 1777 onder de hamer. Met de Gentse methode van huizenonderzoek kon bouwhistoricus Guido Everaert ontrafelen welke Prinsenhofgebouwen tot fabriek werden omgevormd en aangepast. In dit deel van het verhaal passen ook de vele huizen die vandaag het stadsbeeld van het Prinsenhof bepalen en de oudere paleisdelen verborgen houden.
Hoewel. Door de steeds verdergaande verkaveling tijdens de jongste decennia, vaak het gevolg van onwetendheid over wat bij sloop en nieuwbouw verdwijnt, is het voortbestaan van het Gentse Prinsenhof, grotendeels zonder enige vorm van bescherming, geen evidente zaak. De thans verworven kennis wordt daarom gebundeld in een boek “Het prinselijk Hof ten Walle in Gent”.
Nu is daar de vzw Klemenswerk is gevestigd, het oudste nog bestaande opvangtehuis voor daklozen (oorspronkelijk was het van de paters redemptoristen: een pater sliep tussen de mannen- en de vrouwenafdeling aan weerszijden van de poort). In de aanloop naar het fameuze Keizer Kareljaar, met name dus in 1999, was het trouwens een opvang voor de Slovaakse zigeuners waarover toen zoveel te doen was.
Karel was de eerstgeboren zoon van Filips de Schone en Johanna van Castilië, erfprinses van Castilië en Aragon, ook wel bekend als “Johanna de Waanzinnige” en niet “Johanna met de pruik” zoals sommigen schijnen te denken (1). Gent, de grootste stad van de Nederlanden, was “vol vreuchden in alder manieren”. Zo dichtte Lieven Bautken, toenmalig dichter-secretaris van de rederijkerskamer Sinte Barbara.
Dit koningskind zette het Bourgondische geslacht in mannelijke lijn verder. Nochtans was de vrouwelijke lijn veel interessanter. Zijn kunstzinnige tante Margareta van Oostenrijk b.v. of haar opvolgster als landvoogdes, Maria van Hongarije, de jongere zus van Karel, eveneens meer belezen en wellicht zelfs een aanhangster van de Lutheraanse leer, die door haar broer werd bestreden.
Het feit dat Karel in de Nederlanden en meer bepaald in Gent was geboren, gaf onze gewesten hoop op een nieuwe toekomst.
Vijftien jaar later lagen de kaarten reeds totaal anders. Bij zijn “Blijde Intrede”, waarin normaal de privileges van de stad worden vastgelegd, die dan in ruil zijn aanhankelijkheid betoont, trad de jonge Karel deze gewoonte met de voeten door bepaalde privileges niet langer te erkennen (het zogenaamde Kalfsvel). Toen al werden twee opstandelingen terechtgesteld.
Door allerlei omstandigheden was Karel V aan het hoofd komen te staan van een rijk “waar de zon nooit onderging”. Zelfs al was dit een courante benaming in die tijd en ook al waren met name de Ming-dynastie in China, de Mogols in Indië en zelfs het Ottomaanse Rijk belangrijker dan het rijk van Karel, dan nog was het bijna onmogelijk om de eenheid binnen dit reusachtige rijk te bewaren. Vooral de ligging van Frankrijk met een machtige François I aan het hoofd (de bouwer van de kastelen aan de Loire) maakte dit bijna onmogelijk. In Engeland had Henry VIII dan weer andere problemen aan het hoofd…
De Nederlanden waren een belangrijk wingewest geworden voor Karels geldverslindende machtspolitiek. Het centrale gezag bleef groeien en moest bijna onvermijdelijk in botsing komen met het politieke en juridische zelfbestuur van grote steden zoals Gent. In 1540 was het zover. De Gentenaars weigerden de “bede” om nieuwe belastingen (om zijn oorlog tegen François I te financieren). Karel V kwam zijn opstandige geboortestad persoonlijk straffen. Merkwaardig: François I, de man voor wie het geld nodig was, wilde hiervoor uitzonderlijk maar graag doorgang verlenen over Frans grondgebied omdat ook de Fransen nog met het oproerige Gent te maken hebben gehad. De lieders van de Collatie (de Grote Raad, een volksvergadering) werden geëxecuteerd omdat zij publiekelijk het Kalfsvel hadden verscheurd en opgegeten. De nieuwe grondwet, de Concessio Carolina, betekende het definitieve einde van de middeleeuwse zelfstandigheid van Gent. In het Prinsenhof verschenen Gentse oproerkraaiers voor hun keizer met de strop om de hals. Deze vernedering verklaart wellicht waarom Karel V na bijna vijf eeuwen voor zijn geboortestad een controversiële figuur is gebleven.
Nochtans was Karel niet de “uitvinder” van het stroppendragen. Filips de Goede had hem dit na de Slag van Gavere (1453) reeds voorgedaan. En ook Maximiliaan van Oostenrijk had het opstandige Gent reeds tweemaal moeten belegeren.
Het gekke is dat Karels vieze humeur misschien ook nog op een andere manier te verklaren is. Een jaar eerder schonken de Tempelridders van Malta hem een beeldje van een valk van onschatbare waarde, aangezien ze helemaal was ingelegd met juwelen. Ze deden dit om hem te danken voor hun erkenning van onafhankelijkheid. Op weg van Malta naar Spanje werd het schip echter door piraten overvallen en verdween het kostbare beeldje. Het dook pas op in 1941 in de film “The Maltese Falcon” en het bleek dan nog een namaak in lood te zijn.
Keizer Karel liet ook de indrukwekkende benedictijnerabdij van Sint-Baafs, die zeer strategisch was gelegen aan de samenvloeiing van Leie en Schelde, plaats maken voor een Spaanse citadel, net zoals hij dat in Utrecht deed met Vredeburg. In de 19de eeuw werd het Spanjaardenkasteel echter ontmanteld en verrees de oude abdij uit haar as. Ondertussen had Karel de monniken van Sint-Baafs wel laten “deporteren” naar de Sint-Janskerk, die vanaf dan dan ook de Sint-Baafskathedraal werd.
Hoe dan ook, met zijn ingreep maakte Karel wel een einde aan Gent als wereldstad. Door de beperkende maatregelen werd ze willens nillens teruggebracht op het niveau van een provinciestad. Anderen voeren echter aan dat hij Gent (o.a. met de Sassevaart, wat later de basis zou vormen van het kanaal Gent-Terneuzen) de moderne tijden heeft binnengeloodst, want die privileges van de gilden waren uiteraard nog een erfenis uit de middeleeuwen. Daarop voeren anderen (zoals prof.Georges Declercq van de VUB) dan weer aan dat het nog tot het einde van de negentiende eeuw zou duren vooraleer er weer instellingen werden gecreëerd die even democratische waren als de Collatie en dat Karel enkel economische welvaart bracht en dan nog louter voor een bepaalde kaste. Hij installeerde als het ware een “duale maatschappij” avant la lettre. Er waren zelfs zoveel bedelaars in Gent dat de “opstandelingen” hem nog hadden aangeboden om deze naar de oorlog tegen Frankrijk te sturen i.p.v. de belasting die Karel daarvoor wilde heffen.
Ook tientallen aanhangers van het protestantisme (vaak boekhandelaars) belandden op de brandstapel, vooral na het Bloedplakkaat van 1550 (al waren dat in Gent vaker anabaptisten dan lutheranen). Als ze “tot inkeer kwamen” kregen ze een “mildere” dood. Bij de mannen was dat dan onthoofding, de vrouwen werden levend begraven. Zeker bij deze laatste straf kan men zich afvragen of dit “milder” was (2). Vandaar dat men vaak de beul omkocht om de slachtoffers eerst te doden. Dat deed die dan door in de kuil op het hart te springen. (Dat gebeurde overigens ook door wurging op de brandstapel onder het mom dat hij ging nakijken of de veroordeelden wel goed gekneveld waren. Voorwaarde was wel dat zij eerst echter eens goed gilden, want daarvoor waren de vele belangstellenden toch gekomen. De beulen mochten officieel als bijverdienste trouwens beenderen van de veroordeelden verkopen.)
In 1555 trekt Keizer Karel zich terug uit de actieve Europese politiek. Hij voelt zich mislukt in zijn ambitie als keizer van het Heilige Roomse Rijk om Europa duurzaam te verenigen én te verdedigen tegen de protestanten en de islam. Het klooster La Sisla in het Spaanse San Jerónimo de Yuste, niet ver van Toledo, zal het decor vormen voor zijn laatste levensjaren. Hij heeft er alle tijd om terug te blikken op zijn leven. Het kleine Hiëronymieten-klooster wordt zijn plek van bezinning, reflectie en vrome devotie. Maar ook van ziekte, pijn en dood.

Ronny De Schepper

(1) Een toespeling op een grappige anekdote die wordt toegeschreven aan een anonieme student die examen moest afleggen bij prof.Adriaan Verhulst. Verhulst, die bij buitenstaanders misschien wel het best gekend is als de kale voorzitter van de Raad van Bestuur van de toenmalige BRT, had zich toen pas een pruik aangeschaft. Toen de student het antwoord op de vraag “wat is de bijnaam van Johanna, de moeder van Keizer Karel?” schuldig bleef, dacht prof.Verhulst hem een beetje te helpen door opzichtig tegen zijn slaap te tikken. Waarop de student opgelucht uitriep: “Johanna met de pruik!”
(2) Een schitterende variante hierop werd opgevoerd in het nochtans populaire (en dus zogezegd “low brow”) feuilleton “Lost” (aflevering gezien op 15/10/2007 op VT4): waarin een koppel, bezeten door de zoektocht naar een stel diamanten, elkaar zo de duivel aan doet dat ze op de duur allebei worden gebeten door een spin die tijdelijke verlamming veroorzaakt. Als ze dus door de andere eilandbewoners worden gevonden, lijken ze “dood” en worden voorbereidselen getroffen om te worden begraven. Precies bij de laatste spadesteek, opent de vrouw (de drijvende kracht achter de wandaden) de ogen, maar ze is nog zo verlamd dat ze geen woord kan uitbrengen: ze wordt dus levend begraven. Een schitterende vondst, Edgar Allan Poe waardig.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.