De reeks die uitgeverij Elsevier in 1986 startte onder de titel « Waar is de tijd » krijgt met de drie tot nu verschenen delen ruime belangstelling. Het zijn semidocumentaire werken, geschiedenis van de kleine man, waarin anekdote en historie samengaan. Zoals Vic De Donder in het eerste deel « Kom eens naar mijn kamer; een halve eeuw collegeleven in Vlaanderen » het opzet van zijn boek beschermt: « …geen geschiedenis, evenmin een historische schets of een schildering van sociale toestanden… Zoek er een sfeerbeeld in, een nostalgische terugblik, een brok geobjectiveerde melancholie, kwistig gelardeerd met anekdotes en verhalen. »

Het derde deel, eveneens van zijn hand, « En we zijn er van de klas; soldatenleven in het Belgische leger na ’45 », schermt De Donder af met de woorden « …geen geschiedenis, van het leger noch van de dienstplicht na de Tweede Wereldoorlog. Daarvoor is het materiaal te fragmentair en het is niet wetenschappelijk bewerkt. » Gek is hij helemaal niet, Vic De Donder, hij weet wel waar het schoentje knelt van deze onder peterschap van Gaston Durnez opgezette serie. En hij neemt de kritiek elke stok uit handen.
Hoewel. Je hoeft met het opzet, waarin Elsevier geslaagd is, niet tevreden te zijn. Geschiedenis is sedert kort niet meer de geschiedenis van ‘belangrijke’ gebeurtenissen, het verhaal van grote mannen, de opsomming van data. Geschiedenis kreeg een sociale achtergrond, werd het verhaal van economie en politiek, van de mens die zich tracht te handhaven. Geschiedenis is evenmin de droge materie. Een biografie, in meerdere of mindere mate geromanceerd; faction; het documentaire verhaal… er duiken zoveel vormen van ‘geschiedenis’ op waarmee de wetenschapper al dan niet tevreden mag zijn.
Essentieel daarin is het feit dat steeds meer de betekenis van de mens op de voorgrond treedt. En dat wordt in reeksen als ‘Waar is de tijd’ bijzonder goed aangevoeld. De belangstelling heeft zich verlegd. Elsevier wil bepaalde facetten van het leven in Vlaanderen gedurende de laatste vijftig jaar in een leesbare vorm aan een ruim publiek presenteren. Nostalgie, het verhaal aan de haard; enerzijds wordt ingehaakt op een nieuwe vorm van geschiedschrijving, anderzijds vult men een leemte: de volksverteller, grootvader met de pijp en met de fantastische anekdoten behoort tot een verleden dat teruggedrongen werd door andere waarden en normen en door een ander leefritme. Terwijl de hang naar nostalgie, naar het verhaal over het nabije verleden toch sterk bleef. Zo sterk dat van ‘Kom eens naar mijn kamer’ maar liefst 10.000 exemplaren in een half jaar tijd over de toonbank gingen; en dat het Mechels Miniatuurtheater zich over een toneelversie bezon.
ANEKDOTISCH
De Donder blijft in beide boeken zeer anekdotisch. En die anekdoten over college én over het leger zijn dan nog zeer bekend of voorspelbaar, en weinig passionant verwoord. Als de auteur soms kritiek formuleert, dan blijft die toch mild tenzij hij individueel en concreet is. Echte duiding ontbreekt, politiek-sociaal b.v., of wanneer De Donder een hoofdstuk wijdt aan superiors en directeurs krijg je niet te lezen hoe die aan hun job raakten. De klacht over de geringe betaling van de priester-leraar, met voorzichtige link naar de priester-arbeider en naar het klerikaal leeglopen van de scholen, krijgt geen diepte wanneer je niet verneemt hoe de kerkelijke hiërarchie de pot verdeelde en de poulains in rijke parochies onderbracht. Het kasteverschijnsel in college én leger blijft een summier verhaal bij De Donder.
Ook psychologisch en sociologisch zal je geen diepte vinden. Hoe nefast was de nawerking van de terreur in vele scholen, of de afschildering van de helft van de mensheid als een vleesgeworden duivel, hoeveel seksuele en andere frustratie groeide in zo’n college? En welke andere verleiding spreekt uit de titel, wat gebeurde er in bepaalde kamers? De Donder vermeldt weliswaar soms vormen van sadisme en wreedheid maar verzuimt (vermijdt) op dergelijke onderwerpen, die helaas een even belangrijk facet zijn als de collegevoeding het fenomeen van de subregenten, de spotnamen, echt in te gaan.
« Talloze jonge, gezonde mensen werden door priesters — ter wille van de eigen wurgende angsten en met de allerbeste bedoelingen weliswaar, voor de rest van hun leven verminkt ». Een scherpe zin die een uitgangspunt zou moeten zijn voor fundamentele commentaar. Dat is evenwel niet de bedoeling van de Elsevier-reeks, dat mag duidelijk zijn. Hooguit wat spot, sarcasme zal De Donder nog spuien over college en zeker over het leger, dat daarvoor een dankbaar onderwerp is. ‘Waar is de tijd’ bewaart de herinnering, zal wie het meemaakte en het zonder teveel frustratie overleefde, eens laten glimlachen. Wie het van veraf bekijkt zal er mogelijk zeer meewarig het hoofd bij schudden

83 cas goossens

CAS GOOSSENS: LIEVER DE DORPSIDIOOT DAN DANIEL BUYLE
Dat geldt ook voor het tweede deel in de serie, geschreven door administrateur-directeur-generaal van de BRT, Cas Goossens : « Bij ons in ’t dorp; landelijk leven in Vlaanderen een halve eeuw geleden ». En bij zo’n titel moet ik niet meer vertellen waarover Goossens handelt. Behalve een interessant hoofdstuk over de diamantslijperij, waar de auteur de nodige economische en sociale duiding geeft, blijft ook dit werk hangen in gratuite verhaaltjes met de geur van mest, de meikever en De Witte.
Wel leer je nog dat, volgens Cas Goossens, politiek in het dorp enkel katholiek én Vlaams was. En als er al een oppositie bestond, en zodoende het triumviraat pastoor, dokter, notaris uiteenviel, dan ontstond er toch enkel een folkloristisch clubje, de Geuzen : wel liberaal-links (sic) maar toch trouw naar de kerk. Belangrijkste fenomeen in het Dorp van Cas is zodoende het ontstaan van een nieuwe fanfare. Dat is weer eens iets anders dan die « riooljournalistiek » van Daniël Buyle! Cas Goossens zweert liever bij de folkloristische dorpsidioot.

90 stout of choc

STOUT?
Precies wegens dat anekdotische karakter, nemen wij de gelegenheid te baat om nog heel even terug te komen op de reeks over « de stoute jare n» die wij eerder dit jaar hebben gepubliceerd. We stonden daarmee immers niet alleen en her en der schoten de gelegenheidspublicaties dan ook als paddestoelen uit de grond. Eén daarvan, uitgegeven door Lannoo dan nog wel, draagt simpelweg de titel « De stoute jaren » en wil verhalen over « het studentenprotest in de jaren zestig ».
« In de beste traditie van twintig jaar terug », zo staat er, « is dit boek het werk van een collectief ». Louis Vos schreef een inleidend essay en Mark Derez, Ingrid Depraetere en Wivina van der Steen gingen op zoek naar materiaal dat zij chronologisch ordenden en slechts hier en daar van « duiding » voorzagen. En, u had het al geraden, precies hierdoor past deze uitgave (228 blz.) in dit overzichtje. Want, om het alweer in de woorden van de schrijvers te stellen, « het is een gelegenheidspublicatie die in een recordtempo is klaargestoomd » en « ongetwijfeld draagt ze daar sporen van ». En de auteurs gaan in één ruk door met de verontschuldigingen: noch de verbolgen universitaire overheden, noch de losbollige oproerkraaiers voelden enige neiging om pamfletten, muurkranten, affiches… te bewaren. Gevolg : bronnen om uit te putten zijn schaars. Vooral Gent en Luik laten te wensen over, zo stellen zij.
Wat een ontgoochelende vaststelling ! Bij het nachecken van de curricula van de samenstellers, blijkt dat met moeite de helft van het collectief tot « tijdgenoten » van de stoute jongens en meisjes kan worden gerekend. De twee anderen zijn zelfs nog jonger ! Hebben deze bollebozen dan nog nooit van orale geschiedenis gehoord? Toch dé must van de jongste jaren !
Maar misschien denken zij dan net als de meeste mensen aan het interviewen van een paar overlevende IJzersoldaten, waarbij dan op de televisie ondertiteling nodig is, ofwel omdat het West-Vlamingen zijn, ofwel omdat ze geen tanden meer hebben, en in de meeste gevallen gewoon een combinatie van beide. Nochtans zouden gesprekken met Gentse voormannen als Renaat Willockx, Armand Sermon, Johan Pieters, Rita Verbanck, Erkki Liukki, Jan Dekkers, Chantal De Smet, Kathy Cornelisse, Joke De Leeuw, Guido Van Meir, Herman Vermeulen, Jan Van Kerkhoven, Frank Winter, Kris De Bruyne, Mong Rosseel e.v.a. veel relevante, interessante en vooral ple-zante stof opgeleverd hebben. Zelf hebben we daartoe een aanzet trachten te geven, maar een artikel heeft natuurlijk oneindig veel meer beperkingen dan een boek. Hou ons tegen of we beginnen er zelf nog aan !
Het grappigste is echter dat u nu stilaan natuurlijk begint te denken dat wij dit een kloteboek hebben gevonden. Welaan, neen. Al die verontschuldigingen in acht genomen is het boek zelfs nog een meevaller. Ten eerste is er nu eenmaal de zo noodzakelijke inventarisering die hier dan toch is gebeurd. Bovendien vinden we het uitgangspunt « waarin de evolutie in eigen land geplaatst wordt tegen de internationale achtergrond » het enige juiste en als klap op de vuurpijl kunnen we ons ook met de « afbakening in de tijd » akkoord verklaren. « We openen in het expojaar 1958, tevens het jaar van de Cubaanse revolutie, » schrijven de samenstellers, « en sluiten af in 1975, toen het crisisspook opdook en de rode dageraad de jongere generaties minder ging bekoren. »
Maar het meest van al werden we dan nog bekoord door de weergave van de zogenaamde « tijdsgeest » zoals die hier en daar uiteindelijk toch nog doorsijpelt, alle beperkingen ten spijt. Een onverlaat heeft b.v. reeds verklapt dat hier de mythe van de mooie Trotskistische vrouwen eindelijk geëntmythologisierd wordt, maar dan wel in de betekenis dat het geen mythe maar realiteit blijkt te zijn. En in één ruk door (zeg dat wel) kunnen we ook de commentaren over de « vrije(re) seks » en de fuifcultuur aanhalen. Om dan nog over de « Revolutionaire Assistentenliga » (blz. 202), de studentenrestaurants en de « gemengde koten » te zwijgen. De « kleine politiek » kortom. Leuk.
En natuurlijk kan iedere lezer vanaf een bepaalde leeftijd een potloodje ter hand nemen en overal de acties aanstippen waarin hij of zij betrokken was. Als geheugensteuntje voor later. Voor als de televisie een tandenloze West-Vlaamse oudstrijder komt interviewen: « In mijn tijd… »

Referenties
Louis Vos e.a. De stoute jaren. Lannoo, Tielt, 1988. 228 blz., 64 ill.
Vic De Donder. Kom eens naar mijn kamer. Elsevier, Brussel, 1986. 192 blz., 32 ill., 495 fr.
Cas Goossens. Bij ons in ’t dorp. Elsevier, Brussel, 1986. 160 blz., 32 ill., 495 fr.
Vic De Donder. En we zijn er van de klas. Standaard, Antwerpen, 1988. 269 blz., 40 ill.
Johan en Jan De Belie-Segers, De prijs van de nostalgie, nr.37 van 1988

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.