Het is vandaag ook 25 jaar geleden dat de Duits-Vlaamse filmregisseur Edith Kiel is overleden. Zij is vooral bekend van “De Witte”, al werd de film aan de man waarmee ze samenleefde, Jan Vanderheyden (1890-1961), toegeschreven, evenals de rest die erop volgde.

Edith Kiel was afkomstig uit de UFA-studio’s, waarmee ze had kennisgemaakt dankzij haar klasgenote Lillian Harvey. Als ik me niet vergis, is dat ook de hoofdvertolkster van “Zwei Herzen im Dreivierteltakt”, een film uit 1930, waardoor Kiel met Vanderheyden in contact is gekomen (*). Die importeerde namelijk Duitse films in België en Kiel verkocht hem deze film.
15 edith kiel en jan vanderheydenEen jaar later draaiden Vanderheyden-Kiel “Uilenspiegel leeft nog”, eveneens naar Ernest Claes, die tevens geldschieter was, al was hij niet tevreden over de verfilming van zijn “Witte”, maar het was wél een goede investering natuurlijk! (**)
Datzelfde jaar (1935) dus draaiden Kiel en Vanderheyden ook nog “De wonderdoktoor” naar het successtuk van Jos Janssen uit 1927. Dr.Steven Martens gaat in een buitenhoek van Vlaanderen werken waar het bijgeloof nog welig tiert. Hij slaagt er dan ook niet in het vertrouwen van de mensen te winnen, die blijven liever geloof hechten aan de kwakzalver Dokus. Dr.Martens is dus zeer arm en logeert bij een boerenfamilie. Daar wordt hij verliefd op de dochter Tea en om dat prille geluk wat meer wind in de zeilen te geven, strooit vader Manten het gerucht rond dat zijn dochter verloofd is met een wonderdoktoor. Op die manier krijgt Dr.Martens dan toch meer klanten. De ultieme doorbraak komt er wanneer Dokus, doodziek, door de dokter wordt genezen.
Op 6 augustus 1940 legt de Duitse bezetter de programmastructuur van elke voorstelling vast: steeds een voorprogramma met een documentaire film, de actualiteitsbeelden van de UFA-Wochenschau en pas dan de speelfilm. Dus geen “double billing” om het escapistische effect van het cinemabezoek tot een minimum te beperken. Vandaar ook kritiek op een vorm van filmconsumptie als “gecommercialiseerde passiviteit” (***).
Datzelfde jaar draait het koppel Vanderheyden-Kiel “Janssens en Peeters, dikke vrienden” en “Wit is troef”, gevolgd in 1942 door “Antoon, de flierefluiter” waarvoor Felix Timmermans het scenario schreef, ’t is te zeggen: hij schreef het hele verhaal op één bladzijde en gaf het aan Kiel om verder uit te werken. Deze flierefluiter haalde toch de filmgeschiedenis omdat hierin de eerste naaktscène uit de Vlaamse filmgeschiedenis voorkomt, namelijk een meisje dat halfnaakt poseert voor een schilder (Antoon zelf allicht).
Maar de successtory was toen al voorbij. “Gelukkig” was er echter de oorlog, waarin het echtpaar Vanderheyden-Kiel de kans zag om het laken naar zich toe te trekken. “Gewoon uit opportunisme,” zegt Gisela, de dochter van Edith uit haar eerste huwelijk, “niet uit overtuiging”. Maar hoe overtuigingsloos kun je zijn, als zelfs Ernest Claes (toch ook geen onverdachte “witte”) omgang begint te vermijden omdat Kiel opzichtig met een hakenkruis loopt te pronken?
Philippe Van Meerbeeck (maker van een documentaire over het paar) in Knack Agenda van 12/6/1999: “Tijdens de bezetting werd Vanderheyden door zijn collega’s van de Belgische Syndicale Kamer voor Films uitgeroepen tot voorzitter, niet zozeer omwille van zijn kwaliteiten maar voornamelijk omdat hij dankzij zijn Duitse vrouw goede contacten had met de bezetter. Ook de Duitse propagandamachine maakte gretig van hem gebruik. Zelf deed hij ook zijn voordeel, want tijdens de oorlog was 80% van de hier gedraaide films van Duitse makelij en hij was de enige die ze kon verdelen.”
In samenwerking met de Duitse bezetter werd ook “De vlaschaard” (Boleslav Barlog, 1943) gedraaid (Duitse titel: “Wenn die Sonne wieder scheint”), overigens met dezelfde cameraman als voor “De Witte” (Ewald Daub). Stijn Streuvels was hiervoor oorspronkelijk niet te vinden, maar hij werd gepaaid met een Vlaamse versie met de oorspronkelijke titel, met daarin enkele Vlaamse volksliederen door boeren op het veld gezongen en, last but not least, met een cameo-rolletje voor hemzelf. De ideologie van het nazisme schreef wel voor dat christelijke elementen (zoals een kruisteken maken boven het zaaigoed) dienden te worden geschrapt en vooral dat de film een positief einde moest hebben. In plaats van zijn zoon dood te slaan, verzoent boer Vermeulen zich dus op Louis’ ziekbed met zijn zoon en zelfs met diens oorspronkelijk ongewenst lief Schellebelle. Men mag er dus van uitgaan dat Louis en Schellebelle uiteindelijk de vlasakker zullen beheren en “de toekomst lacht hen toe” (“die Sonne scheint wieder”). Het dient wel gezegd dat Stijn Streuvels, in tegenstelling tot zijn confraters Felix Timmermans en Ernest Claes, niet is ingegaan op het “verzoek” van de bezetter om in Duitsland “een filmcursus” te gaan volgen. Zelfs op de première van de Vlaamse versie in Gent bleef hij afwezig. (****)
Na de Tweede Wereldoorlog lanceerden de VSA in Europa het Marshall-plan, een steunprogramma om het geteisterde Westen economisch te ondersteunen bij de wederopbouw. In ruil daarvoor kreeg Noord-Amerika politiek en economisch meer greep op Europa. Wat België betreft, betekende dit onder meer dat de Belgische autoproductie, o.m. van de succesvolle Minerva moest stoppen en dat er ook geen sprake mocht zijn van een eigen filmindustrie. De cineast Henri Storck, die eraan dacht deze op te richten, mocht zijn droom opbergen. Zo werd the American Way of Life, later de Coca Cola-cultuur genoemd, geïntroduceerd. In België zocht de bevolking na de oorlog soelaas in een vloedgolf van Amerikaanse films die levensvreugde uitstraalden. Glitter, glamour en valse romantiek dropen van het witte doek in een land met verhoudingsgewijs het grootste aantal bioscopen ter wereld. (*****)
De eerste Vlaamse film die na de oorlog werd gedraaid (1945) was “Baas Gansendonck”, geschreven, geregisseerd en geproduceerd door Gaston Ariën (1907-1988), de stichter van de Philharmonie van Antwerpen en het Internationaal Theaterfestival van Antwerpen, die tijdens de oorlog in de filmbusiness actief was als productieleider bij het dubben van Duitse films. Robert Marcel (pseudoniem voor Robert Houtmans, 1900-1987) speelde het legendarische personage dat werd gecreëerd door Hendrik Conscience en Luc Philips was zijn knecht Kobe. Het was echter een commerciële flop en Ariëns keerde terug naar zijn andere activiteiten.
In 1946 draaide Jan Van Roy (1927-1988) “God schiep de mens”, een neorealistisch drama dat als de voorloper van het minimalisme kon worden bestempeld en dus uiteraard flopte dat het geen aard had. Twintig jaar lang zou Van Roy in alle eenzaamheid aan de opvolger werken, het autobiografische “De grote eenzaamheid”. Dan nog geraakt hij niet klaar met het geluid. In 1987 wordt daarvoor een afwerkingspremie aangevraagd bij de selectiecommissie, maar nog voor de uitspraak sterft Van Roy “in grote eenzaamheid”…
Na de oorlog had Vanderheyden nattigheid gevoeld en was gaan lopen naar Berlijn. Toen hij in 1949 terugkwam, werd hij eerst tot dertien jaar, en in beroep tot tien jaar gevangenis veroordeeld waarvan hij er drie effectief heeft uitgezeten. Weer vrij was hij een geruïneerd en gebroken man, en vroegere vrienden als Ernest Claes, die zelf door het gerecht werd lastiggevallen maar de dans kon ontspringen, lieten hem vallen als een baksteen.
Edith Kiel probeerde wel scenario’s te schrijven voor Duitse films, maar die werden nooit verfilmd. Wel kwam zij nu meer op de voorgrond. Voordien opereerde ze nog in de schaduw van Vanderheyden, maar na de oorlog stonden alle films op haar naam en verdeelde zij ze ook. Logisch, want Vanderheyden was zijn burgerrechten kwijt en mocht dus geen firma meer leiden. Pikant detail: na de oorlog richt Kiel met de hulp van joodse geldschieters de Antwerpse Film Onderneming (AFO) op. Ze pikte de succesformule van de volkse films weer op en deed haar bedrijfje de volgende tien jaar als een goed geoliede filmmachine draaien. Zonder overheidssteun was ze dag en nacht in de weer, en monteerde vaak zelfs tot op de avond van de première. Eén keer startte een film zelfs zonder dat de laatste bobijn klaar was, een mislukte gok die weliswaar door het enthousiaste premièrepubliek op applaus onthaald werd. Pionierstijden die je nu niet meer voor mogelijk houdt.
De jonge wolven uit de opkomende flimindustrie keken niet bepaald positief tegen Kiel aan. Kiel had dan ook overal een vinger in de pap te brokken. Toen in 1952 de zogenaamde taxatie‑maatregel werd uitgevaardigd (waarbij de ‘vermakelijkheidsbelasting’ aan de maker en verdeler werd teruggebetaald), was Kiel de eerste om daarvan te profiteren.
Antwerpen was op dat moment (in 1949 om precies te zijn) overigens de stad met het meeste cinema’s ter wereld! Ene Arnold Frank draaide zowaar de eerste “clips” met Vlaamse schlagers die als voorprogramma werden gespeeld om de verkoop te bevorderen. Eén van die vedetten, die zelfs in de Verenigde Staten doorstootte, was Pola Cortez (1911-1990), alias Rosa Cortens. Ze trad ook op in verscheidene Vlaamse films van het duo Vanderheyden-Kiel, zoals “Alleen voor u” (1935), “Uilenspiegel leeft nog” (1935), “Drie flinke kerels” (1938) en “Rendez-vous in het paradijs” (1957). Drie jaar daarvóór was er nog “De hemel op aarde” met het duo Charel Janssens en Co Flower, maar in deze film speelden ze uitzonderlijk eens niet man en vrouw, maar Charel was de vader van Alex (Jan De Vel) en Co de moeder van Yvonne (Irène Beval), een koppel dat op trouwen stond. Tijdens zijn legerdienst in Keulen had Alex echter wat gerotzooid met een cabaretzangeresje (Lina Cora) en die dreigt nu roet in het eten te gooien. Charel wil dit gaan rechtzetten buiten het medeweten van zijn vrouw (Nini De Boël) maar de drank in de nightclub doet zijn werk en even ziet het ernaar uit dat Charel de nacht heeft doorgebracht met niet één, maar zelfs twéé zangeressen (de tweede wordt gespeeld door Ivonne Lex). Bovendien is er ook nog een naamsvergissing in het spel, waardoor niet Charel maar Jaak Germain, zijnde de man van Co Flower in de film, van overspel wordt verdacht. Vandaar dus het antagonisme tussen Charel Janssens en Co Flower. Maar ik zal wel geen spoiler zijn, zeker, als ik zeg dat alles op een misverstand berust, zodat het huwelijk – dat wegens een “zo vader zo zoon”-redenering op de helling stond – alsnog kan plaatshebben in het café van Charel met de toepasselijke naam “De hemel op aarde”…
In de jaren vijftig waren er hier te lande nog andere komische films in dat genre, zoals “Ah! Qu’il fait bon chez vous” van Emile-Georges de Meyst met Bobbejaan Schoepen (1950), “Het banket van de smokkelaars” van Henri Storck (1951), “’t Is wreed in de wereld” en “De roof van Hop-Marianneke” van Joris Diels (1954), maar voor ons, leerlingen op katholieke scholen, waren er vooral de documentaires over Belgisch Congo van pater André Cornil (in samenwerking met Caltex). Zo konden we eindelijk ook eens blote tieten zien! Cornil draaide ook speelfilms die enkel voor de lokale bevolking bedoeld waren (“Au bord de l’abime”, 1954, “Terre d’espoir”, 1955, en “Le bonheur est sous mon toit”, 1956). Een andere pater Albert Van Aelst draaide met Mata-Mata en Pili-Pili zelfs een soort van zwarte “dikke en dunne”.
In 1955 draaide Paul Meyer (1920-2007), een oudgediende van de Spaanse Burgeroorlog en het Verzet, “Klinkaart” naar de novelle van Piet Van Aken.
In 1956 debuteerde Jef Bruyninckx, die bij Edith Kiel het vak van monteur had geleerd (en dat voornamelijk te gelde maakte als inkorter van B-films die als voorfilm moesten dienen), als regisseur met “De klucht van de brave moordenaar” naar het toneelstuk van Jos Janssen, datzelfde jaar nog gevolgd door “Vuur, liefde en vitaminen” met Charles Janssens, Julien Schoenaerts, Romain Deconinck, Gaston Vandermeulen, Co Flower en Dora Van der Groen. Dat jaar was er ook “Boevenprinses” van Edith Kiel met de Woodpeckers.
In 1957 draaide Bruyninckx “Wat doen we met de liefde” met Wies Andersen en de Woodpeckers. In 1958 situeerde hij “Het geluk komt morgen” in het decor van de Expo. Datzelfde jaar draaide hij ook zijn laatste film “Vrijgezel met veertig kinderen” met Bob Davidse als Nonkel Bob. Ter gelegenheid van de Expo draait Edith Kiel ook haar eerste (en enige) ernstige film “Het meisje en de Madonna”, voorbestemd om een flop te worden, zodat ze terugkeert naar wat ze wél kan.
Een jaar later debuteerde Gaston Berghmans zowaar met een “gewaagde” kusscène met zangeres Frieda Linzi in “Een zonde waard” van het duo Vanderheyden-Kiel. Maar toen was het eigenlijk al afgelopen. Er was al televisie vanaf 1953, maar het is vooral sinds de verslagen vanop de Expo ’58 dat het medium qua populariteit de film begon te verdringen. Bovendien werden de films van Kiel niet gedraaid op de televisie. Volgens haar had dit te maken met een incident dat teruggaat op 1952. Toen werd de film “Uit hetzelfde nest” zeer negatief gerecenseerd in de Gazet van Antwerpen. Vanderheyden was goed bevriend met Leon Van Dijck van Bell Telephone en deze belde woedend naar de hoofdredactie, zodat de redacteur werd ontslagen. Dat was dan Joz.Van Liempt die lange tijd de filmprogrammatie bij het NIR zou bepalen. Van Liempt is ook de vader van het subsidiëringssysteem dat vanaf 1964 is ingevoerd en dat eigenlijk tegen de volkse films van Kiel en c° wou ingaan.
Vanderheyden was overigens al in 1961 gestorven en Edith kon niet zonder Jan. Ze had in 1960 (toen Vanderheyden al te ziek was om mee te werken) nog twee films gedraaid, telkens met The Woodpeckers, maar dat ging haar niet af. “De stille genieter” was losweg gebaseerd op “The apartment” van Billy Wilder en “De duivel te slim” zelfs op diens “Some like it hot”, maar met wat een niveau-verschil! In deze laatste film vormen de Woodpeckers overigens geen komisch duo, die rol is weggelegd voor Gaston Bergmans en Jef Cassiers. Zijn broer Cois speelt wel een doofstomme Hongaarse violist, die later niet doofstom blijkt te zijn, maar het komische effect (als dat er al was) verdwijnt helemaal in de knoeiboel van een krakkemikkelig scenario, slechte klank en houterig acteerwerkt.
Volgens haar eigen zeggen (in “De Andere Sinema” van 8 april 1986) waren het nochtans de cinema-uitbaters die de boel beduvelden. Zo werden bijna al haar films zogezegd slecht ontvangen, terwijl kennissen die erheen wilden, getuigden dat ze niet binnen konden omdat de zalen uitverkocht waren!
Ook Denise de Weerdt die via de films van Kiel een enorme populariteit had verworven, haakte af in 1962 toen ze op de planken de rol van Eliza Doolittle in “My fair lady” kreeg toegewezen.
Intussen was er op televisie immers “Schipper naast Mathilde” dat in feite op hetzelfde stramien als Kiels films was gebouwd. Ze hield zich nog wat bezig met de verdeling van de oude films en overleed zelf in 1994. (Tussen haakjes de interviewers van het “linkse” Andere Sinema laten zich door haar vakkundig in de doekjes doen wat de oorlogsperiode betreft. Ongetwijfeld hadden zij geen weet van het geparadeer met hakenkruisen!)
Alleszins, in die tijd vóór de opkomst van de televisie ging men massaal naar de bioscoop. Maar toch had de “goede” (lees: de alternatieve, de progressieve, de geëngageerde…) film het moeilijk om een publiek te bereiken. Hier was er dus een taak weggelegd voor het sociaal-cultureel werk. Binnen de socialistische beweging waren er twee filmclubs die zich op dit terrein verdienstelijk maken: de Socialistische Federatie van Filmclubs en de Socialistische Filmactie.

Ronny De Schepper

(*) Ik heb me blijkbaar wél vergist, want op 14/9/2014 kreeg ik de volgende mail van Roel Vande Winkel: “Ik zag op je blog een stukje over “De Witte”. Kleine correctie: Harvey speelde niet in “Zwei Herzen…”. Ze had wel een goed relatie met Kiel. Meer informatie vind je in het nieuwe boek: http://www.cinematek.be/index.php?node=30&dvd_id=74&category=5″
(**) Ik heb tot nu toe niet kunnen achterhalen op welke basis Claes de verfilming van zijn geesteskind afwees. Misschien had het wel te maken met het feit dat de film de quotering… “kinderen NIET toegelaten” meekreeg? Dat was dan niet omwille van de bekende scène, waarbij de Witte in zijn blootje gaat zwemmen, maar wel omwille van “gezagsondermijnende” daden als een pen zodanig op de stoel van “de meester” leggen dat die in zijn achterste bleef steken.
(***) Jeanne de Bruyn in Volk en Staat, 9 augustus 1940.
(****) De hoofdrolspeler van de latere remake door Jan Gruyaert in 1983, René Van Sambeek, zou kort daarna zelfmoord plegen.
(*****) Wim de Poorter in Film nr.78, juni 2008.

Referenties
Steven De Foer, De vrouw die niet op de generiek mocht staan, De Standaard, 27 september 2014.
Leen De Moor, De enige echte “Witte” met Jefke Bruyninckx, Gazet Van Antwerpen, 24 oktober 1994.
Roel Vande Winkel en Ine Van Linthout, De Vlaschaard 1943, een Vlaams boek in nazi-Duitsland en een Duitse film in bezet België, Kortrijk, uitgeverij Groeninghe, 2007.
Roel Vande Winkel en Dirk Van Engeland, Edith Kiel & Jan Vanderheyden, pioniers van de Vlaamse film, Cinematek, 2014.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.