Voor Christel Van Dijck is zijn naam om een of andere reden totaal onuitspreekbaar, maar toch is Akira Kurosawa, die vandaag al twintig jaar geleden is gestorven, de bekendste Japanse regisseur. De verjaardag van zijn dood wil ik dan ook niet enkel aangrijpen om enkele woorden over hemzelf te zeggen, maar vooral ook een kort overzicht te geven van de filmgeschiedenis in Japan…

Kurosawa is waarschijnlijk Japans bekendste cineast, zeker in het westen mede doordat zijn films in Japan als westers geklasseerd worden. Zo zijn Kurosawa’s bekendste films gesitueerd in Japans feodale periode (van de 13e eeuw tot de 17e eeuw), maar toch is “Ran” (1985) een aanpassing van “King Lear” en zijn “Kumonosu-jo” (Troon van bloed) uit 1957 was dan weer een verwijzing naar “Macbeth” en De slechten slapen goed (1960) is gebaseerd op Hamlet. Omgekeerd waren zijn “Seven Samurai” de aanleiding om de western “The Magnificent Seven” te maken en Yojimbo vormde de basis voor een andere western A Fistful of Dollars. Zijn films hebben over de hele wereld een hele generatie filmmakers beïnvloed. Kenmerkend voor de films van Kurosawa is de diepmenselijke boodschap: zijn geloof in het goede in de mens en de dienstbaarheid. In 1970 begon hij aan een Hollywood-project: Tora! Tora! Tora! over de aanval op Pearl Harbour, met Toshiro Mifune, maar nog voor de film was voltooid liet 20th Century Fox Kurosawa vervangen door Kinji Fukasaku. Zijn volgende film Dodesukaden, over een groep arme mensen die rond een vuilnisbelt leven, was in Japan geen succes, waarna Kurosawa een poging tot zelfmoord ondernam, die hij overleefde. Hij ging door met filmen, en maakte: Dersu Uzala (1975), opgenomen en gefinancierd in de Sovjet-Unie. Zijn eerste film (Sanshiro Sugata) werd in 1941 uitgebracht; zijn laatste (Madadayo) verscheen in 1993. Slechts weinig filmregisseurs kunnen bogen op zo’n lange carrière. (Wikipedia)

In Japan draaide Kinugasa Teinosuke in 1926 “Kurutta Ippeji” (“A page of madness”): na een zelfmoordpoging als gevolg van de dood van haar baby wordt een jonge vrouw opgenomen in een instelling voor geestesgestoorden. Haar man, die niet van haar wil wijken, verzorgt en observeert haar als verpleger. Beetje bij beetje geraakt hij betrokken in het getormenteerde leven van de waanzinnigen en speelt hij een rol in een opstand in het asiel. Met deze film stond Teinosuke aan de wieg van de “art film” in Japan, toch geraakte de film verloren en werd pas in 1978 herontdekt. Hij werd meteen getoond op het Filmgebeuren, dat in 1994 de film nogmaals vertoonde, deze keer met live-muziek door het Blindman Kwartet.

In 1951 draaide Keisuke Kinoshita de eerste kleurenfilm in Japan (in Fujicolor). “Karumen kyoko ni kaeru” (“Carmen keert terug naar haar land”) gaat over de striptease-danseres Carmen, die met haar collega Maya terugkeert naar haar geboortestreek en de boeren daar van de wijs brengt met staaltjes van haar kunnen.
Met zijn film “Ugetsu Monogatari” (verhalen bij regen en maan) won de Japanse regisseur Kenji Mitzoguchi (1898‑1956) de zilveren leeuw in het filmfestival van Venetië (1953). Het begint een bewerking van twee verhalen uit de gelijknamige verzameling spookgeschiedenissen van de Japanse auteur Akinari Ueda (1734‑1809). Genjuro, een arme pottenbakker in het Japan van de 16de eeuw, wil kost wat kost een rijk man worden. Hij geraakt in de ban van de beeldschone adellijke dame Wakasa. Zij koestert een grote bewondering voor zijn werken maar zij blijkt echter een geest te zijn. Zijn schoonbroer Tobei, de boer, wil een machtig samoerai worden. Zijn droom wordt werkelijkheid, maar spoedig beseft hij hoe hoog de prijs wel is die hij hiervoor moet betalen. Daarna volgt er nog een bewerking van een vergelijkbaar verhaal van Guy de Maupassant.
In het sociale leven van het middeleeuwse Japan speelden badhuizen een belangrijke rol. Sommige daarvan waren halve bordelen en de meisjes ervoor moeten bij gebrek aan voldoende spontaan aanbod soms met geweld van het platteland weggeroofd worden. De film “Het badhuis van de zeven zaligheden” van Tan Ida uit 1968 handelt over een bende die niet alleen verse meisjes door razzia’s aanwerft, maar die bovendien de oudere, “afgedankte” meisjes nog eens doorverkoopt. De man achter de schermen is een hoge samoerai die tenslotte door een soort Japanse Robin Hood wordt ontmaskerd, uiteraard pas na een aantal spectaculaire gevechten. Door een aantal nevenintriges en de goed gedoseerde mengeling van actie en erotiek is het een film geworden die het zien waard is. Speciale vermelding verdienen de fraaie kleuren en de schitterende decors. Ook op erotisch gebied is er voor elk wat wils. Naast de in deze context onvermijdelijke verkrachtingen zijn er leukere dingen zoals een lesbische liefdesscène, een groot aantal blote schoonheden in het badhuis, een uitvoerige vrijpartij in de vrije natuur en bovendien een zelfbevrediging van een jong meisje dat stiekem wordt gadegeslagen door een van de ridders zonder vrees of blaam.
In 1970 wordt het boek “A dog of Flanders” (1872) van de Britse schrijfster Louise La Ramé (maar zij noemde zich De La Ramée of nog: Ouida) in Japan bewerkt tot een televisieserie van 52 afleveringen. Het is een gigantisch succes, wat ertoe leidt dat horden Japanners afzakken naar Antwerpen om er het beeld van het weeskind Nello en zijn hond Patrasche te komen bewonderen. Dat staat er echter helemaal niet, het boek zal zelfs pas in 1987 voor het eerst in het Nederlands verschijnen. Dan doet men maar een beroep op Studio Vandersteen, meer bepaald op Paul Geerts die in “Het dreigende dinges” (1984) echter een verkeerd beeld geeft. Nello wordt erin afgeschilderd als een droevig ventje en Patrasche als een onooglijke straathond. Terwijl Nello in de Japanse versie juist zeer levenslustig is en Patrasche een (zij het goedaardige) stoere loebas. Toch is het beeld in Hoboken geïnspireerd op de Vandersteen-versie.
In Hollywood waren er vóór de Japanse serie reeds drie films verschenen: in 1924 met Jackie Coogan, in 1935 met Frankie Thomas en in 1960 met David Ladd (de zoon van Alan). Zijn zus Cheryl speelde mee in de jongste versie (uit 1999) waarin Jeremy James Kissner de hoofdrol vertolkt. Ook Antje De Boeck, Jaak Van Assche en andere Vlaamse acteurs spelen hierin mee. In 1975 verschijnt er ook nog eens een tekenfilmversie.
De Japanse regisseur Nagisa Oshima scoorde in de jaren zeventig een schandaalsucces met “Het Rijk der Zinnen” (“Ai no corrida”). Dat kwam voornamelijk omdat voor het eerst in een “normale” film de hoofdacteurs elkaar echt penetreerden, zoals tot dan toe enkel in een pornofilm gebeurde. Eerlijk gezegd, ik ken sindsdien ook geen andere film uit het gewone circuit waarin dat te zien is. Dat wordt wel eens beweerd van films waarin een echtpaar in het dagelijkse leven ook een paar is in de film. Dat is dus een echt paar dat echt paart. Kim Basinger en Alec Baldwin in “The Getaway” b.v. Maar of dat nu waar is of niet, in tegenstelling tot bij Oshima wordt dat aan de kijkers niet expliciet getoond. Nu goed, ook los daarvan was “Het Rijk der Zinnen” zeker het zien waard (behalve voor Maria Rosseels die in “De Standaard” uitriep: “Dit is porno!”). De distribiteur bracht de volgende film van Oshima dan ook uit onder de titel “Het Rijk der Passie”, omdat hij dacht van op die manier nog eens langs de kassa te mogen passeren. Ondanks de misleidende titel bleek alras dat het hier om een “zuivere” kunstfilm ging (eigenlijk betekent de titel “Ai no borei” letterlijk “Het spook der liefde” en dat zegt veel meer over de film, die inderdaad over een vermoorde rikshatrekker gaat, die in het huis van zijn echtgenote, tevens moordenares, en haar minnaar komt spoken; ah ja, die mens moest voortaan immers zijn riksha zelf trekken!) en de belangstelling daarvoor bleek zo gering dat men de film nog zelden te zien krijgt.In Japan was in de jaren tachtig het zangeresje Yukiko Okada erg populair. Toen ze 18 was (toegegeven, redelijk oud om nog van een Lolita te spreken, maar haar gedrag wijst wél in die richting), werd ze verliefd op de 42-jarige acteur Toru Minedishi, die ze tijdens tv-opnames had ontmoet. Die had echter wel wat anders aan zijn hoofd en wees haar af. Daarop sneed ze eerst haar polsen over, toen ze tijdig gevonden werd, draaide ze dan maar de gaskraan open, maar toen ook deze poging verijdeld werd, sprong ze dan maar uit de zesde verdieping van het kantoor van haar manager. Op enkele maanden tijd doken 34 jongeren, meestal meisjes tussen 13 en 19 jaar, haar achterna…
Japanners zijn altijd al bezeten geweest van jonge meisjes. Zo zijn er de “chikan”, mannen die zich aftrekken op de overbevolkte treinen terwijl ze schoolmeisjes bepotelen, en in de jaren negentig kreeg men plots het fenomeen van de “burusera”-winkels, een samentrekking van “burumasu” (de slipjes, of zeg maar liever slips, die schoolmeisjes bij het turnen dragen) en “sera” (de matrozenpakjes die als schooluniform dienen). Vooral gebruikte slipjes gingen als zoete broodjes van de hand. Alhoewel er stilaan tegen “chikans” wordt opgetreden, kon dit allemaal tot nu toe nog min of meer door de beugel. De “kogyaru”-clubs daarentegen worden wel bestreden. Daar kon men voor veel geld meisjes in schooluniform gadeslaan of (voor nog meer geld) “er een koffie mee gaan drinken”). Het is evident dat er voor zoveel geld wel wat meer gebeurde, meestal overigens met de goedkeuring van de meisjes, die met de opbrengst dure kleren en luxe-goederen gingen kopen (heel iets anders dus dan de kinderprostitutie uit armoede in het nabijgelegen Thailand of de Filippijnen).
Die obsessie is niet echt te verklaren, aangezien Japanse (volwassen) vrouwen vaak een “kinderlichaam” hebben (toch in vergelijking met b.v. blanke of zwarte vrouwen). Misschien heeft het echter iets te maken met het feit dat in Japan een zwaar taboe rustte op het tonen van schaamhaar, taboe dat pas rond diezelfde tijd werd doorbroken door Kanako Higuchi in haar fotoboek “Waterfruit” (Asahl Press) en door Obitani Yuri in zijn film “The Hair Opera” (1994). Men zou b.v. kunnen veronderstellen dat men zozeer gewend is geraakt aan geretoucheerde naaktfoto’s van vrouwen zonder schaamhaar, dat dit “de norm” is geworden. Alhoewel men even makkelijk het omgekeerde zou kunnen beweren, zich dan beroepend op de lokroep van het “forbidden fruit”…
De Zilveren Beer was voor “Dorp der dromen” van de Japanner Yoichi Higashi, die ook de Gulden Spoor kreeg in Gent, waardoor-ie uiteindelijk toch in de bioscoop zal terechtkomen (de prijs is namelijk een distributiepremie).
Terwijl op het Gentse Filmfestival “Cyclo” van de Frans-Vietnamese regisseur Tran Anh Hung de grote prijswinnaar was, net zoals in Venetië, was er verder ook nog “Sharaku” van Masahiro Shinoda en “Hoanan Hoanu” van Hou Hsiao Hsien.
Eind 1997 pleegde de Japanse regisseur Juzo Itami zelfmoord op 64-jarige leeftijd. Itami was, na eerst als acteur actief te zijn geweest in films als “55 days at Peking” en “Lord Jim”, vooral bekend van “Tampopo”, een culinair-erotisch hoogstandje. De hoofdrol werd gespeeld door zijn vrouw Nabuko Miyamoto en zijn zelfmoord zou dan ook te maken hebben met een affaire die hij nadien met een jongere actrice zou hebben gehad. In de naweeën van de Diana-affaire werd de schuld voor zijn zelfmoord dan ook bij de hem opjagende tabloids gelegd.
Een andere film die het van oosterse atmosfeer moet hebben, is “M.Butterfly” van David Cronenberg met Jeremy Irons in de rol van René Gallimard, een man die door zijn liefde voor de Chinese diva Song Liling in een spionagekomplot in het China van 1964 terechtkomt. Aangezien de rol van de diva wordt gespeeld door John Lone (bekend uit “The last emperor”) lijkt dit op het eerste gezicht onwaarschijnlijk maar het verhaal is zowaar op waar gebeurde feiten gebaseerd (de Franse diplomaat Bernard Boursicot ontdekte pas op het proces twintig jaar later dat Shi Pei Pu een man was!). Ook hier is het eigenlijke thema: “East is east and west is west and never the twain shall meet”. Gebaseerd op een toneelstuk van David Henry Hwang is het een intiem werkstuk geworden, dat nogal toneelmatig is gebleven, vooral omdat Barbara Sukowa als Jeanne Gallimard een beetje op de achtergrond blijft, net als Ian Richardson als Toulon. De rol van Irons doet een beetje aan die in “Damage” denken, waarin ook politiek en seks worden vermengd, maar als flegmatieke Engelsman slaagt hij er niet in het passionele van de Fransman weer te geven. Wat in “Damage” op die manier juist een interessante tegenstelling was (het was de Franse Juliette Binoche die het vuur aan de lont stak), is hier nu net een belemmering. Opvallend is trouwens dat blonde meisjes in Japan als “exotisch snufje” erg gegeerd zijn (vraag dat maar aan Elsje Helewaut b.v.), maar dat grote borsten anderzijds eerder op de lachspieren werken.

Referentie
Ronny De Schepper, Film met live-muziek, Het Laatste Nieuws 12 oktober 1994

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.