On September 3, 1658 Oliver Cromwell died at age 59. It is believed he died of malaria and a urinary tract infection. Diens zoon en opvolger Richard mist de eigenschappen om leger en parlement in bedwang te houden, zodat hij afstand moet doen en in 1660 de Restauratie volgt van het huis Stuart (in 1661, twelve years after the execution of Charles I, Cromwell’s body was exhumed and posthumously beheaded). Als Charles II zijn intocht houdt in Londen, heropent hij de Engelse theaters, die meteen ook aan een herleving toe zijn door nu ook vrouwen als toneelspeelsters toe te laten, weliswaar een eeuw nadat dit op het vasteland reeds het geval was.
De reden om vrouwen toe te laten was merkwaardig genoeg om diezelfde “zedenverwildering” tegen te gaan die er de oorzaak van was dat ze oorspronkelijk juist niet op de scène mochten. Het ging met andere woorden over de toenemende homoseksualiteit in het acteursmilieu.

Anderzijds dient gezegd dat de introductie van vrouwen meteen tot decadentie leidde. Dat is ook begrijpelijk aangezien er geen professionele actrices voorhanden waren en “serieuze” vrouwen zich natuurlijk daar ver vandaan hielden. Met als gevolg dat vooral wat dan heet “vrouwen van lichte zeden” werden aangetrokken, wat niet alleen naast de scène (het verlenen van hand- en spandiensten), maar ook erop (het vertonen van naakte enkels en diepe décolletées) goed te merken was. De beruchtste, Nell Gwynn, wordt zelfs de maîtresse van Charles. (Of hij daarmee een goede keuze heeft gedaan, kun je nagaan op bovenstaand schilderij “Venus” van Peter Lely. De naakte vrouw die Venus voorstelt is immers Nell Gwynn.)
Het zal duren tot Mary Betterson op de scène verschijnt dat actrices ook ernstig werden genomen. Niet toevallig was zij de echtgenote van een bekend acteur. Niet alleen kende ze daardoor reeds enkele knepen van het vak, bovendien zorgde “haar huwelijkschen staat” er ook voor dat er hier geen plaats was voor allerlei “nevenintriges”.

Twee gezelschappen (dat van Thomas Killigrew en dat van William Davenant) kregen het alleenrecht om stukken waarin Engels voorkwam te spelen (vandaar het ontstaan in de vroege achttiende eeuw van theatergezelschappen die Italiaanse opera’s uitvoerden). In bijna al die stukken kwam ook muziek, zodat de grens met opera moeilijk te trekken valt. Er werden in de zeventiende eeuw weliswaar zowel Italiaanse (Cavalli) als Franse (Lully) opera’s uitgevoerd, maar het duurde tot 1656 vooraleer er door het gezelschap van Davenant een werk in het Engels werd uitgevoerd dat men als een opera kan bestempelen, ook al werden er nog twee componisten voor aangezocht, nl. Henry Lawes en Matthew Locke: “The Siege of Rhodes”, een werk dat is verloren gegaan overigens. Veel succes had dergelijke onderneming overigens niet, aangezien het Engelse publiek liever goed theater zag i.p.v. goede muziek te horen, vooral dan omdat de Engelse recitatieven veel te traag waren. Professionele zangers waren dus wél aan dergelijke theaters verbonden, maar enkel voor kleine rollen.
Charles II had een voorliefde voor de Franse muziekstijl en John Dryden (1631-1700) wilde dan ook een tweeluik schrijven konform zijn verlangens. Voor “Albion and Albianus” sprak hij Louis Grabu aan, maar het resultaat was niet zoals verhoopt. Al was dat eerder omwille van de politiek kontroversiële tekst i.p.v. wegens de muziek, toch werkte Dryden voor “King Arthur” (1685) samen met Henry Purcell. Deze keer stierf Charles nog voor de première. Hij zou nochtans tevreden geweest zijn, enerzijds omwille van de patriottische stof, anderzijds omwille van de wel heel erg Frans geïnspireerde muziek, zodanig zelfs dat men kan zeggen dat voor de Frost-scene het begin van het vierde bedrijf van “Isis” van Lully (1677), de fameuze “scène des trembleurs”, zowat kompleet geplagieerd werd.
Dryden was also a poet and playwright in his own right. He wrote heroic drama with motives of love (woman) and honour (man) in heroic couplets, which was completely in contradiction with the cynicism of the age. It is now considered bombastic with lack of delicacy and subtlety. He wrote a study about it: “An Essay of Dramatic Poetry” (1668). His best is “Aurengzebe” (1675) much better than “Julius Caesar” and “The conquest of Granada”. In Engeland kent men in het kader van het classicisme zelfs geen schroom om Shakespeare te “verbeteren”. Zo wringt John Dryden zijn “Anthony and Cleopatra” in het keurslijf van de klassieke eenheid van tijd, plaats en actie in “All for love”.
Van 1730 af mochten geen bijbelse onderwerpen meer worden uitgebeeld in het Engelse theater. Dat was weliswaar een verordening van de Anglikaanse kerk, maar aangezien in het Anglikanisme de koning(in) ook de leider is van de kerk… Hoe dan ook, deze verordening zou zelfs tot 1909 in voege blijven!
MUSIC-HALL
Tussen 1820 en 1830 ontdekten de ‘taverns’ of kroegen in Groot-Brittannië het fenomeen ‘selfmade entertainment’. Amateurzangers werden er uitgenodigd om hun kunsten te vertonen aan de klanten. Een ‘chairman’ in de hoek van de zaal kondigde de amateurs aan. De ‘tavernlords’ zagen dat een dergelijke aanpak gunstig was voor de verkoopcijfers van het bier. Het succes zette de uitbaters aan om hun muziekprogramma’s uit te breiden met komieken en acrobaten.
Vervolgens werden de amateurs ingeruild voor professionelen en zo ontstonden ‘song-and-supper rooms’. Die evolutie liep gelijklopend met de explosie van steden rond 1830. De kroegen moesten uitbreiden en zo ontstonden aparte ‘halls’ die gebouwd werden aan de taverne, zoals de ‘Canterbury Music-Hall’ die door Charles Morton aan zijn ‘Canterbury Arms Tavern’ gevestigd werd. ‘Music-Hall’ is de Engels-Victoriaanse term voor ‘variety theatre’. Jarenlang bleven de twee begrippen naast elkaar bestaan. Op haar hoogtepunt was de music-hall het type entertainment van de gewone mensen: vrolijk en eenvoudig, zonder veel suggesties, amusant en herkenbaar in de emoties en problemen en gebruik makend van ruwe humor. Onder het theatermonopolie konden de kleine theaters slechts ‘musical entertainment’ bieden, want dialoog was voor hen verboden. Bovendien bepaalde de ‘Music and Dancing Act’ van George II uit 1843 dat roken en drinken in theateretablissementen enkel nog onder bepaalde voorwaarden toegelaten werd. In 1852 werd de ‘Canterbury Hall’ toegankelijk voor vrouwen. Sommigen pasten hun plaatsen aan de eisen van de middle-class-klanten aan of organiseerden voor hen speciale avonden. Hierdoor veranderden de oude bohemiaanse volkstheaters geleidelijk aan in respectabele variététheaters.
De oorspronkelijke hall met een simpel podium op het einde, tafels, stoelen, een bar en een chairman evolueerde naar een auditorium met een volledig uitgerust podium en een programma met een tiental nummertjes. Vanaf 1878 verschenen de eerste luxueuze variététheaters met meer comfort en hogere prijzen. Het publieksgedrag werd gecontroleerd en het artiestenmateriaal werd er opgeruimd. De chairman verdween, want de presentatie van de acts werd vervangen door nummers bovenaan het proscenium en op de gedrukte programma’s. Elegantie en veiligheid werden belangrijker. De acts werden aangevuld met balletten, dramatische vertoningen en pantomimestukken, aangepast aan een familiepubliek. Er ontwikkelde zich een sterrensysteem onder de artiesten. Het variététheater stond nu op gelijke voet met de reguliere theaters en haar sterren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.