Nog niet zo lang geleden had ik het over de eerste zogenaamde langspeeltekenfilm (die amper twaalf minuten lang was) die honderd jaar geleden is uitgekomen. Tien jaar eerder was er de eerste animatiefilm tout court (met overigens een zeer primitieve animatie zoals men op het voorbeeld kan zien) en dat was dan “Fantasmagorie” van de Fransman Emile Cohl (1857-1938).

In 1884 projecteerde de Franse uitvinder Emile Reynaud reeds een soort van tekenfilms met zijn zogenaamde Praxinoscope, maar het is pas na de uitvinding in 1895 van de “cinématographe” door de gebroeders Lumière dat men van echte tekenfilms of meer algemeen animatiefilms kan spreken. Dat met andere woorden geen bewegende figuren op pellicule worden vastgelegd, maar dat door de pellicule zelf beweging wordt gecreëerd.
GERTIE
Terwijl de eerste “cinematografen” op onze kermissen verschijnen, doet de Spaanse filmer Segundo de Chomon immers totaal toevallig een belangrijke uitvinding. Terwijl hij bezig is met de opnames van de tussentitels voor zijn stomme film gaat een vlieg erop zitten. Omdat het materiaal in die tijd niet erg lichtgevoelig is, moet Chomon erg langzaam draaien om de belichtingstijd op die manier te rekken. Als gevolg wordt er bij de projectie een vlieg zichtbaar die zich merkwaardig schuifelend voortbeweegt. Zo ontstaat de idee voor een camera waarmee beeld voor beeld kan worden opgenomen: de weg naar de tekenfilm ligt open. De eerste is er al in 1906: “Humorous phases of funny faces” van J.Stuart Blackton, eigenlijk gewoon een opeenvolging van gezichten die voortdurend van mimiek veranderen. Hiermee zitten we echter niet veel verder dan de Praxinoscope van Reynaud of zelfs van de Phenakistiscope van onze eigen Joseph Plateau (1801-1883).
In 1908 wordt “Fantasmagorie” van Emile Cohl (1959-1938) daarom over het algemeen als het eerste tekenfilmpje beschouwd. Omdat hier toch een minimum aan verhaal in zit, ook al duurt het nog geen twee minuten. Cohl zal tot 1921 nog 250 filmpjes maken, maar hij is dan al lang gemarginaliseerd. O.a. door “Gertie the Dinosaur” die in 1909 reeds vreselijk populair IS. Striptekenaar Winsor McCay voert meer dan tachtig jaar voor “Jurassic Park” immers reeds een dinosaurus op. In vaudevilleshows stond hij zelf op het podium en gaf allerlei “bevelen” aan het getekende figuurtje, die deze dan uiteraard ook trouw uitvoerde. Hij had immers eigenhandig de 10.000 tekeningen gemaakt om de tekenfilm tot stand te brengen.
Deze tekenfilm was nog voor een algemeen publiek bedoeld omdat het gewoon het “nieuwe”, namelijk “een bewegende tekening”, dik in de verf wilde zetten, maar reeds vlug werden tekenfilms speciaal voor kinderen gemaakt. “Felix de Kat” bijvoorbeeld, een creatie van Pat Sullivan en Otto Messmer uit 1915.
STUDIO’S
De grote krantenmagnaat William Randolph Hearst, de man die zo machtig was dat hij het heeft klaar gespeeld dat de mooiste film aller tijden, “Citizen Kane”, van Orson Welles, een flop werd omdat hij – overigens terecht, maar dit terzijde – meende dat de film kritiek op hem bevatte, en wiens kleindochter Patricia jaren later nogal in de (negatieve) publiciteit is gekomen, begon met de eerste tekenfilmstudio: International Film Service. De bedoeling ervan was gewoon dat IFS de strips uit de kranten van Hearst tot tekenfilms omwerkte. Blijkbaar met niet zo’n groot succes, want in 1918 was de zaak reeds opgedoekt.
Ondertussen was de belangrijkste medewerker, Walter Lantz (1900-1994), echter reeds overgestapt naar de studio van John R.Bray. In 1926 wipte hij heel even over naar Mack Sennett, maar in 1928 is hij een eigen studio begonnen die vooral met Woody Woodpecker hoge toppen zou scheren. Zoals zo vaak debuteerde Woody als een nevenfiguur, meer bepaald in “Knock Knock” uit 1940, een film gebouwd rond Andy Panda, de eigenlijke “held” van Lantz. Het snaterende geluid van de specht werd overigens voortgebracht door de vrouw van Lantz, Grace Stafford (1896-1988), die hem ook op het idee zou hebben gebracht nadat een specht hun huwelijksreis had verstoord. De karakteristieke lach daarentegen is van Harry Babbitt (1914-2004). Historisch gezien is de vijf minuten lange getekende inleiding voor de film “The king of jazz” belangrijker, omdat dit de eerste tekenfilm in technicolor was.
In 1911 hadden de uit Australië afkomstige gebroeders Max en Dave Fleischer ondertussen ook een eigen studio opgericht, die de tweede grootste van Amerika zal worden. Hun “Out of the inkwell” zorgde reeds in 1919 het samengaan van gefilmde en getekende figuren, maar dan uiteraard wel veel primitiever dan in “Mary Poppins”…
BETTY BOOP
Ook bij de Fleischers duiken weer zeer beroemde stripfiguren op: Popeye, Superman en niet te vergeten Betty Boop, die zo sexy was dat ze verboden werd door de Hays Code die het bloot uit de film wilde houden. Oorspronkelijk, namelijk in “dizzy dishes” uit 1930, toen de eerste “talkartoons” (sprekende animatiefilms) werden geproduceerd, had Betty de oren en neus van een hond, want ze was eigenlijk een nevenfiguur in een tekenfilmpje rond Bimbo, eveneens een vermenselijkte hond, die reeds enige populariteit genoot. Toen Betty echter bleek aan te slaan, ging men regelrecht de menselijke en dus ook de erotische toer op. Grim Natwick boetseerde haar meer en meer naar het evenbeeld van actrice Helen Kane, bekend als The Boop-oop-a-doop Girl (volgens andere was het Mae Questel, maar dit is de actrice die Betty Boop een stem gaf). Even later verscheen dan ook “Buried Treasure” (zonder Betty Boop wel te verstaan) dat rechttoe rechtaan pornografisch was. Ondertussen was Natwick al overgestapt naar Disney, waar hij de voornaamste tekenaar werd van “Sneeuwwitje”. Daarna keerde hij terug naar Fleischer, maar voor niet lang want de studio ging op de fles nadat men in 1940 met “Gulliver’s travels” en in 1941 met “Mister Bug goes to town” het succes van de lange Disney-tekenfilms probeerde te evenaren. Tussen haakjes: “Snowwhite” van Disney gaat weliswaar door voor de eerste avondvullende tekenfilm, maar dat is niet het geval. Twintig jaar eerder was er reeds een langspeeltekenfilm in Argentinië en in Europa was er “Prins Hamad” van Otto Reiniger.
Het succes van Max Fleischer zat echter duidelijk in de korte slapstickachtige toestanden en de langere scenario’s lagen hem duidelijk minder. “Mr.Bug” sloeg zo’n gat in de financies dat hij zijn studio moest verkopen aan Paramount.
HANNA & BARBERA
Daarna wordt de fakkel overgenomen door Bill Hanna (1910-2001) en Joe Barbera (1911-2006) bij MGM die o.a. met “Tom and Jerry” (niet te verwarren met de eerste kleurentekenfilm die in februari 1920 wordt gedraaid met transparanten: “The Debut of Thomas Kat”) het Disney-monopolie doorbreken. Aangezien Bill Hanna eigenlijk een metselaar was, kan men zeggen dat hij de “Goscinny” van het duo was en Barbera de “Uderzo”. Maar het was evenzeer een paar “tot de dood hen scheidde”. Het eerste T&J-filmpje was “Puss gets the boot” uit 1939, maar reeds in 1942 met “Yankee Doodle Mouse” veroverden ze hun eerste oscar ten nadele van Disney. In de volgende negen jaar zouden ze Disney nog zeven keer het nakijken geven! In 1957 met de opkomst van de televisie werden ze door MGM ontslagen, maar dat was – naar hun eigen zeggen – het beste wat hen kon overkomen, want zij waren de eersten om zich op het nieuwe medium te werpen. Aangezien zogenaamde “full animation” 26 tekeningen per seconde vergde, waagde zelfs Disney zich oorspronkelijk niet aan wekelijkse afleveringen van 25 minuten. Zij wel en wel dankzij een methode die zij “semi-animatie” noemden. Dat wil zeggen dat niet alle in beeld zijnde figuren werden geanimeerd of dat sommige animaties ook geregeld terugkeerden. Hun eerste figuurtjes waren “Yogi-Bear” en “Huckleberry Hound”, maar het was vooral met “The Flintstones” (vanaf 1960) dat ze doorbraken. Tekenaars die voor hen werkten waren o.a. Ed Benedict (1912-2006) en Iwao Takamoto (1925-2007). Deze laatste had leren tekenen toen hij tijdens de Tweede Wereldoorlog als Japanse Amerikaan was opgesloten in het interneringskamp van Manzanar in de Californische woestijn. Hij was o.m. de uitvinder van het groene ruimtewezentje Great Gazoo, dat latere afleveringen van “The Flintstones” zou teisteren. Ook Scooby-Doo (genoemd naar de slot”woorden” van Sinatra’s “Strangers in the night”) is zijn uitvinding.
Hanna & Barbera zouden ongeveer 75% van de markt voor zich opeisen met o.a. Scooby-Doo, Top Cat, The Jetsons, Magilla Gorilla en, niet te vergeten, The Smurfs! Zij schrokken er ook niet voor terug om “levende” figuren tot animaties te herleiden, zoals Laurel & Hardy, Mork & Mindy of Mr.T. Hanna en Barbera moesten zich, zoals iedereen, ook eens aan een langspeelfilm wagen (“Charlotte’s web”, een ontroerend verhaal over een spin), maar het was enkel een artistiek, zeker geen commercieel succes. De enige T&J-langspeelfilm was geen van beide, maar van Phil Roman uit 1993, die eerder in de Disney-traditie lag met een tranerig verhaaltje over de twee eeuwige vijanden die een pact sluiten om zich over een weesmeisje te ontfermen. Het is ook de enige film waarin T&J pràten.
LOONEY TUNES
Ongeveer tegelijk met Hanna & Barbera kwam er een andere concurrent voor Disney, de zogenaamde Looney Tunes van Warner Bros. Daar speelde de individualiteit oorspronkelijk geen rol, zodat we zelfs niet echt weten wie “Bugs Bunny” heeft ontworpen. Tenzij het Ben Hardaway zou zijn, naar wie het oorspronkelijk naamloze konijn na verloop van tijd werd genoemd. Bens bijnaam was immers Bugs, dus Bugs’ Bunny, het konijn van Bugs (*).
Al trad Bugs Bunny voor het eerst op in “Porky’s hare hunt” in 1938, is het toch vooral de onnavolgbare Tex Avery die in 1940 in “A wild hare” het konijn de allures gaf die het deden uitgroeien tot naar verluidt de populairste cartoonfiguur aller tijden. Daarbij moeten we ook de rol van stemmetjesmaker Mel Blanc aanstippen (**). Bugs’ catchphrase “What’s up doc?” zat niet voor niets reeds in “A wild hare”. Blanc overwon zelfs zijn tegenzin van wortelen om het kauwgeluid van Bugs zo realistisch mogelijk weer te geven (later werden – gelukkig voor hem – vroegere opnames herbruikt). Nevenfiguren uit Bugs Bunny zouden later hun eigen reeks krijgen (Daffy Duck, Porky Pig, Yosemite Sam, Sylvester & Tweety). Dat was vooral het werk van Isadore ‘Friz’ Freleng (1906-1995) die verder ook nog beroemd werd met eigen creaties als “Speedy Gonzales” (1954) of de “Pink Panther”.
Tex Avery en zijn medewerkers Fritz Freleng, Chuck Jones en Robert McKimson versnelden het tempo van de grappen, die hierdoor wel een gewelddadiger karakter kregen. Men noemde dit dan ook de Tex Avery School of Violence, die natuurlijk magistraal wordt geparodieerd door de “Itchy & Scratchy”-cartoons bij The Simpsons.
Toch werd soms juist door vertràging ook een speciaal effect gecreëerd. Dat was dan vooral het geval bij het personage van de hond Droopy, de Buster Keaton van de tekenfilm. Hij werd geboren in 1943 voor de film “Dumbhounded”.
Chuck Jones (1912-2002) kwam oorspronkelijk uit de Disney-studio’s, maar de humor die hij met zijn “roadrunner”-serie etaleerde, paste uiteraard beter in het kraam van Tex Avery (Warner Brothers), waar hij dan ook naar overstapte. Aan Chuck Jones wordt ook geregeld gerefereerd in “The Simpsons”, zeker in de postmodernistische aflevering over het maken van een tekenfilm. (Homer: “Is this live television?” Antwoord: “Animation movies are seldom live, Homer, it’s too great a strain on the drawer’s wrist.”)
In tekenfilms hadden personages – om tijd te sparen – oorspronkelijk slechts vier vingers, een gewoonte die zelfs bij “The Simpsons” nog wordt volgehouden. Dat werd ook in stripverhalen overgenomen, maar o.a. Morris bracht daar verandering in, omdat strips natuurlijk niet zo vluchtig zijn als een animatiefilm en het toch wel erg opviel.
POLITIEK CORRECT
“The Simpsons” zijn ook een reactie tegen de trend dat tekenfilms “politiek correct” moesten zijn. Dat is eigenlijk niks nieuws want reeds in de jaren dertig werd bepaald dat Mickey Mouse niet meer mocht drinken of roken. Dat gold in 1984 ook voor Lucky Luke in de versie van de Amerikaanse tekenfilms van Hanna en Barbera. Het dient wel gezegd dat de oorspronkelijke tekenaar Morris doorgaans dergelijke wijzigingen tegen zijn zin uitvoert en soms subtiel wraak neemt: zo mochten de indianen geen gebroken taaltje meer spreken, daarop liet Morris ze maar Oxford English spreken, iets waartoe zelfs de doorsnee Amerikaan niet in staat is. Voor de Nederlandse versie van de Franse tekenfilms die aan Lucky Luke werden gewijd (“Daisy Town” en “La Ballade des Daltons”) werd overigens Gerard Cox ingehuurd voor het hoofdpersonage.
In het zogenaamde Oostblok zijn op dat moment ook mensen revolutionair bezig. Zo bijvoorbeeld de Tsjech Karel Zeman, die in de jaren vijftig en zestig getekende en bewegende beelden combineert in hallucinerende Jules Verne-verfilmingen, zoals “De duivelse machine”.
ROGER RABBIT
Het beste voorbeeld hiervan (uit technisch oogpunt) blijft echter “Who framed Roger Rabbit” van Robert Zemeckis uit 1987, de film waarmee Jeffrey Katzenberg (die in 1985 de leiding van de Disneystudio’s had overgenomen) Disney opnieuw aan de leiding bracht bij de “volwassen” tekenfilm, net zoals hij dat even later ook bij de kinderen zou doen met “The Little Mermaid”.
64 bob hoskinsVerklaren wij ons nader. De prent van Robert Zemeckis (voorheen « Romancing the stone ») verenigt dus echte en getekende figuren op het scherm. Het werd vroeger reeds gedaan o.m. door Walt Disney maar nooit tevoren werd een dergelijke perfectie bereikt inzake beeldharmonie. De « toons » (dit is de naam waarmee figuren uit cartoons of tekenfilms aangeduid worden) zijn als mensen, zij staan naast hen, zij gedragen zich als hen. Met alle voorziene en onvoorziene gevolgen.
De twee hoofdfiguren in de film van Zemeckis zijn Roger Rabbit (een « toon ») en Eddie Valiant (een « mens »). Roger Rabbit speelt al vele jaren in tekenfilms de rol van stunt-clown in de « Baby Herman »—cartoons. Hij voelt zich evenwel ongelukkig omdat men zegt dat zijn echtgenote, een bardanseres, het niet zo nauw neemt met de huwelijkstrouw. Eddie Valiant is een verlopen detective die de ontrouwe dame moet schaduwen, die vaststelt dat zij inderdaad een « verhouding » heeft, maar de minnaar ook ziet opgeruimd worden. Wie is de eerste verdachte? Roger Rabbit natuurlijk. Onder beide « losers » ontstaat een echte vriendschap en zij zullen alles in het werk stellen om uit de klauwen te blijven van een vreesaanjagend rechter.
Tot daar het verhaal dat eigenlijk alle elementen van de normale politiefilm omvat zoals wij deze de jongste jaren hebben zien evolueren. En ook de negatieve kanten daarvan. Alles eindigt nl. op een uitspatting van geweld dat zo virtuoos getekend is dat men er helaas hoofdpijn van krijgt, dat men halt roept.
Begint Zemeckis in zijn inleidende cartoon, waarin Roger Rabbit zich om Baby Herman moet kommeren, reeds op een dergelijke rumoerige en lawaaierige wijze dan slikt men deze tekenfilmhumor nog graag. Later wordt het evenwel — van het goede (?) te veel en haakt men af. Is dit nu evenwel een reden om smalend naar te kijken op deze konijnengeschiedenis? Hoegenaamd niet. Zij is een « must » voor de liefhebber van de zevende kunst. Deze mag niet onwetend zijn over de grote technische vorderingen die de naamloze Hollywood-werkers gemaakt hebben. Hoe zij echte en getekende gebaren in mekaar kunnen doen overvloeien, grenst aan het ongelooflijke. En een speciaal woord van lof dient zeker gericht aan het adres van vertolker Bob Hoskins die dat allemaal diende te spelen zonder echte tegenpartij daar deze er enkel later bijgetekend werd. Een prestatie, waarvoor o.a. Harrison Ford op voorhand had bedankt.
De enige die in staat was om dit monsterproject tot een goed einde te brengen, was Steven Spielberg. Spielberg moest wel keiharde onderhandelingen voeren om bepaalde tekenfilmsterren te mogen lenen voor zijn project. De respectieve impresario’s wilden niet alleen in klinkende munt worden betaald, maar eisten ook dat hun artiesten precies ever lang in beeld zouden komen als die van andere studio’s. Op eer paar figuren na – Popeye en Felix the Cat waren echt té duur – kreeg Spielberg helemaal zijn zin. Ook zijn persoonlijke favoriet, de gemotoriseerde struisvogel Road Runner (beep beep!) is van de partij. Het probleem was alleen dat die pas in 1948 zijn intrede deed op Het scherm, terwijl Who framed Roger Rabbit zich een jaar vroeger afspeelt. “Ik heb hem er toch in gesmokkeld,” lacht Spielberg. „Op dat moment was de Road Runner gewoon nog op zoek naar zijn eerste filmrol…”

Ronny De Schepper

(*) Volgens Pierre Platteau (zie hieronder) zou het echter Bob Clampett zijn.
(**) Mel Blanc is ook de stem van Speedy Gonzalez in het gelijknamige hitje van Pat Boone.

(Zeer) beknopte bibliografie
Donald Crafton, Before Mickey, Cambridge, MIT Press, 1982.
Leonard Maltin, Of Mice and Magic, New York, New American Library, 1980.
Pierre Platteau, De verjaardag van het vrolijke konijn, De Morgen, 8/11/1979.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.