Het is al veertig jaar geleden zijn dat in Gent de auteur Johan Daisne (geboren als Herman Thiery) is overleden. Bij die gelegenheid had ik in De Voorpost van 1/9/1978 een gesprek met Johan de Belie, die persoonlijk met hem bevriend was.

Volgens Johan (die eigenlijk Marc heet maar zijn pseudoniem heeft gekozen in functie van Johan Daisne, tevens ook van zijn overleden broer, maar die was – als ik me niet vergis – ook al Johan gedoopt met Johan Daisne in het achterhoofd) was Daisne “als mens de perfecte magisch-realist die hij ook in de literatuur was”.
Johan Daisne was hoofdbibliothecaris van de Openbare Gentse Stadsbibliotheek toen die nog in de Baudelostraat was gevestigd. In die straat zat destijds ook Eriek Verpale als student op kot en aangezien Verpale een groot lezer was, kon het niet anders of de twee moesten elkaar wel eens voor de voeten lopen. Dat gebeurde met name toen Verpale een boek van Gogol ontleende. “Ja mijn jongen, Gogol is een grote schrijver” moet Daisne hem toen hebben aangemoedigd (1).
Later kocht Verpale uit nostalgie de “Catalogus van Letterkundige werken, Supplement tot 1971” en hij citeert dan ook welke richtlijnen Daisne zoal had uitgevaardigd. “Dat de zedelijke waarde der werken opzettelijk niet in de catalogus werd aangeduid om geen ongezonde belangstelling te wekken,” bijvoorbeeld, maar dat elk boek wel een teken draagt “dat aangeeft op vertoon van welke kleur lezerskaart het kan worden uitgeleend“. Maar ook: “wie in de loop van de uitlening een ‘aanstekelijke ziekte’ had gehad, werd verzocht om zulks mee te delen teneinde het letterkundige werk te kunnen ontsmetten.” (2)
Hij was dus hoofdbibliothecaris van de stad Gent, maar dat stoorde hem niet, administratief werk leek hem veeleer een stimulans om in de vrije avonduurtjes zijn geest vrijblijvender te laten dromen,” vertelt Marc (ik zal hem maar bij zijn echte naam noemen om de verwarring met Johan Daisne te ontlopen). (3)
Hugo Claus vertelt eigenlijk hetzelfde in Humo, maar dan vanuit een andere invalshoek: “Nadat Johan Daisne overdag had gewerkt als bibliothecaris, trok hij zich ’s avonds met één glaasje whisky terug in zijn werkkamer en zo rond drie, vier uur ’s nachts maakte hij dan zijn vrouw wakker om voor te lezen wat hij die avond had geschreven. Dat huwelijk heeft niet lang stand gehouden.”
Dat moet een grapje geweest zijn, want toen Anton Stevens in 1993 een documentaire draaide over Johan Daisne, dan stond zijn weduwe Marthe hem nog altijd te woord. Ze wist wel te vertellen dat “het leven met Johan Daisne boeiend maar niet altijd gemakkelijk was. (…) Het was een nachtmens. Je kon hem één of misschien twee avonden van dat schema afhouden, maar de derde avond was er geen houden meer aan: hij moest schrijven.”
Toch was dit klaarblijkelijk één van de redenen waarom Marc later in zijn Tijd-Schrift eens zou uitvaren tegen Claus (dat moet één van de weinige keren geweest zijn dat we eens ruzie hebben gehad, al is ruzie een té beladen woord, laten we het liever op “meningsverschil” houden). Hij had nochtans beter moeten weten, want hij was er reeds bij op die “memorabele avond” dat Claus een anekdote vertelde over zichzelf en Daisne. Net als Marc en ikzelf kan Hugo Claus immers niet met de wagen rijden, zodat hij na een vergadering van het literaire tijdschrift De Gids in Brussel door Daisne naar Gent wordt gevoerd. Onderweg haalt Daisne een dolk uit het dashboardkastje. “Ken je dit?” vraagt hij mysterieus. “Jazeker,” antwoordt Claus, “dat is een dolk van de Hitlerjugend, ik had er ook zo één.”
Jaja,” repliceert Daisne, “maar weet je ook welk verhaal eraan verbonden is?” Hierop moet Claus het antwoord schuldig blijven, waarop Daisne hartstochtelijk begint te wenen: “Je leest mijn bijdragen niet! Ik heb daar in de vorige aflevering van De Gids een kortverhaal over geschreven.”
Claus is “not impressed”. Door de tranen van Daisne slingert de wagen over de autostrade, zodat hij droog opmerkt: “Ge zoudt beter zien waar we rijden!”
Ook Louis Paul Boon was geen “fan” van Daisne. Zo schrijft hij in Vooruit van 12/10/1961: “Het mooiste aan Johan Daisnes boeken, en ik zeg dat zonder ironische bedoelingen, zijn de titels.”
Boon kon hiermee zeker nog niet “Ontmoeting in de zonnekeer” bedoelen, want dat moest nog verschijnen (in 1967). Als ondertitel kreeg dit boek “een anti-Simenonroman” mee, omdat Simenon voor het ‘lelijke, negatieve’ in de wereld staat, of de negatieve kijk erop, en hij de roze bril hanteert… .
Op de redactie van Vooruit vormde Louis Paul Boon samen met o.a. Pierre van der Poel en in mindere mate Prosper de Smet front tegen meer gevestigde schrijvers als Raymond Herreman, Emile Parez, Piet Van Aken, Hubert Lampo, Rik Lanckrock en ook Johan Daisne. Toen ze zich eens een namiddag (16/11/1955) goed vermaakt hadden op de kap van Johan Daisne, besloot Prosper de Smet met de woorden: “Eigenlijk moeten we hem dankbaar zijn. Zo hebben we nog eens iemand zijn kloten kunnen afsnijden.” Waarop Boon repliceerde: “Zijn kloten afsnijden? Hij heeft er nooit gehad!
Geen wonder dan ook dat het Johan Daisne Centrum eerder een initiatief is van Rik Lanckrock. Hij vertelde er tegen Jan Mestdagh het volgende over: “In 1943 las ik met stijgende geestdrift Johan Daisnes meesterlijke roman ‘De trap van steen en wolken’, niet beseffend dat dit werk een belangrijk keerpunt in mijn leven zou betekenen. Ik overdrijf zeker niet als ik beweer dat voornoemd boek een mijlpaal is in onze eigentijdse Vlaamse literatuur. Ik had echter heel wat meer ontdekt dan een groot schrijver en een fascinerend verhaal, namelijk het magisch-realisme dat destijds evenwel met tal van andere benamingen werd bedacht en dat tijdens de oorlogsjaren geen burgerrecht verwierf. In mijn bestaan bekleedt het magisch-realisme een voorname plaats, niet louter op artistiek, maar ook op levensbeschouwelijk en wijsgerig vlak. Terecht schrijft Hubert Lampo in ‘De ring van Möbius’ dat het magisch-realisme meer is dan een genre, namelijk een existentieel fenomeen. Dat is het beslist, zeker voor mij en ongetwijfeld ook voor vele anderen. Het is een houding, een visie, een instelling zelfs. Dit alles werd mij vooral duidelijk gemaakt door de figuur en het werk van Johan Daisne, als kunstenaar, als mens en als vriend. Vandaar dat ik het zovele jaren later als een plicht beschouwde een ‘Studiecentrum Johan Daisne’ op te richten, te meer omdat het werk van de Gentse schrijver sinds zijn dood niet voldoende aandacht meer krijgt.”
Dat was trouwens ook al het geval bij de eerste publicatie van “De trap van steen en wolken”. Joris Note (4) schreef in De Standaard der Letteren van 3/10/2000 een interessante bijdrage over de receptie van de roman tijdens de oorlog. Vooral de moeder van de zanger Kris De Bruyne ging weer flink te keer, net zoals ze dat trouwens tegen Louis Paul Boon ook al had gedaan. Als ze kon, had ze zowel Louis als Johan naar een concentratiekamp gestuurd.
De week nadien verscheen er een lezersbrief waarin ene Joris Waterschoot uit Brussel zijn bewondering uitspreekt voor het artikel en eraan toevoegt: “de titel ‘Een trap van steen en wolken’ is een citaat uit een werk van Nabokov, namelijk ‘Dar’ (in het Engels ‘The Gift’), een boek dat qua vorm erg lijkt op ‘De trap’…” Waarbij het venijn in de staart zat natuurlijk (de drie puntjes)…
Johan Daisne schreef “De trap van steen en wolken” in een periode dat hij zeer depressief was, vooral omwille van de dood van zijn twee maanden oude dochtertje Frédérique (in 1945), die hij eigenlijk nooit echt te boven is gekomen. Hij gaf op dat moment Duits aan de Stedelijke Normaalschool voor Onderwijzeressen in Gent, waar hij platonisch verliefd was op één van de studentinnen, een zekere Simone Barbaix. Deze kwam dit echter pas te weten toen hij haar vele jaren later het boek ten geschenke gaf met daarbij de opmerking dat zij model had gestaan voor het vrouwelijke hoofdpersonage Fran.
Toen was voor Daisne de erkenning reeds gekomen, vooral dan sinds de publicatie van zijn essay “Letterkunde en magie” (1958), herhaaldelijk herdrukt onder de titel “Wat is magisch-realisme?”
Dat wil daarom nog niet zeggen dat iedereen meteen overtuigd was. Zo getuigt Lukas De Vos: “In één van mijn zuurdere oprispingen zowat twintig jaar geleden verwees ik Johan Daisne naar het vagevuur van de mislukte mengelwerkschrijvers. Ik haalde me de woede van het weldenkend genootschap der Vlaamse academici op de hals toen ik in de essaybundel van Hedwig Speliers, ‘De Pool van de Droom’, Daisne afdeed als een zelfingenomen poseur, een omhooggevallen en vooral over het paard getilde schrijvelaar die in het Frans dacht en geen Nederlandse zin kon bouwen. Veel grondiger was mijn kritiek op zijn verderfelijke ideologie. « In de descriptie, zo eigen aan het burgerlijk romantisme, vindt de atmosfeerschepping zijn oorsprong die de handeling terugdringt », schreef ik. « Met de daartoe geëigende technische middelen ‑ gezwollen taal ; de alwetende en voorzienende auteur als enig bindmiddel ‑ wordt een sentimenteel intimisme gecreëerd dat naar het woord van Fens ‘voor innigheid wordt gehouden’, een pathos die Daisne verkeerdelijk voor ontroering aanziet ». Het verklaart de mythomanie over zijn afkomst, het verklaart het zich wellustig baden in onderscheidingen en eerbetoon, liefst uit hogere kringen. Ik neem vandaag geen woord van die kritiek terug.”
Ik weet niet wat De Vos precies bedoelt met die “mythomanie over zijn afkomst“, maar het is alleszins een feit dat zijn pseudoniem verwijst naar het Franse départment d’Aisne waar zijn grootouders nog (zouden?) hebben gewoond.
Bovendien verdedigt Johan de Belie zijn idool tegen dat “bourgeois-aspect” dat o.m. ook in de televisieuitzending “Ten huize van” aan bod kwam: “Hij vond overal die elite van de geest, of beter van het hart. Dat burgerlijke aspect, het zich veilig voelen, sloot noch bij geld noch bij intellect aan. Het was een burgerlijkheid van de eenvoud, van het volk, van warme gevoelens, van liefde voor gewone mensen, katholicisme à la Tolstoi.”
Deze laatste vergelijking is natuurlijk niet toevallig, want Daisne heeft aan de universiteit, naast economische wetenschappen, ook een cursus Slavische talen gevolgd. Naast vele andere talen (zelfs Bantoe) sprak hij vloeiend Russisch en maakte zijn eerste reis zelfs als tolk. Zijn grote werk over de Russische literatuur (het in 1948 verschenen “Van Nitsjevo tot Chorosjo” wordt nog altijd in universitaire kringen als waardevolle handleiding gebruikt. Aan Daisne danken we b.v. de schrijfwijze van Russische namen met een “v” in plaats van met een “w” zoals de Nederlanders doen in navolging van de door hen nochtans zo verafschuwde Duitsers!
Wie in die koudeoorlogstijd belangstelling had voor het Russisch, werd vaak ook politieke interesse voor het Sovjetsysteem aangewreven. Michel Apers tegen Marc Ruyters in Knack van 21/9/1994: “Hij nam het bijvoorbeeld op voor een film als ‘Spartacus’, om te illustreren wat een ideale vorm van communisme wel zou kunnen bereiken.”
Maar politiek “interesseerde hem niet geloof ik,” zegt Johan de Belie, “Mensen interesseerden hem, en daarom zal hij wel steeds huiverig gestaan hebben tegenover elke vorm van manipulatie. Vrijheid van denken, humanisme, zelfdiscipline. Een ideologie? Ik geloof het niet, liefde voor de mens als individu, dat wel.”
Michel Apers ziet het anders: “Het principe ‘oog om oog, tand om tand’ was Daisne niet ongenegen. Dat had te maken met zijn opvatting over democratie: hij stond daar vrij huiverig tegenover, omdat democratie volgens hem de middelmaat propageerde. Uit ‘Death in Venice’ komt de zin die hij graag hoorde: ‘At the bottom of the mainstream lies mediocrity’.”
Dat geeft ook Marc wel enigszins toe “dat hij onmiskenbaar trekken van de dandy had (het magisch-realisme en het dandyisme zijn nauw verwant)”. Maar tegelijk stelt hij daar tegenover dat Daisne “toch echt natuurlijk en ongekunsteld (was) in de omgang, zeker geen image-bouwer. Een dromer en toch een doener, iemand die van mensen houdt en toch schuw is, een realist en een magiër van het woord.”
Zelf vindt Daisne dat dit te maken heeft met het feit dat hij cultuur boven natuur stelt: “Ik beken dat ik als geboren en getogen stadsmens (on)natuurlijkerwijze vreemd sta tegenover ongeveer alle natuuraanbidding, vooral wanneer het voorwerp daarvan bergen en rotsen zijn, die stekeligste fraaiigheden onzer aardkorst. Vooral in een tijd dat zoveel stemmen zich verheffen om kritiek te oefenen op (zekere aspecten van) de cultuur, zie ik niet in waarom ik mij zou moeten schamen over mijn niet onvoorwaardelijke liefde voor de natuur, dat kladschrift der schepping.” (Rolprenten, p.66)
Met welk werk moeten we Daisne best herinneren? “Als roman was ‘Als kantwerk aan de kim’ hem bijzonder dierbaar,” zegt Johan de Belie. “Het is ook mijns inziens zijn rijkste en rijpste werk, meest klassiek ook. En ook zijn (vóór zijn dood) pas voltooide levenswerk ‘Filmografisch Lexicon der Wereldliteratuur’ lag hem nauw aan het hart.”
Ik weet mij een zuster in de hemel,” schrijft Daisne en daarmee bevestigt bij zijn geloof in het magisch-realisme en in de liefde van een auteur, een kunstschepper van de realiteit.
Zoals Daisne het me bevestigde : het is het voorrecht van de magie dat ze de realiteit mag aanvullen waar deze al eens tekort schiet,” besluit Johan de Belie.

Ronny De Schepper

(1) Eriek Verpale, Olivetti 82, Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers, 1993, p.29.
(2) Idem, p.30. Of hij homoseksualiteit ook als een “ziekte” beschouwde, laat ik in het midden, maar hij had er blijkbaar wel een bloedhekel aan, zoals o.m. blijkt uit een zinnetje als: “Literatuur over literatuur is vaak hatelijk, erger dan een soort homoseksualiteit.” (Rolprenten, p.11) Daarbij had hij het dan duidelijk uitsluitend over de mannelijke homoseksualiteit, want enkele bladzijden verder schrijft hij alweer lyrisch over de lesbische kus van Queen Christina (gespeeld door Greta Garbo) in de gelijknamige film.
(3) Een flink aantal van die avond-uurtjes moet Johan Daisne hebben doorgebracht in de Gentse Vrijmetselaarsloge (Piet Van Brabant, De VrijMetselaars, Antwerpen, Hadewijch, 1990, p.147.
(4) Joris Note is een schrijver die werd geboren in Borgerhout, opgegroeid is in Lokeren en nu sedert een twaalftal jaren “woonachtig” zoals dat dan heet in Overpelt. Tijdens de Paarse Zetellezing confronteerde Griet Pauwels hem met een kritiek op de NCR-prijs die hij ondertussen zelf had gekregen. Onnodig eraan toe te voegen dat hij zijn kritiek wat had bijgeschaafd.

Referentie
Johan Daisne, Over oude en nieuwe rolprenten: de dingen die niet voorbijgaan, Antwerpen/Amsterdam, Elsevier/Manteau, 1980

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.