Vandaag is het al vijftien jaar geleden dat Sam Phillips, de legendarische muziekproducer en ontdekker van Elvis Presley, Jerry Lee Lewis, Johnny Cash, Carl Perkins, Roy Orbison en nog zovele anderen, is overleden.

Sam Phillips werd in 1945 disc-jockey bij een radiostation in Memphis. Vijf jaar later, op 3 januari 1950, begon Phillips de eerste vaste opnamestudio “Memphis Recording Service” aan de 706 Union Avenue in Memphis. In het begin bedroop hij zich met het opnemen van trouwpartijen, maar al snel raakte Phillips verzeild in de blueswereld. Zo nam hij met Ike Turner in april Rocket 88 op, maar zag Leonard Chess het grote geld opstrijken met zijn platenmaatschappij Chess Records. Al snel richtte Phillips zijn eigen platenmaatschappij Sun Records op om zodoende zijn producties ook zelf aan de man te brengen.
Sam Phillips was een merkwaardig man. Hij vond dat blues en country best konden samengaan. In die tijd kon je dit gerust vergelijken met een monsterverbond tussen Black Power en de Ku-Klux-Klan. De beste manier om dit te verwezenlijken leek hem jonge ambitieuze blanken de kans te geven zwarte muziek ongepolijst op te nemen. Hij verzamelde in zijn studio de gitaristen Roy Orbison, Scotty Moore, Johnny Cash, Carl Perkins, Jimmy Ray Paulman, Sid Manker en Roland Janes; de bassisten Bill Black, Billy Lee Riley en Marcus Van Story; de pianisten Jerry Lee Lewis, Jerry Lee Smith, Jimmy Wilson en Smokey Joe Baugh en de drummers Jimmy Van Eaton en Johnny Bernero. Daarnaast waren er nog enkele blazers, maar die waren minder belangrijk omdat die nu eenmaal niet vaak werden gebruikt in de rockabilly-achtige rock’n’roll die de Sun-studios uitbrachten. Een uitzondering is evenwel saxofonist Bill Justis die met “Raunchy” een grote hit te pakken had. (Daarnaast waren er ook nog Martin Willis en Johnny “Ace” Cannon.)
Elke plaat werd een soort sessie waarop ieder om beurt eens als “solist” naar voren werd gehaald. Zo speelde Roy Orbison op “Whole lotta shakin’ goin’ on” van Jerry Lee Lewis en Carl Perkins op “Rock’n’roll Ruby” van Warren Smith, een nummer geschreven door Johnny Cash. Oorspronkelijk zag het er trouwens naar uit dat Perkins de eerste zou worden om het grote publiek te bereiken. Een zwaar auto-ongeval stelde hem echter buiten gevecht gedurende de kritieke periode.
Officieel bracht Elvis vijf singles uit op het Sunlabel. In 1955 werd hij echter naar het nationale label RCA getransfereerd (Sun werd enkel verdeeld in de omstreken van Memphis) op aandringen van talentscout Steve Sholes. Elvis zat toen al onder de hoede van kolonel Tom Parker en “hij gehoorzaamde gedwee”. Ook weer falsificatie: nu lijkt de transactie (35.000 dollars plus 5.000 voor Elvis zelf) op een peulschil als men de honoraria van de huidige popgroepen bekijkt, maar voor die tijd was het een luxueus bedrag. Het is dus niét zo dat de ijzeren vuist van kolonel Parker die brave Elvis “kneedde” tot hij in het gelid wilde lopen. Elvis was maar wàt blij met de Cadillac die hij ervan kon kopen.
Sam Phillips deed dus een goede zaak. Voor het bedrag dat men hem aanbood, had hij namelijk een totaal nieuwe studio kunnen inrichten, maar hij verkoos te investeren in de nieuwe Holiday Inn-keten, wat hem wellicht geen windeieren heeft gelegd. Trouwens, wat later zou volgen, kon eigenlijk niemand voorzien en zou zonder de steun van een multinational ook niet mogelijk geweest zijn.
Maar Phillips was dus geenszins de “pineut”, zoals men het zo graag voorstelt. En “men” dat zijn dan de mensen die beweren dat Elvis vanaf zijn RCA-tijd “verknoeid” zou zijn. Larie, RCA had de resterende Sun-opnamen opgekocht en bracht ze met mondjesmaat uit, o.a. in 1990 ook de bandopnamen van het “Million Dollar Quartet” (Cash, Perkins, Lewis, Presley).
Ook stelt men deze transactie graag in het kader van het racisme in de VS. En het is natuurlijk wààr dat zwarte zangers geboycot werden, maar juist dààrom liet Sam Phillips zijn voorkeur naar blanken gaan: ze zongen immers toch zwarte muziek en vroeg of laat zou het kwaliteitsverschil wel te merken zijn. Inderdaad, kijk nu maar naar de hitparades (vanaf de jaren zestig): het is een referentie zwart te zijn.
Helemaal anders is het verhaal van Roy Orbison. We schrijven 1956 en Orbison heeft zijn groep omgedoopt tot The Teen Kings. In die hoedanigheid ontmoet hij Buddy Holly, nog zo’n tragische figuur. Holly’s producer, Norman Petty, zag wel wat in Orbison en deed hem een single opnemen op zijn Jewel-label, die evenwel grandioos de mist inging. Sam Phillips zag echter wel iets in de B-zijde, “Ooby Dooby” en liet het Roy nog eens overdoen. Ditmaal was het wel raak.
In zijn Sun-periode is Roy – zoals gebruikelijk bij Phillips – ook te horen op platen van andere memorabele collega’s zoals Jerry Lee Lewis, Carl Perkins en Johnny Cash, terwijl omgekeerd zij ook hem begeleidden. Elvis Presley was tegen die tijd echter reeds vertrokken.
De Sun-specialiteit waren natuurlijk rockplaten en daar was lantaarnpaal Orbison uiteraard minder voor geschikt, al dwong Sam Phillips hem voortdurend dergelijke dingen op te nemen (later zou Roy hem “een tiran” noemen). Roy’s grote doorbraak kwam dan ook pas na zijn overgang naar Monument in 1960. Zijn eerste single daar, “Only the lonely”, werd meteen een wereldsucces, al had hij ze tussendoor nog zonder succes bij RCA aangeboden, oorspronkelijk zelfs voor de King himself.

Ronny De Schepper
(met dank aan Raymond Thielens)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.