Vandaag is het precies twintig jaar geleden dat de Festina-ploeg uit de Tour de France werd gezet.

Eerder in het jaar was ploegdokter Eric Rijckaert (1943-2001) in opspraak gekomen omdat apotheker Kris Vanderstichele uit Lovendegem, die beschuldigd was van EPO in het zwart te verhandelen, zijn naam had vernoemd (*). Nadien werd renner Christophe Moreau als eindwinnaar van het Internationaal Wegcriterium betrapt op het gebruik van mesterolone (een anabolicum). De ploeg waste de handen in onschuld en stuurde verzorger Jean Dalibot omwille van een “persoonlijke fout” de laan uit. Maar kort daarna barstte de bom helemaal toen aan de vooravond van de Ronde van Frankrijk Willy Voet aan de grensovergang in Neuville-en-Ferrain werd betrapt met een karrevracht EPO, anabolica én intralipid om het effect van deze laatste te verdoezelen. Werd er gefluisterd dat de Franse politie door Dalibot was getipt, omdat hij op wraak uit was, dan keerde de pers zich toch volop tegen de ploegleiding (Bruno Roussel en Dr.Ryckaert) aangezien die er ook nu weer op uit was een “kleine garnaal” (nu dus Voet) te laten opdraaien voor wat een perfect georganiseerde vorm van doping leek. Rijckaert zelf wijst in Humo van 21/3/2000 naar Christophe Moreau als de mogelijke verklikker.
Plotseling kwamen de prestaties van Richard Virenque, Laurent Dufaux en vooral wereldkampioen Laurent Brochard in een ander daglicht te zijn. Toen Alex Zülle toegaf dat hij ook bij O.N.C.E. reeds EPO had gebruikt en Gilles Bouvard voor zijn Casino-tijd naar “dealer” Rodolfo Massi verwees, was het hek van de dam. Massi, op dat moment leider in het bergklassement, werd als eerste in de geschiedenis van het wielrennen door het gerecht uit koers genomen en mocht de bolletjestrui voor een streepjespak inwisselen. Vooraf was Festina reeds uit de wedstrijd gezet en nadien volgden alle Spaanse ploegen, een paar Italiaanse en ook het Nederlandse TVM, waarvan de Russische ploegdokter eveneens met een voorraad EPO werd betrapt (bedoeld voor een Russisch ziekenhuis, zei hij), volgde uit vrije wil dat voorbeeld.
Toch bleef Rijckaert tot aan zijn dood (**) het gebruik van EPO verdedigen. De meeste hartdoden zijn immers in de jaren tachtig te situeren, terwijl het hoogtepunt van het EPO-gebruik rond 1994 (Gewiss!) ligt. Indien er een verband tussen beide zou zijn, dan zou rond die tijd ook het aantal hartstilstanden moeten toenemen, maar precies het omgekeerde is het geval. Rijckaert is overigens ook diegene die Geert De Vlaeminck had aangeraden te stoppen, maar net als Nico Mattan ging De Vlaeminck naar een andere dokter om toch maar te kunnen blijven verder koersen.
Net zoals zijn studiegenoot Jacques Rogge vindt Rijckaert topsport eigenlijk ongezond. “Ik heb alleszins nooit beweerd dat topsport iets is voor de massa. Topsport is voor een kleine groep met speciale aanleg en speciale motivatie. Niemand zegt dus dat topsport voor iedereen is weggelegd, maar wel moet iedereen een valabele lichamelijke opvoeding krijgen, zodat men later op een recreatieve manier aan sport kan gaan doen en bij diegenen die er aanleg voor hebben en ook gemotiveerd zijn kan dat dan competitief gebeuren, zodat daaruit een hele kleine elite kan groeien. Topsport in België dat zijn tweeduizend mensen, hé! Terwijl er zo’n vijf miljoen mensen op min of meer regelmatige basis recreatief of competitief aan sport doen. Dan is het toch duidelijk dat het hier om uitzonderingen gaat? Want er zijn inderdaad ook nadelen verbonden aan de topsport. Dat weten wij zeer goed en dat proberen wij te controleren. Maar wij hebben nooit gezegd dat topsport een middel was om de volksgezondheid te verbeteren.” (Uit mijn eigen interview met hem.)
Volgens Dr.Rogge is het b.v. gewoon onmogelijk om de Ronde van Frankrijk te rijden zonder medische hulpmiddelen (en ook de Ronde van Italië, als we zijn allusie op de Merckx-affaire zo mogen interpreteren), maar met de manier waarop Rijckaert de “gezondheid” van de renners op peil tracht te houden, kan Rogge niet akkoord gaan.
Jacques Rogge (in “De Morgen” van 28/1/1997): “Er zal altijd een kloof bestaan tussen de ontdekkingen in de medische wereld en de oneigenlijke toepassingen ervan. Wij moeten wachten tot een product op de markt is, voor wij middelen kunnen ontwikkelen om die producten op te sporen. Zo is het altijd gegaan. (…) Een treffend voorbeeld vind ik de ‘affaire Delgado’ in de Ronde van Frankrijk. Delgado werd in de Tour ’88, die hij won, betrapt op het gebruik van probeniscide. Probeniscide moest het gebruik door Delgado van anabolica maskeren. Tegelijk was er het plotse ontdekken van het product in de Pan American Games. Toen is de helft van de atleten naar huis gegaan, zogenaamd omdat iedereen ziek was. Dat was onzin natuurlijk. Het verhaal stamde uit een wetenschappelijk onderzoek, verricht door een vrij obscuur Scandinavisch labo, dat publiceerde in een even obscuur wetenschappelijk tijdschrift. ‘Als je probeniscide neemt, kunnen anabolica niet worden opgespoord,’ was de conclusie. Daar hadden misschien maar honderd mensen in de wereld weet van, vakspecialisten. En toch ziet men dat tal van atleten probeniscide nemen. Het kan niet anders, of ze worden van informatie voorzien door artsen en wetenschapslui die het met de medische ethiek niet nauw nemen en doelbewust atleten doperen. Eigenlijk zijn we naïef, dat we sancties blijven voorschrijven. We weten dat er zwakke schakels zijn, en dat die er altijd zullen zijn.”

Ronny De Schepper

(*) Eric Rijckaert was in het wielrennen gekomen bij het Flandria van Freddy Maertens (1974). Daarna is hij een tiental jaren uit het peloton verdwenen, maar hij keerde terug in 1988 bij de ploeg Tulip van José De Cauwer: “Bij Tulip kreeg ik pas echt een vinger in de pap. Het medische luik werd veel belangrijker, en de teamleiding zag in dat het experimenteren niet kon blijven duren.” (tegen Hans Vandeweghe in “Wie gelooft die renners nog?” p.327)
(**) “Eric wilde uitleggen hoe hij epo duldde omdat het een perfect vervangmiddel was voor het veel gevaarlijker cortison, maar daar had de onderzoeksrechter geen oren naar. Dus bleef hij zitten in dat gevangenishol in Douai waar tbc de ronde deed. Als gevolg daarvan kreeg Eric tweewekelijks een long-RX. Op een van die foto’s zag hij een vlek op zijn longen. Hij vroeg de dienstdoende gevangenisarts om dat van nabij te onderzoeken; de arts weigerde en zei: `Laat het onderzoeken als je naar huis gaat.’ Naar huis kon Eric pas als hij feiten toegaf die hij nooit had gepleegd, en dat weigerde hij. Uiteindelijk kwam hij na honderd dagen vrij, en bij zijn eerste bezoek aan een echte arts was het verdict onverbiddelijk: longkanker. (…) Toen was hij al terminaal. De longkanker was niet op tijd behandeld en uitgezaaid.” (Hans Vandeweghe, Wie gelooft die renners nog? p.15)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.