In februari 2013 heb ik “Requiem voor de muziek” gelezen, een boek van Norman Lebrecht, de man die berucht werd met zijn “Mythe van de Maestro” en die vandaag zijn zeventigste verjaardag viert.

“De Mythe van de Maestro” heb ik graag gelezen, zodat ik dit “Requiem” heb meegenomen voor een zacht prijsje op een boekenverkoop in Destelbergen. Deze keer heb ik me echter door het boek moeten “sleuren”. Niet dat Lebrecht “doesn’t deliver“, hij geeft wel degelijk een uitgebreide opsomming van de zakelijke kant van de klassieke muziek, vooral wat management en verkoopstechnieken aangaat. Maar eigenlijk is dat hoegenaamd niet interessant. Je wéét natuurlijk wel dat er ook in deze tanende sector groot geld mee gemoeid is en dat paradoxaal genoeg in tijden van crisis dat grote geld aan enkele opgeklopte reputaties wordt gespendeerd en dat het echte talent vaak in de kou blijft staan. Maar na pakweg vijftig of honderd pagina’s heb je het wel gehad. En dan zijn er nog meer dan vierhonderd te gaan!
De marketing van de drie tenoren, van Nigel Kennedy of van Vanessa-Mae, het passeert allemaal de revue, maar je wordt daar zo moe van, zoals kabouter Lui zou zeggen. En natuurlijk zit de oplossing bij de kleine niche-bedrijfjes, zoals Lebrecht ook aanstipt op het einde van zijn boek. Maar voor de historische uitvoeringspraktijk heeft hij zo weinig belangstelling dat zelfs in dat slothoofdstuk de grote namen achterwege blijven. Dat die grote namen dan toevallig ook nog uit ons eigen land komen, stuit des te meer tegen de borst, maar voor wie denkt dat ik vanuit een “nationalistische” refleks reageer, die kan ik “gerust” stellen met het feit dat buiten een korte vermelding van Nikolaus Harnoncourt en Christopher Hogwood, niemand maar dan ook niemand van de “authentieken” al was het ook maar even vermeld wordt. In zijn aanval op Herbert Von Karajan vermeldt Lebrecht (terecht) dat deze de historische uitvoeringspraktijk heeft verboden op het Festival van Salzburg, maar het lijkt wel of Lebrecht zelf ook zo’n verbod heeft uitgevaardigd!
47 nipperNaast deze twee belangrijke kritieken, heb ik mij ook nog geërgerd aan een aantal kleinigheden. Zo wordt de beroemde operaregisseur Franco Zeffirelli die vandaag overigens zijn tachtigste verjaardag viert, plotseling een dirigent (p.31) en een extravagante dan nog wel! En op p.88 wordt His Master’s Voice plotseling “de studio met de hond en de trompet”. Nu, uiteraard zit Nipper niet naar een trompet te luisteren, maar naar de hoorn van een fonograaf. Maar de grootste fout staat wellicht op p.95 waar de Engelse celliste Jacqueline du Pré een “soevereine violiste” wordt genoemd. Dat is alleszins nog van een andere orde dan Cecilia Bartoli die op p.448 een sopraan wordt genoemd (i.p.v. mezzosopraan).
Toegegeven, een aantal fouten (b.v. de vertaling van “director” als “dirigent” i.p.v. als “regisseur”) komen wellicht op rekening van de vertalers (Marijke Koekoek, Bert Stroo en Jeroen Warner), want ik heb de Nederlandse uitgave bij Gottmer, Haarlem (1996) gelezen. De dt-fout p.239 (“dat ik drie jaar lang wordt opgesloten in een artistieke kerker”) kan ik alleszins moeilijk in Lebrechts schoenen schuiven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.