Het is vandaag precies 120 jaar geleden dat de Vlaamse schrijver Gerard Walschap (foto Canvas) werd geboren.

Gerard WalschapHij kwam in 1921 na een mislukte priesteropleiding in zijn geboortedorp Londerzeel terug. Er was toen iets ‘wereldschokkends’ met de jonge Walschap gebeurd: ‘Ik heb dan ingezien dat ik eigenlijk niets dan flauwe dingen geleerd had en dat de mensen daar in Londerzeel even wijs waren als ik, die van kleins af in de boeken gezeten had. Die terugkeer tot het volk, is de grote schok in mijn leven geweest. Vandaar dat streven naar eenvoud en een zekere lust om uit te dagen, een drang om te tarten, om de geleerden uit te lachen en al diegenen die plechtig doen.’
Bij zijn debuut (met tranerige poëzie zoals “Liederen van Leed” uit 1923 en “De loutering” uit 1925) was Walschap destijds overigens ook grondig gekraakt door Paul van Ostayen, maar dat had hem dan in de richting van de roman gedreven, een genre waarin hij tot 1957 (“De Française”) toch een aantal meesterwerken heeft afgeleverd, te beginnen met de humanitair-expressionistische roman “Waldo” (1928). Het grote voorbeeld voor Walschap is Fjodor Dostojevski. Toch is zijn credo: “De roman is een verhaal en niets dan een verhaal!” Daarom gooit hij alle beschrijvingen, vooral zielsontledingen, en psychologische motiveringen en uitvoerige gesprekken overboord.
DE FAMILIE ROOTHOOFT
En toch verwierf hij grote bekendheid met “Adelaïde” (1929), de eerste van een reeks opmerkelijke psychologische romans, waarmee hij dit genre in het Nederlandse taalgebied vernieuwde.
De eerste cyclus van deze romans, “De familie Roothooft” (1939), bestaande uit een herdruk van “Adelaïde”, “Eric” (1931) en “Carla” (1933). Op het internet schrijft Joris Gerits: “In het Sint-Romboutscollege te Mechelen heb ik de Grieks-Latijnse humaniora gevolgd in de tweede helft van de jaren vijftig van de vorige eeuw. Ik leerde er Gerard Walschap kennen via de Nederlandse bloemlezing met literatuurgeschiedenis voor de hoogste klassen van het middelbaar, technisch en normaal onderwijs van Dr. L. Debaene. Ik heb die bloemlezing nooit in eigen bezit gehad, mijn ouders ontleenden die voor mij tegen een lage prijs uit het boekenfonds van de Oud-Leerlingenbond van dat befaamde college. Tot mijn grote vreugde bleek de bibliotheek van het Ruusbroekgenootschap een exemplaar te bezitten, dat ik meteen herkende als De Bron, die ik een halve eeuw geleden dag in dag uit in mijn boekentas naar de klas heb meegenomen. Er staat een fragment in uit het middelste deel van de trilogie De Familie Roothooft, Eric dus uit 1930, dat in De Bron onder de titel ‘Eric op school’ is opgenomen met volgende inleiding: ‘Na de dood van zijn moeder, een abnormale, perverse vrouw, wordt Eric vertroeteld en verkeerd opgevoed (een motief dat Walschap ook later graag behandelde)’.(p.648)
En om na te gaan of we het fragment goed gelezen hadden stonden onderaan cursief in voetnoot vragen die we moesten beantwoorden. Vragen zoals: Is Eric psychologisch goed getekend? Bemerk je dat hij aanleg heeft voor krankzinnigheid? Zijn de reacties van zijn schoolvrienden normaal? Als ik er nu op terugblik dan constateer ik dat wij als 16-17-jarige scholieren vragen in de maag gesplitst kregen waarmee gepokt en gemazelde therapeuten het vandaag de dag evenmin gemakkelijk zouden hebben om ze te beantwoorden.”
Een decennium later, op 17 januari 1969 om precies te zijn, kregen wij van Anton van Wilderode precies dezelfde opdracht en dit is wat ik er toen van heb gemaakt. Ik mag het hier wel met enige fierheid citeren want ik kreeg er 9 op 10 voor, met de vermelding “zeer wel”.
1) Syntactische eigenaardigheden
De stijl van Gerard Walschap in zijn geheel is in feite één eigenaardigheid. Men kan er voor- of tegenstander van zijn, het is tenminste een stijl die in het oog springt, die “schokt” (“goed!” schrijft AvW in de marge). Het gevolg hiervan is dat de aandacht van de lezer erdoor gewekt wordt. Het is een verhaal, waaraan men niet zo maar voorbijgaat, na de eerte regels te hebben gelezen. Het meet voor de hand liggende wapen om dit effect te bereiken, is het gebruik van korte, snedige zinnen. Het is als het ware telegramstijl (weer een goedkeurende bemerking van AvW). De werkwoorden vooral en de woordkeuze in het algemeen is hier ook op gericht. In dit geval kunnen we zeggen dat de taal zich aanpast aan het milieu, welke vorm ontegensprekelijk te verkiezen is boven het gebruik van het dialect. Om hen te overtuigen, die er nog zouden aan twijfelen (als die er nog zijn) dat taal op zichzelf reeds heel goed een bepaald gevoelen kan meegeven, volstaat het hen een tekst van Walschap in handen te stoppen en zij zullen ogenblikkelijk dit feit volmondig beamen. De voorbeelden van dit alles zijn legio, maar mij sprak het zinnetje “De klas schrok zich doodstil” het meest aan. (En AvW blijkbaar ook, want hier staat er zelfs “zeer goed” in de marge.)
2) Het karakter van Eric
Misschien mag ik wel zeggen dat Eric een type is, maar dan een zeldzaam type. Toch kennen wij ze allemaal: de soezende kolenhaarden, die bij een vonk ontvlammen. Het zijn mensen (want het is niet alleen bij kinderen het geval), die niet opvallen in de massa, maar die dan bij een directe aanleiding plots een daad begaan, die men van hen niet had verwacht en die dan ook meestal faliekant afloopt. Zo typeert Eric zichzelf dan ook overduidelijk bij het incident met de schrijfwijze van het streepje van de “t”. Hier vallen overigens nog twee zaken op: het feit dat het om een absurditeit gaat, wijst erop dat Erik een honger had naar de dag waarop hij zich eens zou kunnen manifesteren (weer een schouderklopje van AvW) en dan ook op die dag (die hij mentaal aanvoelt), tot uitbarsting komt, ook al is het dan omwille van een kleinigheid. De aggressiviteit van Eric wijst op hetzelfde, maar daarenboven ook nog op het feit dat hij wil reageren tegen zijn omgeving, tegen de manier waarop men hem behandelt. Dit laatste zou ik ook nog willen zien in het licht van zijn zogenaamde krankzinnigheid (dat ik “zogenaamde” heb onderstreept, draagt blijkbaar de goedkeuring weg van AvW): volgens mij is deze vaststelling een gevolg van zijn tegenstrijdige natuur, wat nog in de hand wordt gewerkt door zijn verwenning.
Gans mijn bewering kan ongeveer samengevat worden in het zinnetje dat Walschap in de mond van de onderwijzer legt: “Een stille maar hartstochtelijke natuur.” Er is echter één belangrijk feit dat hieraan ontsnapt, namelijk het gevecht met het mes. Waarom? Eenvoudig, hier is de oorzaak reeds vaag aanwezig en dit is dus in contradictie met wat ik daarnet zei, namelijk dat de uitbarsting een gevolg is van een directe aanleiding. Dit is het enige wat misschien wel op een haatdragend-krankzinnige natuur zou kunnen wijzen.
3) Het sociale milieu
Het verhaal speelt zich af in een milieu dat door alle tijden heen steeds zal blijven bestaan, maar waarvan enkel het kader wordt verlegd. Tussen de twee wereldoorlogen waren dat de kleine dorpjes met de “notabelen” om naar op te zien en tegelijkertijd om afgunstig op te zijn (in dit geval b.v. de apotheker), nu zijn het de achterbuurten van de grootsteden. Ook hier kunnen we weer gans mijn oordeel samenbrengen onder één zinnetje van de auteur: “… waar de mensen ’s avonds in de donker aangerand worden.”
CELIBAAT
“De familie Roothooft” was katholiek bedoeld, maar werd door een deel van de clerus slecht bejegend, hetgeen bij de schrijver een gekwetste vervreemding tegenover de kerk teweegbracht, die na jaren van eenzame twijfel zou leiden tot vrijzinnigheid, afwisselend agressief en tolerant. Het eerste voorbeeld daarvan is “Celibaat” (1934) dat in een bewerking van Tom Lanoye door het NTG werd gespeeld (première 24 maart 2001).
De katholieke kerk reageert verontwaardigd. Zijn jeugdvriend en pastoor Jan Hammenecker stelt het als volgt: “Beste Gerard, hebt Gij dit geschreven? Gij? Zoon van Uw Vader en Moeder? En uw kinderen, als ze dat later lezen: Vader was nondedju ‘ne smeerlap, of hoe zullen ze vloeken?”
“Celibaat is een naar en drukkend boek, het is een bevrijding de laatste bladzijde dicht te slaan. Het mist alle spiritualiteit en gaat onder in drift, verdoving en erotische aberratie. Dit boek is een trieste, wormstekige vrucht.” (Boekenschouw, 1935)
“Ons volk heeft niets aan zulk een boek, het weze dan nog een monument. En onze studerende jeugd neme het niet ter hand. Zedelijk misvormde ‘heerkens’ stoot het uit. Er zijn prachtmensen ook.” (E.V.D., De Nieuwe Kempen)
Toch kon Walschap ook rekenen op medestanders in het katholieke kamp, zoals Anton Van Duinkerken en Gerard Knuvelder in het Noorden en bij ons Urbain Van de Voorde en André Demedts – overigens allerminst progressieve figuren, maar intelligent en integer genoeg om het talent en de eerlijkheid van Walschap naar waarde te schatten.
Een vrijzinnige als Jan Greshoff schaarde zich daarentegen dan weer in het kamp van de tegenstanders: “Celibaat is het karakteristieke voorbeeld van wat men ‘un faux chef‑d’oeuvre’ heet.” (in De Arnemsche Courant)
Ook Willem Elsschot kon de “ontkerstende” Gerard Walschap niet uitstaan. Volgens Carla Walschap was dat omwille van “misverstanden”. Zo b.v. de geweigerde vertaling van “Genezing door aspirine” (1943) in het Frans door Elsschot. Of het feit dat Elsschot geen lid mocht worden van de KVA. Tweemaal legde Elsschot hiervoor de schuld bij Walschap, terwijl hij het juist was die de kandidatuur van Elsschot naar voren had geschoven. Erger was dat, toen ze in het begin van de jaren vijftig in dezelfde straat woonden, zoon Lieven Walschap verliefd werd op dochter Anna De Ridder. Op de koop toe was Lieven slechts 18 en Anna 36. Bovendien liep ze doorgaans dronken en Lieven Walschap was goed op weg haar voorbeeld te volgen, tot vader Walschap zijn zoon zozeer rond zijn oren zaagde dat die uiteindelijk met een nicht van Anna is getrouwd. De zoon van Elsschot zegt dan weer dat Walschap en zijn vader in die tijd geregeld bij elkaar in de brievenbus gingen plassen. Johan Anthierens heeft echter “wetenschappelijk” vastgesteld dat dit een legende is: de bussen zijn te hoog geplaatst…
Maar goed, we hadden het eigenlijk over “Celibaat”. Waarover gaat dit boek nu eigenlijk?
Ooit voerde het geslacht d’Hertenfeldt een heus schrikbewind in het dorp. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog doet de laatste telg van het geslacht, André, er zijn blijde intrede. Het Heerke Andreeke is alles wat zijn voorvaderen niet waren: in niets doortastend en vooral bereid tot goede werken. Achter deze façade zit echter een heel ander persoon met wrede en sadistische natuur.
“Het was een dik opgeblazen bleek kind, ros, met een waterhoofd. Het vroeg naar zijn zondagse bloek, moest zijn welk maken en iemand die loog was een leuneer. Het dierf niemand in de ogen kijken. Het kon in de school niets leren. Sprak de meester het bars toe, dan stotterde het. Maar het schreide nooit en toen het negen was, heeft het zijn kanarievogel uitgehongerd door er tweemaal daags aan de meiden zaad en water voor te vragen en dat listig in de w.c. te werpen. Zo belette hij dat de meiden naar het vogeltje omkeken en toen het dood lag had hij een heimelijk en diep plezier.”
In “Celibaat” staat de kanarie symbool voor de eenzaamheid. Walschap laat de pastoor aan het Heerken vertellen hoe belangrijk het is om een compagnon te hebben: “André, kan ik u eens onder vier ogen spreken? Mannen ondereen? Ik zal het u kort en bondig zeggen, in de vorm van een parabel. Tot voor kort had ik een kanarie. Nu ben ik zelfs die kwijt. En dat knaagt André. De bijbel zegt het al: Wee de eenzame. Het is een toestand die niet deugt. Verstaat ge wat ik wil zeggen? Ook de vrouw is een zangvogel, André. Zij brengt vreugde in huis, en licht. Het moet op dat schoon kasteelke van u soms triestig zijn. De man die zich opoffert voor het welzijn van heel het dorp, verdient zelf toch ook een huis te hebben waar het geluk heerst. Verstaat ge het nu?”
Maar de achterdocht die André koestert, wijkt ook niet voor Ursule, de vrouw die hij bemint: “Brengt haar in het donker naar zijn kamer, hij zal haar dan wel meester zijn. Ze zal weten dat hij sterk en hardvochtig is. Hij zal het haar zeggen: Hij gelooft in god noch duivel, hij is bang voor niets en van u wil hij plezier.”
Pas wanneer hij verminkt, met een stukgeschoten gezicht en op sterven na dood, terugkeert uit de oorlog is hij bevrijd: “Als de God waaraan André niet gelooft, bestaat, dan heeft hij hem met een obus op zijn smoel geslagen om te zeggen: hebt ge nu genoeg?”
“Celibaat” gaat over het masker dat iemand draagt en het verlies daarvan. Over de spanning tussen wat er letterlijk gezegd en in werkelijkheid gedacht wordt, over stukgeslagen illusies, over het spreken als een vorm van niet‑spreken. Over pluimstrijken en konkelfoezen, en ook en vooral over eenzaamheid…
In 1986 schrijft Tom Lanoye aan Walschap een brief: “Had dan toch in het Engels geschreven, Gerard! ‘De ongelooflijke avonturen van Tilman Armenaas’ zou al tien keer verfilmd zijn geweest door Dino de Laurentiis. Maar het meest hou ik van ‘Celibaat’, te verfilmen door Scorsese, naar een scenariobewerking van Schrader. Akkoord, het heeft zijn titel tegen. Ik dacht ook dat het over lesbische nonnen zou gaan. Maar niets daarvan.” (Uit Vrij Nederland, 24 mei 1986)
Tegenover denkproblematiek en geciviliseerde maatschappij staat Walschap in een deel van zijn oeuvre rationalistisch positief; in een ander deel, o.a. in “Sibylle” (1938) en “Bejegening van Christus” (1940), wordt de ratio als destructief en elke cultureel‑maatschappelijke binding als een ondraaglijk juk beschouwd. Zo verheerlijkt Walschap de eenvoud en geborgenheid in het primitieve volkse leven (“Volk”, 1930; “De dood in het dorp”, 1930; “Een mens van goede wil”, 1936; “De wereld van Soo Moereman”, 1941). “Een mens van goede wil” (1936) kan men beschouwen als het “evangelie” van Gerard Walschap. Tegenover het opkomende fascisme stelt hij de totale naastenliefde.
HOUTEKIET
Vanaf “Sibylle” (1938) kunnen we spreken van een korte “vitalistische” passage in het werk van Walschap. Hij verdedigt de agressieve vrijheid tegenover alle maatschappelijke normen (“Het kind”, 1939; “De consul”, 1943) of de probleemloze vrijheid in “Houtekiet” (1939), één van zijn meesterwerken.
Jan Houtekiet is een zwerver, die in de buurt van Deps (De Hespe), een verwaarloosd domein van een graaf, leeft en door zijn buitengewone lichaamskracht en het verleiden van talrijke vrouwen een legendarische figuur wordt.
Eerst zijn er Lien en Liza, twee boerenmeiden, die voor zijn “liefde” wedijveren. Eigenlijk is het foutief deze term te gebruiken daar Jan dit gevoelen niet kent, het is eerder te vergelijken met de dierenwereld, waarin ieder dier met elk ander paart, maar toch een vast wijfje heeft. Lien wordt dat wijfje en Liza is verschrikkelijk jaloers. De boswachter, die Houtekiet probeert te doden wegens zijn stroperijen, is haar toevlucht. Eerst om zijn jaloezie op te wekken (wat uiteraard niet lukt: hij geeft de boswachter en haar een pak ransel en legt zich dan met haar neer), daarna om hem te doden. het is maar een schampschot en Jan slaat de boswachter neer met zijn eigen geweer.
Wanneer Lien een kind verwacht van Houtekiet, wordt ze van het erf verdreven. Ze vlucht naar Jan en deze bouwt voor haar een hut op de plaats waar hij de boswachter heeft begraven: Deps is geboren.
De tweede bewoners zijn Joep Joppe, een vlijtige, goedige sul, en Liza, die deze tiranniseert en gelijke tred houdt met Lien, wat betreft kinderen krijgen van Jan. (Later zal ze moeten “lossen”, want bij Lien heeft hij er “minstens zestien”…)
De volgende is d’Hurlumont, een Provençaals, berooid edelman, die drie vrouwen heeft gehad en telkens evenveel kinderen. Zijn adel, zijn geweer en zijn kracht doen Liza besluiten het met deze te wagen om de uitverkorene van Houtekiet te worden. Deze laat echter zijn alleenrecht op haar gelden en ontwapent d’Hurlumont. Om zich te wreken neemt Jan later diens oudste dochter, Iphigénie. Wanneer d’Hurlumont hoort dat zij van hem een kind verwacht, wil hij hem doden, maar Houtekiet is hem te vlug af. Bij het gerechtelijk onderzoek zwijgt Iphigénie, want zij is Houtekiet hartstochtelijk gaan beminnen en ook hij ondervindt dat zijn verhouding tot haar meer is dan gewone paardrift.
Dan verschijnt Nard Baert ten tonele. Deze is een handelsman en in die hoedanigheid is hij medestichter van Deps: hij brengt er namelijk voorspoed en organisatie. Hij huwt Iphigénie en het zijn zij beiden die er Houtekiet toe aanzetten (lees: dwingen) eerst om de grond af te kopen van de graaf, later om een kerk te bouwen. De kerk is een gevolg enerzijds van een golf van bijgeloof onder de vrouwen van Deps en anderzijds van Jans verlangen om een hoge toren te bouwen.
Er moet nu ook een pastoor aangesteld worden. Deze moet aan de volgende eisen voldoen:
(1) hard kunnen zingen;
(2) goed kunnen preken (d.i. zó hard op de preekstoel slaan, dat men denks dat het spel gaat ineenstuiken);
(3) plezier kunnen verdragen.
Pastoor Apostelis (Apostel) voldoet zelfs aan meer dan deze drie eisen. Hij weet ook Houtekiets vertrouwen te winnen door vriendelijk te zijn tegen zijn beer. Jan heeft deze gekocht van foorkramers en het is misschien zijn intiemste vriend (zou er een Engelse vertaling van “Houtekiet” bestaan? dan moet John Irving die zeker eens lezen!). Wanneer Houtekiet hem gaat opzoeken in de blokhut, die hij voor hem heeft gebouwd, haalt de beer twee stoeltjes buiten en zitten ze samen met hun armen gekruist naast elkaar.
Met de kerk (ingekapseld in maatschappelijke structuren) is ook het leven veranderd in Deps en Houtekiet trekt er weer van onder met zijn beer. Hij sluit zich aan bij foorkramers, maar het heimwee kwelt hem en hij verkoopt zijn beer en keert terug. Lien dwingt hem nu met haar te trouwen. Hij stemt toe al ziet hij er het nut niet van in.
Ondertussen ligt Iphigénie op sterven. Zij vertelt hem van haar grenzeloze liefde en zegt dat zij in het hiernamaals elkaar nog zullen beminnen. Houtekiet die nooit heeft geloofd in een onsterfelijke ziel, begint daaraan te twijfelen wanneer hij haar na haar dood nog steeds “bij zich” voelt.
Het boek is doorspekt met milde humor (geïncarneerd in de metser Leis), die zich o.m. uit in gezegden zoals “koekoek doen” of “dada doen”.
Het is een verheerlijking van een anarchistische gemeenschap, maar tegelijkertijd toont het er de noodzakelijke teleurgang van aan.
Tot hoofdstuk 15 is de compositie geconcentreerd rond de zeldzame bewoners van Deps, waardoor ze rechtlijnig is en een eenheid vormt. Daarna zijn er teveel figuranten, zodat het wanordelijk en anekdotisch wordt.
De daad vervangt de dialoog.
Het conflict tussen natuurinstinct (Houtekiet) en “beschaving” (samenzwering tussen kapitalisten, adel en kerk) doet ons aan Jean-Jacques Rousseau denken: de mens is van nature goed, het is de maatschappij die hem slecht maakt.
Alhoewel Houtekiet onderhevig is aan het “sociaal determinisme” (en eraan ten onder gaat: zijn tweede zwerftocht mislukt), toch is hij ook een soort Raskolnikov, een Uebermensch die de wetten met de voeten mag treden. Men kan zich dus afvragen of het wegens de opkomst van het fascisme is dat Walschap zijn conclusies niet tot het einde toe heeft doorgetrokken.
We leren in dit boek ook Walschaps opvattingen over kunst kennen. Zij moet ten dienste van de gemeenschap staan, maar de problemen behandelen van het individu dat dichter bij de oerbronnen van het leven is gebleven dan dit met de massa het geval is.
In de religieuze ondergrond kan men nog steeds resten uit zijn eerste periode onderkennen. Denk maar aan Apostel die een geloof predikt, ontdaan van alle kerkelijke dogma’s e.d.
De politieke ondergrond is een verheerlijking van een sociaal gecorrigeerd liberalisme. In 1961 schreef Walschap een vervolg met “Nieuw Deps” en daarin evolueert die verheerlijking zelfs tot een paternalistisch kapitalisme.
ZUSTER VIRGILIA
“Houtekiet” was het hoogtepunt van de vitalistische periode van Gerard Walschap, maar in het tweede deel sijpelt de vergeestelijking reeds door die zijn werk vanaf “Bejegening van Christus” (1940) zal kenmerken.
Na de oorlog wordt hij door de Vlaamsche Vereeniging van Letterkundigen aangevallen omdat hij “verdacht veel” in het gezelschap van Ernest Claes en Felix Timmermans zou hebben vertoefd, zo wordt hem gerapporteerd door Toussaint van Boelaere. Het antwoord van Gerard Walschap is kort maar krachtig: “Zeg hen dat ze mijn klooten kunnen kussen en dat ik godverdomme zolang ik leef zal omgaan met wie ik wil.”
Nochtans was er toch wel wat meer aan de hand dan enkel “omgaan met” of “in gezelschap vertoeven”. Zo werd op 18 september 1940 een manifest gepubliceerd in “Volk en Staat” dat was opgesteld door Jef Van De Wiele, Filip De Pillecyn, Paul De Vree en… Gerard Walschap, waarin gepleit wordt dat “de scheppende kunstenaars zich (zouden) organiseren in plaatselijke, gewestelijke en landelijke kamers en gilden, dat deze organisaties ook de corporatie zou zijn van de stoffelijke belangen van de scheppende kunstenaars, maar meteen ook de ideologische spreiding op zich zou nemen. Langs de andere kant moet de verspreiding van de kunst bij de volksgemeenschap gebeuren in overleg met organisaties van volkse kunst.”
Walschap zag spoedig in dat het met dit manifest “de verkeerde kant” uitging en hij heeft zich dan ook korte tijd na de publicatie ervan uit het bedenkelijke gezelschap teruggetrokken (*). Literair verwoordde hij deze problematiek in “Zwart en wit” (1948).
De psychologische probleemroman “Zuster Virgilia” (1951) deed zelfs Etienne Vermeersch zijn geloof verliezen. “Het mooiste heiligenleven in de Nederlandse literatuur is geschreven door een ongelovige,” zegt men. En daarmee bedoelt men dan dit boek, dat in 1986 werd heruitgebracht door Manteau. Het spreekt vanzelf dat het weinig zin heeft om een diepgaande ontleding te brengen van een heruitgave, te meer daar bijvoorbeeld over de directe stijl van Walschap al genoeg is geschreven. Neen, wij waren vooral benieuwd om te zien of de problematiek de lezer van 1986 nog kan boeien. En het antwoord hierop is tweeërlei. De kern van de zaak, namelijk enerzijds de vraag of “wonderlijke dingen” een godsbewijs zouden zijn en anderzijds of het inderdaad een teken van “heiligheid” is om zichzelf (totterdood) te kastijden, is zeker pregnant behandeld in de figuur van de “goddeloze” Robert, door wiens mond duidelijk Walschap spreekt. Anderzijds kan men niet ontkennen dat dit gegeven over 231 blz. toch een beetje te lang is uitgesmeerd en dat vooral de kwezelachtige passages in het begin doen verlangen naar de pregnantie van de drie minuten durende single “Céline” van Hugues Aufray, die tenslotte toch over hetzelfde gaat…
Daarna volgde de koloniale roman “Oproer in Congo” en “Het kleine meisje en ik” (beiden uit 1953) en in 1955 verscheen dan “Salut en merci” wat door L.P.Boon werd bestempeld als “een heroïsch gevecht met bagatellen”. Datzelfde jaar schreef Walschap ook een aflevering van “Schipper naast Mathilde” (“De exploten van kapitein Matthias Biebuyck”).
TILMAN ARMENAAS
Sommige literair-historici rekenen “Tilman Armenaas” (1960) tot de pikareske of schelmenroman, waarvan het volksboek van Tijl Uilenspiegel in de Nederlandse literatuur als prototype mag gelden. Qua vorm mag deze typering misschien nog gerechtvaardigd zijn door de heterogene verteltrant (kaderverhaal met parabels, interviews, redevoeringen, flashbacks, allegorieën enz.), maar wat de inhoud betreft gaat dit niet op, vooral voor de hoofdfiguur zelf: Tilman is geen Tijl, man!
Literair-technisch gezien is hij eerst en vooral een “round character” (p.192) i.p.v. het gebruikelijke “flat character” (zwart-wit tekening; de goeden en de slechten). Ideologisch is hij geen schelm maar, net als zijn geestelijke vader die duidelijk door zijn mond spreekt, een biefstukkensocialist.
In die hoedanigheid is het werk dan ook de bijbel van het reformisme, die bol staat van anticommunistische uitlatingen (p.158, 172). In die hoedanigheid kan hij ook de lof van het kapitalisme zingen (p.334), verder aangevuld met conservatieve uitlatingen b.v. over de vrouwen (p.228).
Als je dit werk dan toch per se zou willen klasseren onder een klassiek genre, dan zou ik eerder het leerdicht willen suggereren. Niet alleen wegens de sterk moraliserende inslag, maar ook vanwege de grote eruditie die de schrijver ten toon spreidt.
Al mijn negatieve opmerkingen kunnen immers niet wegnemen dat men inderdaad nooit “ook maar de kleinste kans krijgt om zijn aandacht te laten verslappen”. Een turf van 344 blz. kan men niet “in één ruk” uitlezen, maar men legt het boek toch steeds met tegenzin terzijde. In zijn ouw’ dagen is Walschap nog steeds een boeiend, maar reactionair verteller.
Stilistisch schreef Walschap daarna weliswaar nog een paar modernistische romans (“Het gastmaal”, 1966; “Het avondmaal”, 1968). In 1969 is Gerard Walschap in het pamflet “De culturele repressie” zelfs de woordvoerder van een generatie (Piet Van Aken, Hubert Lampo, Ward Ruyslinck) die had afgedaan. Walschap had zich b.v. aan de kant van de Amerikanen geschaard wat de oorlog in Vietnam aangaat, maar wat er ook van zij: Walschap heeft in het Nederlandse proza een eigen stijl geschapen, die door directe zakelijkheid, een soms overrompelend ritme, laconieke plasticiteit, syntactische vrijheden en pittig gebruik van de Brabantse volkstaal een zeer sterke kracht bezit.

Ronny De Schepper

(*) Hugo De Schampheleire (wetenschappelijk vorser bij de Auschwitz-stichting) in Humo van 25/12/1986.

Referenties
R.D.S., Zuster Virgilia, De Rode Vaan nr.22 van 1986.
J.M., Een mens van goede wil, De Rode Vaan nr.35 van 1986.
Jean Weisgerber, De Vlaamse Roman, p.74 e.v.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.