Morgen zal het 45 jaar geleden zijn dat de Duitse dirigent Otto Klemperer is overleden.

Geboren in Breslau op 14 mei 1885 begon Otto Klemperer zijn muziekstudies in Frankfurt. Hij ging later naar Berlijn waar hij les kreeg van de componist Hans Pfitzner. Al spoedig bleek zijn aanleg voor het dirigeren. In 1905 maakte hij kennis met Gustav Mahler toen hij het Fernorchester, een orkest achter de coulissen, dirigeerde in diens Tweede Symfonie. Hij raakte met Mahler bevriend en verkreeg op diens voorspraak de post van dirigent aan de opera te Praag. In 1910 assisteerde Klemperer Mahler in München bij de eerste uitvoering van diens Achtste Symfonie, de Symphonie der Tausend.
Er volgt een periode met betrekkelijk korte aanstellingen. Zo dirigeerde hij van 1910 tot 1912 te Hamburg, in 1912-1913 te Barmen (toen nog een zelfstandige stad, nu gefusioneerd met Wuppertal) en van 1914 tot 1917 te Straatsburg. Tussen 1917 en 1924 was hij Generalmusikdirektor aan de opera te Keulen. Van 1924 tot 1927 was hij actief in Wiesbaden. In 1927 bereikte hij Berlijn, waar hij tot 1931 aan de Kroll-Opera dirigeerde. Hij bracht er vele composities in première, onder andere van Paul Hindemith (Cardillac en Neues vom Tage), Arnold Schoenberg (Erwartung), Igor Stravinsky (Oedipus Rex) en de “kleine suite”, die Kurt Weill speciaal voor hem uit “Der Dreigroschenoper” had geselecteerd. Dat werd hem niet in dank afgenomen door de nazi’s en aangezien hij ook nog jood was en in de Sovjet-Unie had gestudeerd, is hij amper één maand na de machtsovername van Hitler (na een oponthoud in Zwitserland) reeds naar de VS uitgeweken.
Daar ontpopte hij zich zowat als de tegenhanger van Bruno Walter. Op karakterieel vlak pleit dit in het voordeel van Walter, die vlot en sympathiek was, kortom een hoge “aaibaarheidsfactor” had, maar op politiek vlak vertegenwoordigde die ook de rechtervleugel die “vergevingsgezind” stond tegenover culturele collaborateurs. Klemperer daarentegen is, ook al kreeg hij ten tijde van zijn Kroll-opera ook tegenstand van de communisten wegens zijn eigentijdse ensceneringen (waarmee die op dezelfde golflengte zaten als de fascisten die hem zijn “Vliegende Hollander” b.v. kwalijk namen), eigenlijk steeds links gebleven. Maar dus wel een opvliegend en hautain man.
Daarom is de volgende anekdote juist zo leuk. Toen hij in de V.S. op stap was met George Mendelssohn-Bartholdy, stapten ze beiden een platenwinkel binnen, waar Klemperer zijn eigen versie vroeg van de vijfde symfonie van Beethoven. Die was niet binnen. “Maar ik heb wel een versie van Eugene Ormandy en één van Arturo Toscanini,” wist de verkoper trots te melden. Klemperer bleef op zijn standpunt: hij moest en hij zou de Klemperer-versie hebben. “En waarom dan wel?” bood de verkoper weerstand. “Omdat ik Otto Klemperer bén!” weerklonk het. De verkoper was “not impressed”: “Jaja,” lachte hij, “en die man naast u, dat is dan zeker Beethoven?” “Welnee,” antwoordde Klemperer geërgerd, “dat is Mendelssohn!”
Als dirigent van de Los Angeles Philharmonic Orchestra begon hij zich meer toe te leggen op werken van componisten als Ludwig van Beethoven, Johannes Brahms, de Weense klassieken (met name Mozart), Anton Bruckner en natuurlijk ook Mahler. Zijn uitvoeringen van deze werken zouden hem definitief beroemd maken. Van 1947 tot 1950 dirigeerde hij aan de opera van Boedapest. In 1950 werd hij voor drie jaar chef-dirigent van het Montreal Symphony Orchestra. Klemperer werd in 1959 chef van het Philharmonia Orchestra te Londen, dat tot dan toe geen chef-dirigent had aangesteld. Met dit orkest maakte hij in de jaren vijftig veel plaatopnamen. Aan het Londense operahuis Covent Garden dirigeerde en leidde hij een aantal producties, waaronder opera’s van Richard Wagner. In Nederland dirigeerde Klemperer verscheidene keren het Koninklijk Concertgebouworkest, met name tijdens het Holland Festival. Hij componeerde een aantal symfonieën, negen strijkkwartetten, een mis en een opera, Das Ziel.
Klemperers gezondheid werd verscheidene malen ernstig bedreigd. In 1939 werd hij geopereerd aan een hersentumor. Na de oorlog maakte een val in de orkestbak hem enige jaren het dirigeren onmogelijk. Bovendien had hij last van een bipolaire stoornis. In de jaren zestig kon hij met zijn armen nog maar nauwelijks dirigeren. Zijn wilskracht bleef echter onverwoest, waardoor kleine gebaren en zijn priemende ogen veel impact hadden. Dit uitte zich ook in zijn granieten aanpak van de muziek die hierdoor grote monumentaliteit kreeg. Klemperer was wars van sentimentele opvattingen, maar probeerde objectief en met distantie te laten musiceren. Hij stierf uiteindelijk in Zürich op 6 juli 1973.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.