“Ik was hard toe aan nieuwe schoenen. Weggedoken onder de paraplu slenterde ik over de winkelpromenade. Uit gewoonte liep ik de Free Record Shop binnen. Er staat daar altijd een enorme bak met aanbiedingen. Drie voor 25 gulden. Meestal zit er niets naar mijn gading tussen. Ik heb niet altijd zin om door alle cd’tjes te bladeren. Ook deze keer liet ik mijn oog vluchtig over de voorste hoesjes glijden. Steve Harley, Unplugged, wie was deze Harley ook al weer. Ik keek op de achterkant van het hoesje naar de songtitels. ‘Judy Teen’ ‘Mister Soft’. Klonk vaag bekend. Track nummer dertien: ‘Sebastian’. En opeens werd ik ver teruggeworpen in de tijd. ‘Somebody called me Sebastian,’ galmde het in mijn hoofd. Dit was een hit in 1974, ik was zeventien, Steve Harley and Cockney Rebel waren de uitvoerende artiesten.”

Ik was geen zeventien jaar in 1974, ik was 22. Het kan dus niet zijn dat ik hier aan het woord ben. Met de Ronde van Frankrijk heb ik de gewoonte om een wielerboek te lezen. Vorig jaar was dat Maarten Ducrot, het jaar daarvóór Mart Smeets. Dat boek van Mart Smeets was niet enkel een wielerboek, zelfs niet enkel een sportboek: er stonden ook platenrecensies in. Dit jaar heb ik mijn oog laten vallen op Peter Winnen en laat ik maar meteen zeggen dat dit best is meegevallen. Ondanks het feit dat hij – net als Maarten Ducrot – een ex-profrenner is, heeft Winnen ook veel belangstelling voor zaken buiten de wielersport. In dit geval dus de popmuziek.
Ik mocht dan nog vijf jaar ouder zijn, ook voor mij was “Sebastian” een reden om “teruggeworpen te worden in de tijd“. Het nummer maakte zelfs een dusdanige indruk op mij dat het mij inspireerde om een rock-opera te schrijven met als mannelijk hoofdpersonage, “somebody called Sebastian“. Eigenlijk zag ik mezelf in die rol, maar dan enkel in mijn hoofd natuurlijk. Ik was niet zo wereldvreemd dat ik dacht dat ook écht op scène te kunnen waarmaken. Nee, daarvoor rekende ik op Marijn Devalck, maar uiteindelijk zou dit niet doorgaan. De hele rock-opera niet, bedoel ik. Maar eigenlijk wil het nu daarover niet hebben. Daarom keer ik terug naar Peter Winnen:
“Het cd’tje kostte maar elf gulden. ‘Sebastian’, als akoestische versie is misschien nog wel mooier dan de originele, theatrale hitversie, waaraan vele violen te pas kwamen. Af en toe luister ik ernaar. Een leuke bijwerking is dat het geheugen wordt opgefrist. Ik herinner me momenten in het najaar van ’74 waarop het hitje mij inderdaad begeleidde op de fiets. (…) Je zoekt naar schoenen, je komt thuis met een cd ‘tje, en de herinneringen krijg je gratis en voor niets erbij.”
Mooi, hé, van Peter? Wélke anekdote het bij hem opriep, daarvoor moet je je het boekje zelf maar aanschaffen, maar ik kan je nu al verklappen dat het in de buurt komt van het op konijnen jagen met Greg Lemond…
Maar als je naar het rubriekje kijkt, waarin ik dit citeer en dan vooral naar de titel daarvan, dan weet je dat ik het ook dààrover niet wil hebben. Wat wil ik er dan wel mee zeggen?
Wel, ook Peter is de zoveelste om zich in het rijtje te voegen van “de akoestische versie is misschien nog wel mooier dan de originele, theatrale hitversie, waaraan vele violen te pas kwamen.” Raymond van het Groenewoud heeft dat ooit eens mooi verwoord in Tliedboek, als repliek op een recensie waarin zijn elpee “Ik doe niet mee” voornamelijk op die basis werd afgekraakt. “Men spreekt hier nooit van eerste of tweede viool,” aldus Raymond, “maar alleen maar van overbodige viool!” Helaas heb ik hemzelf jaren later op dezelfde fout betrapt. En het ging hem toen ook over “Gelukkig zijn” dat op die elpee staat, meen ik me te herinneren.
Vanwaar die afkeer van popliefhebbers voor violen? Dat heeft natuurlijk alles te maken met de opkomst van de rock’n’roll midden de jaren vijftig. Iedereen weet dat er vóór die tijd geen echte tienercultuur was. De “teenagers” zoals ze toen werden genoemd moesten het doen met de muziek die eigenlijk voor hun ouders was bedoeld. En zo stond de hitparade vol van dingen als “How much is that doggy in the window?” of “Don’t sit under the appletree with anyone else but me”. En vaak verzopen die nummers in dikke lagen van vioolarrangementen. Dus toen Elvis met zijn pelvis begon te schudden, was meteen ook de boodschap: aan mijn lijf geen polonaise en zeker geen violen!
Vandaar ook de ophef toen Elvis terugkeerde uit het leger natuurlijk. Had hij daarvóór soms geen slows gezongen misschien? ’t Zal nog niet! Wat is “Love me tender” anders? Maar hierin is geen viool te horen! Enkel een eenvoudige begeleiding op akoestische gitaar en The Jordanaires die wat liggen te oeoeoeën. Maar dan komt het, grote verrassing: ook op het Grote Verraad, namelijk “It’s now or never”, zijn er geen violen te horen. Zelfs het stroperige “Are you lonesome tonight” is b.v. volledig op hetzelfde stramien als “Love me tender”. En nee, ook in “Can’t help falling in love” geen violen. Maar wel veel geoeoeoe van The Jordanaires en dààr ligt de verklaring waarom Elvis geen stroperige violen gebruikte: die werden namelijk door die oeoeoe-koortjes vervangen. Later zou hij natuurlijk al deze nummers live wél met een klad violen brengen, maar men moet het toegeven: hiervoor the King of Rock’n’Roll zijn titel ontzeggen, is niet eerlijk (*). Zeker niet omdat andere kandidaten, zoals Buddy Holly b.v., wel rijkelijk met violen omspringen (b.v. in “True love ways”).
Trouwens ook bij zwarte zangers is het niet eenduidig te stellen dat violen afbreuk doen aan de kwaliteit. Ik meen me te herinneren dat The Drifters één van de eerste zwarte groepen waren die hiermee weg kwamen b.v.
Ikzelf heb dus geen “vioolvrees”. En dat heeft niks te maken met het feit dat ik ook graag klassieke muziek hoor. Want ik heb een hekel aan cross-over. Dus voor mij geen Pavarotti of Placido Domingo met een of ander popnummer, laat staan onze vriend Helmut Lotti! Nee, als ik klassieke muziek wil horen dan ook liefst zo “klassiek” mogelijk (het Wenen van eind achttiende, begin negentiende eeuw) of instrumentale barokmuziek (bij gezongen barok verveel ik me – eigenaardig genoeg – dan weer verschrikkelijk dood). En als boutade plaats ik daar dan graag tegenover dat ik bij rock de drie (of zijn het er toch maar twee?) akkoorden van Status Quo verkies boven groepen die heel ingewikkeld en heel intelligent en dus ook weer heel vervelend willen doen, maar anderzijds moet ik toegeven dat ik een lekkere viool op tijd en stond toch wel kan pruimen in popmuziek. Want, die “True love ways” waarover ik het daarnet had, dat vind ik wel een ge-wel-dig nummer, hoor!

Referentie
Peter Winnen, Valse start, Amsterdam, Thomas Rap, 2002

(*) Een toespeling op het nummer “1000 kings of rock’n’roll” van De Nieuwe Snaar dat bij Elvis Presley-fans vaak kwaad bloed zet. Ikzelf vind het eerst en vooral een uitstekend rockabilly-nummer (en als zodanig een mooie tribute aan de Elvis van Sun Records) met een grappige tekst, die je in mijn ogen niet al te letterlijk moet nemen. Dat The Doowoppers (wie?) evenzeer in aanmerking zouden komen voor de titel van “king of rock’n’roll”, dat kan je nu toch niet au sérieux nemen? Enfin, sommige Elvis-fans doen dat wel, terwijl ze zich met veel meer reden beter zouden kwaad maken op Neil Young, die het in “Hey hey my my” ook over “the king of rock’n’roll” heeft en dat blijkt niemand minder dan de infame Johnny Rotten te zijn!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.