In de jaren zeventig schetste Wannes van de Velde op zijn prachtige elpee “Een zanger is een groep” een surrealistisch beeld van de nabije toekomst. In liedjes als “Een bordeel zonder vrouwen” of “Het café zonder naam” creëerde hij met subtiele beelden een onbehaaglijke, zeg maar lichtjes angstaanjagende sfeer. “En tussen dat alles door reed de muzikale tram,” zingt hij op een bepaald moment. Dat bestond toen namelijk al in Antwerpen en Wannes vond dat hallucinant.

Sinds een tijdje is dit nu ook het geval in Gent. Meer zelfs, onlangs hoorde ik er zelfs een liedje van Wannes. Of beter gezegd: een flard van een liedje. Net zoals van alle liedjes, of het nu redelijk zware Amerikaanse pop of een nummer van Jan De Wilde betrof. Hallucinant inderdaad. Het feit dat er alleen maar flarden worden gespeeld (iets met auteursrechten?). Dat er ritmische pop wordt gespeeld (een “doodzonde” volgens de regels van muzak). Maar misschien nog meer de liedjes van Jan of Wannes zelf, die plots als een tang op een varken sloegen. Maar het meest van al nog de mengeling van al die stijlen. Wie maakt die keuze eigenlijk? Selector? De gevreesde computer van de VRT, waardoor zelfs het levend geworden Oor, Michel Follet, plotseling een Witte Ridder van de goede smaak is geworden?
Op zo’n moment moet ik ook wel eens denken aan violist Itzhak Perlman die in DS Magazine van 14/4/1995 verklaarde: “Lawaai is erg. Maar één ding is erger, en dat is muziek. Niet eens lawaaierige muziek, maar de simpele aanwezigheid ervan. Het maakt je gek. (…) Achtergrondmuziek is muziek voor mensen die zelf geen achtergrond hebben.”

“Hoe lang gaat dat lawaai nog duren?” vroeg mijn moeder enkele jaren geleden toen ze bij mij op bezoek was. “Tot vier uur zeker,” antwoord­de ik, want buiten waren grondwerkers bezig met de straat in loopgraven te verdelen die de vergelijking met die aan de IJzer moeiteloos konden doorstaan. Bleek echter dat zij de muziek van Bruce Springsteen bedoelde die uit de boxen galm­de. Nou ja, galmde… Ikzelf had ze zelfs niet eens gehóórd. Een paar dagen daarvóór echter had ik een bezoek gebracht aan háár en daar hoorde ik juist de stilte, zo luid zelfs dat ze mij stoorde, wat sommige geitewollesokkenbreiers ook mogen beweren. Want, Springsteen of Mozart, mij eender, maar ik heb muziek nodig, net zoals ik lucht nodig heb om te ademen. Ik denk dat ik terecht mag vrezen dat er vóór Edison voor mij geen leven was…
Een typisch voorval dat illustreert hoezeer de muziek een deel van ons bestaan is geworden, zo verankerd zelfs dat sommigen niet schromen om van “behangpapier” te gewagen. Dat is echter niet steeds zo geweest. Als onze muziekcultuur volgens historische bronnen tenminste zesduizend jaar terug­gaat (afbeeldingen in Mesopotamië), dan is het continu beschikbaar zijn van muziek via mechanische middelen (radio, cassette, cd-speler…) als uitvinding amper een eeuw oud en wat ruime verspreiding betreft, zelfs slechts een halve eeuw!
Johan Huys: “Dat veront­rust mij. Dat er geen enkele kunstvorm is die meer impact heeft op de maatschappij dan de muziek. Tot zenuwslopend toe. Overal waar ik kom, krijg ik ongevraagd muziek opgedrongen. Het is een kunst die zich opdringt. Muziek is een hemelse kunst, maar ze is terzelfdertijd een hoer. En het wezen van de muziek maakt juist dat ze op die manier kan functioneren. En dat is precies het grote probleem want daardoor kan men elke richting uit. Er bestààt natuurlijk tafelmuziek, maar in een restaurant krijg je een symfonie van Beethoven over je heen, terwijl toch niemand op het idee zal komen om b.v. ongevraagd gedichten te gaan voorlezen.”
Itzhak Perlman in DS Magazine, 14/4/1995: “Klassiek in een restaurant verpest mijn maaltijd, want als ik niet weet wie of wat ik precies hoor, ga ik daaraan denken en wordt mijn bord koud. (…) Als ze mijn muziek spelen, is het nog erger, want dan moet ik altijd even luisteren of het in orde is.”
Dirk Brossé sluit zich daarbij aan: “Muziek kan mij inderdaad ook mateloos ergeren in een restaurant. Ofwel is het slechte muziek en dan stoort het mij. Ofwel is het goede muziek en dan luister ik alleen nog en vergeet verder te eten. Muziek is één van de meest directe kunstvormen, die op ons inwerken. Ik volgde diverse colloquia over de invloed van klank op ons lichaam. Ik maakte een studie over de associatie tussen het horen van bepaalde klanken en tonen enerzijds en chemische veranderingen in het lichaam anderzijds.”
Huys: “De taal van de muziek wordt nog veel te weinig onderzocht. En als het wordt onderzocht, dan is dat b.v. door psychologen in verenigingen als Muzak. Die geven dan richtlijnen hoe men het koopgedrag van het publiek kan beïnvloeden b.v.!”
Zo heeft een onderzoek in een Britse wijnzaak in 1997 aangetoond dat de meerderheid van de consumenten voor Franse wijnen kiezen, wanneer op de achtergrond Franse accordeonmuziek te horen is. Wanneer Duitse schlagers werden gespeeld, holden de meesten niet gillend de winkel uit, zoals ikzelf zou vermoeden, maar verkochten integendeel de Duitse wijnen beter! (Nu ja, tot mijn stomme verbazing lees ik in een ernstig artikel in De Standaard dat meloenen zelfs in relatie tot de borsten van de vrouwelijke consumenten worden verkocht! Het fenomeen werd vastgesteld toen de supermarktketen Tesco vaststelde dat de grootste altijd onverkocht bleven liggen. Het artikel werd gepubliceerd op 4/5/1999 en was op die manier misschien al een voorloper van de… komkommertijd!)

MUZAK
De hoofdletter voor Muzak is verantwoord, want het is inderdaad geen scheldwoord zoals ik altijd heb gedacht, maar de verkorte weergave van de American Muzak Corporation, die al sedert 1934 bestaat (*), maar “pas” sinds 1966 “wetenschappelijk” werd uitgebouwd door U.V. “Bing” Muscio. Op dit moment zendt Muzak muziekprogramma’s 24 uur lang via een satelliet de wereld rond (25 landen verspreid over vijf continenten) vanuit North Carolina. Het schema is verdeeld in segmenten van een kwartier (13,5 minuten om precies te zijn, met anderhalve minuut stilte tussendoor), waarin telkens vijf of zes melodietjes worden gespeeld, gerangschikt in stijgende orde van stimuluswaarde. De segmenten zijn zelf gerangschikt in een curve met pieken tussen 10 en 11 uur ’s ochtends en 3 en 4 uur in de namiddag als het arbeidstempo de neiging heeft te verslappen. Na de middag en na 18 uur daalt de curve “om de opwinding tijdens de lunch en op het einde van de dag tegen te gaan”. Alhoewel muziekliefhebbers het eens zijn over het totale gebrek aan kwaliteit van deze muziek (vandaar de verschuiving van productnaam tot scheldwoord), toch zou wetenschappelijk vaststaan dat de productie ermee kan opgedreven worden, niet zozeer door een ritmeverhoging (muzak heeft meestal trouwens trage tempi, alleen als grootwarenhuizen willen sluiten, drijven ze het tempo op om de klanten tot haast aan te zetten), maar door een vermindering van productiefouten. Zelfs het absenteïsme zou erdoor verkleinen. Dat zou o.m. te maken hebben met het feit dat composities steeds in majeur worden gebracht…
Volgens Theodor Adorno was het een absolute schande muziek tot “achtergrondgeluid” te devalueren, zoals de firma Muzak deed, vooral omdat het ook politieke consequenties zou hebben (de man was immers op de valreep nog een icoon van mei ’68): wie actief luistert, zou ook een activist in spe zijn, een “regressief luisteraar”, een willoos slachtoffer van het kapitalisme (**). In de jaren tachtig trachtte gitaarheld Ted Nugent zelfs het bedrijf op te kopen, gewoon met de bedoeling om het te sluiten. Wat hem niet lukte, daarin slaagde de economische crisis anno 2009 wél. De producent is immers verplicht een zogenaamd “Chapter II” aan te vragen, wat wij in onze contreien kennen als “een gerechtelijk akkoord”. De job van 1.250 mensen komt daardoor op de tocht te staan.
Daarna verscheen er in De Rode Vaan een lezersbrief van ene P.E. uit Brussel, maar ik heb zo’n lichtblauw vermoeden dat dit een alterego van mezelf was: “Onlangs las ik in de r.v. een brief getiteld Muzak (r.v. nr. 52 van 29-12-’78), die wees op de hinderlijke muziekuitzendingen in tram en bus in het Brusselse. Er is echter nog een andere soort muziekpollutie, die me dwars zit, nl. muziek bij het werk. Onlangs las ik daarover in « le drapeau rouge » een bijdrage en ik vond het dan ook nuttig even kort te vertellen voor de r.v.-lezers wat daarin stond.
De auteur, Jacques Descotes, somt de volgende « voordelen » op van muziek bij het werk (na wetenschappelijke studie gebeurd tussen 1929 en 1950) :
— tot 30 % toename van de productie, vooral bij de nachtploegen en dit tegen de dageraad, wanneer anders de slaap het sterkst wordt;
— minder gepraat tijdens het werk;
— vermindering van de vermoeidheid;
— vermindering van het absenteïsme;
— gemakkelijker aanwerving van personeel (dat ook standvastiger is);
— vermindering arbeidsongevallen;
— verbetering van de kwaliteit van de afgewerkte producten;
— vermindering van constructiefouten;
— meer aandacht, minder verveling;
— minder spanning;
— meer arbeidsvreugde;
— meer stipheid;
— betere verstandhouding onderling.
Sommige patroons moedigen hun arbeiders zelfs aan hun eigen platen mee te brengen – echter niet eender welk. Uit persoonlijke ervaring (***) weet ik dat Janis Joplin, Deep Purple en Tsjaikovski taboe zijn. Vuile Mong daarentegen mag wel. De tekst wordt als volledige ongevaarlijk beschouwd, het ritme primeert.
Overigens, net zoals elders, beperkt de staatstussenkomst zich in de muziek tot de “verlieslatende bedrijven„, d.w.z. klassieke muziek, jazz, experimentele muziek, volksmuziek. De erg rendabele muziek (pop) wordt volledig aan het privé-initiatief overgelaten ! Met alle gevolgen vandien…
TELEFOONMUZIEKJES
Iedereen weet dat het soms lang wachten geblazen is wanneer bij het telefoneren het zinnetje: “Gelieve te wachten, al onze lijnen zijn bezet”, weerklinkt, waarna u muziek te horen krijgt. Soms hoort u zelfs onmiddellijk muziek vooraleer de telefoniste opneemt. De vraag is dan: haakt u de hoorn in of blijft u luisteren?
Dat is afhankelijk van uw geslacht en welk muziekgenre wordt gedraaid, aldus een onderzoek van de Amerikaanse marketingprof. James Kellaris, verbonden aan de Universiteit van Cincinnati. Hij heeft de effecten van muziek op verbruikers meer dan twaalf jaar bestudeerd. De onderzoekers hebben vier soorten telefoonmuziekjes getest: lichte jazz, klassiek, rock en een menggenre. De ondervraagden waren samengesteld uit individuele verbruikers, kmo’s en grote ondernemingen. De conclusies van Kellaris bevatten zonder meer verontrustend nieuws voor bedrijven. Welke muziek ook werd gedraaid, steeds overschatten de proefkonijnen de echte wachttijd van 6 minuten met ruim één minuut tot dik 7 minuten. Wat het muziekgenre betreft, bleek het menggenre nog het best in de smaak te vallen, omdat geen betekenisvolle negatieve en positieve reacties werden geuit door mannen en vrouwen. Als lichte jazz doorheen de hoorn weerklinkt, lijkt de tijd iets korter te zijn. Bij mannen lijkt de tijd kortst bij klassieke muziekjes, terwijl bij vrouwen de wachttijd het langst lijkt. Vrouwen reageerden vooral positief op lichte jazz. Rock werd zowel door mannen als vrouwen afgewezen en leverde de langst geschatte wachttijden op. De reactie op het muziekgenre is positiever als de wachttijd korter is. (Bron: Caecilia, mei 2002)

Ronny De Schepper

(*) Als één van de stamvaders wordt ene Joe Coco vermeld, maar de allereerste die op de idee kwam om via muziek de productiviteit aan de lopende band te verhogen moet Generaal George Squier geweest zijn in 1922. Hij was op de idee gekomen omdat soldaten beter marcheren als ze tegelijk zingen of scanderen.
(**) Het strafste is dat ik ergens gelezen heb dat het gebruik van “muziek bij het werk” ook wordt toegepast in socialistische landen zoals Cuba. Dat zou zo rond tien uur ’s morgens tien à vijftien procent winst opleveren. Dat zijn dus echte “arbeidsvitaminen”! Nu ja, in Cuba is dat misschien wel nodig, zoals de populaire grap “trabajo si, samba no” bewijst…
(***) Hierdoor weet ik wel met zekerheid dat ik de “brief” zelf heb geschreven: dat gaat namelijk over mijn eerste vrouw.

Selectieve bibliografie
Michael Chanan, Repeated Takes: a short history of recording and its effects on music, Verso, 1995 (anti-muzak).
Joseph Lanza, Elevator Music: a surreal history of muzak, easy listening and other moodsongs, Quartet, 1995 (pro-muzak).
In Vlaanderen heeft Saskia Vekeman onderzoek verricht naar muzak.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.