Drie jaar geleden heeft Michel Wuyts de Tour-vragen beantwoord die surfers/twittervolgers konden stellen aan Sporza.be met de hashtag #vraaghetaanmichel. En zo zei hij o.m.: “Wie ik graag zou zien winnen – en dat zeg ik zonder dat ik daar een voorkeur heb – is een Colombiaan. Dat mag dan uiteraard Nairo Quintana (foto Erik Westerlinck) zijn, want dat zou nogal wat teweegbrengen in Colombia. Enkele jaren geleden had je een hausse met Colombiaans talent dat naar Europa versast werd, maar dat is wat stilgevallen. Het geld dat in Colombiaanse ploegen gestopt wordt, is ook wat gezakt.” Alhoewel een Colombiaanse Tourzege er nog altijd niet gekomen is, is het Colombiaanse wielrennen toch opnieuw in de lift geraakt dankzij overwinningen in de Giro en de Vuelta (telkens van Nairo Quintana trouwens). Helemaal anders dus dan 25 jaar geleden toen er gewoonweg geen Colombianen aan de start stonden. Daarover heb ik toen een stuk geschreven voor De Morgen.

‘Los Escarabajos’ (de kevers), zoals de bijnaam van de Colombiaanse renners luidt (de benaming wordt toegeschreven aan Gabriel Garcia Marquez in zijn boek “De kampioen van Colombia” over de legendarische Ramon Hoyos, maar de bijnaam zelf komt van Jorge Enrique Buitrago, sportverslaggever van “El Tiempo”), konden vroeger inderdaad niet “met de grote molen” rijden, zodat ze in tijdritten en ritten waarin “in waaiers” werd gereden vaak reeds minuten achterstand opliepen (als ze al niet buiten tijd aankwamen en werden uitgesloten), nog vooraleer de bergen ook maar in zich kwamen! Later leerden ze dat dan wel, maar dat ging dan weer juist negatief werken op hun klimcapaciteiten.
Gevolg: buiten een paar geïsoleerde successen met als hoofdvogel de overwinning van Luis Herrera in de Ronde van Spanje 1987 en daarnaast nog een paar uitschieters van b.v. Fabio Parra, die twee jaar later slechts 35 seconden te kort kwam om Pedro Delgado in diezelfde Ronde van Spanje van de zege te houden, bleef de grote overrompeling uit. Bovendien hangt er volgens sommigen een geurtje aan de overwinning van Herrera. In het tijdschrift “Fiets” van september/oktober 1987 schrijft Jan van Amen: “Hij zou, nadat leider Sean Kelly met een zitvlakzweer was uitgevallen, onverwacht voor de dopingcontrole zijn opgeroepen als nieuwe klassementsaanvoerder en een positief plasje hebben ingeleverd. Een Catalaanse krant meldde het nieuws als vaststaand feit, alleen de officiële bevestiging is nooit gekomen. Naar verluidt omdat na overleg op topniveau de affaire in de doofpot is gestopt.”
STAATSZAAK
Een dergelijke ingreep op topniveau voor een eenvoudig “plasje” mag misschien ongelooflijk lijken, maar de wielersport is steeds een staatszaak geweest in Colombia. Zo wilde het bekende koffiemerk “Café de Colombia” reeds na enkele jaren uit het profwielrennen stappen omdat de naambekendheid reeds lang voldoende was. Dat werd gedurende nog een vijftal jaren uitgesteld op aandringen van de regering, die deze enige positieve reclame voor hun land best kon gebruiken. Vandaar ook dat men volgens van Amen ten allen koste wou vermijden dat Colombiaanse renners in verband werden gebracht met een dopingschandaal. Dat komt immers te dicht in de buurt van drugaffaires en de Colombiaanse renners dienden “clean” door het leven te fietsen. Maar ook dat is ondertussen dus een illusie gebleken. Enkele jaren geleden werden in diverse Colombiaanse wedstrijden op drie maanden tijd vijf renners betrapt op het gebruik van hormonale doping. Dat was nieuw, maar de oorzaak dient te worden gezocht in het feit dat de urinestalen niet meer in Colombia zelf, maar in Barcelona werden onderzocht. Het bekendste “slachtoffer” was juist de reeds genoemde Pablo Wilches.
JUAN CARLOS CASTILLO
Maar terug naar van Amen, die verdergaat met de bewering dat “de verhalen over de banden tussen de wielrenners en de cocaïne-bazen de laatste jaren steeds heviger zijn geworden. Populaire wielrenners zijn ideale drugkoeriers omdat ze geregeld naar Europa en Amerika moeten reizen en een speciale behandeling krijgen van de douaniers van hun land. Ze hebben een status die in de buurt komt van diplomatieke onschendbaarheid. Hun bagage wordt nooit doorzocht en velen zetten daar hun vraagtekens bij. In het verleden zijn lokale Colombiaanse politici en zelfs ministers ontmaskerd omdat ze met de coke-mafia onder één hoedje speelden. Waarom zouden wielrenners, veelal afkomstig uit de armere milieus, niet bezwijken voor de dollars van de drugbazen?”
Ondertussen is er trouwens wél een incident geweest. Zo werd in maart 1991 de Colombiaanse wielrenner Juan Carlos Castillo van de Postobon-ploeg in Bogota gearresteerd op verdenking van drugsmokkel. In zijn bagage werd immers vijf kilo cocaïne gevonden. De renner, die samen met zijn ploegmaats in de luchthaven op de vlucht naar Spanje wachtte om daar deel te nemen aan de Ronde van Murcia, hield zijn onschuld staande en voerde aan dat hij het slachtoffer was van een misdadig opzet. In juli, in volle Ronde van Frankrijk, werd Castillo na 123 dagen cel weer vrijgelaten nadat de rechter inderdaad geen enkel bewijs tegen hem had gevonden. Ook de andere renners, met Lucho Herrera op kop, hebben altijd zijn onschuld staande gehouden. Renners die veel reizen, zijn inderdaad gemakkelijke prooien als drugsmokkelaars hun waar willen verstoppen. Een echte drugkoerier die ondertussen werd opgepakt, gaf zich ook al eens uit als een verzorger van de Postobon-ploeg, al was dat helemaal niet het geval.
Dat kan natuurlijk allemaal wel kloppen, maar wat lezen we in Cycling Weekly van 16/11/1991? “An entire Colombian amateur team was put under arrest recently after 18 kilogrammes of cocaine were found on them as they entered Italy via Rome’s Fiumicino airport. Six kilogrammes were hidden in a massage table carried with the team.”
KELME
Deze verhalen roepen alleszins reminiscenties op aan dat van Jan van Amen. Die had het in genoemd artikel over de problemen rond Kelme, weliswaar een Spaanse ploeg, maar in de jaren tachtig gebouwd rond het Colombiaanse buitenbeentje Fabio Parra. Parra is een dure vogel en de Kelme-ploeg had in het verleden slechts een beperkt kapitaal in het wielrennen gestopt. Vanwaar kwam plotseling dat grote geld? Volgens van Amen “van de reisjes naar Zuid-Amerika”. Volgens hem had Kelme in 1988 “zonder aanwijsbare reden” aan vrijwel alle wedstrijden in Colombia deelgenomen in plaats van de belangen van het sportschoenenmerk te verdedigen op de Spaanse markt. Aangezien de fietsen van de Kelme-ploeg werden geleverd door Eddy Merckx, belde ik in de zomer van 1988 dan ook naar Robert Lelangue, die in afwezigheid van Merckx zelf nogal boos reageerde en het artikel van van Amen afdeed als “brol om papier te doen verkopen”. Toch merkwaardig dat een paar jaar later de 34-jarige Spaanse renner José Recio tegen de lamp liep bij een dopingonderzoek. Alhoewel Recio nu deel uitmaakte van de ploeg SEUR was hij destijds één van de pionnen van de Kelme-ploeg, waar het allemaal om draaide. Bovendien werd hij betrapt op het gebruik van cocaïne, een toch wel merkwaardig dopingproduct voor een sportman die niet Maradona heet!
Na het verdwijnen van Café de Colombia kwamen er twee nieuwe min of meer belangrijke profploegen in dat land. Naast Postobon was er nog Pony Malta, een financiële groep die o.m. een brouwerij beheert. Postobon staat voor een frisdrank die tot het imperium behoort van Carlos-Julio Ardila, de “patron” van de Classico RCN, de grootste wielerwedstrijd in Colombia, georganiseerd door de gelijknamige radio- en televisieketen, waarvan hij eveneens de eigenaar is. Daarnaast bezit hij ook nog de luchtvaartmaatschappij Avianca (die in de jaren negentig ook in de wielrennerij zou stappen), een textielfirma en het grootste suikerverwerkingsbedrijf van het land.
Omdat Café de Colombia nog altijd een amateurploeg sponsort, hopen de Colombiaanse autoriteiten (sportieve én politieke) dat ze toch nog in het beroepswielrennen zullen terugkeren. En dat is nodig want in eigen land gaat de populariteit van het wielrennen erop achteruit ten voordele van het voetbal.
Ondertussen hebben zowel Luis Herrera als Fabio Parra afscheid genomen van de wielersport. Herrera heeft te kennen gegeven dat hij liever zijn rijstboerderijen van wat meer nabij zou volgen.
Parra van zijn kant is altijd al een buitenbeentje geweest in het Colombiaanse wielrennen. Hij heeft namelijk gestudeerd en is van welstellende komaf.
EPILOOG
In 1997 zag een andere ex-prof, Omar Hernandez, het Licht. Na een half uur durend gesprek met zijn nieuwe manager, ene Jezus Christus, stichtte hij de wielerploeg “Ciclistas de Jesus Cristo”. Op de trui dragen de renners de reclameslogans “De macht van God is groot” en “Dank u Jezus Christus”. Dat laatste is toch het minste wat ze zouden kunnen doen, want naar verluidt is de ploeg erg succesvol. Daarvoor moeten ze wel zowel ’s morgens als ’s avonds naar de mis. Omdat het hemelse geld hier op aarde niet veel waard is, is het de evangelische gemeenschap “Christus Redder en Vredebrenger” die de renners van een maandsalaris van (in onze munt) 10.000 fr. voorziet. De hemelse sponsor moet maar zien dat dankzij zijn steun er nog veel prijzengeld binnenkomt. En omdat alle baten helpen, wijst de ploeg het verblijf in luxueuze hotels af…

Referenties
Ronny De Schepper, Koffie, coureurs en coke in Colombia, De Rode Vaan nr.27 van 1988
Ronny De Schepper, ‘Los Escarabajos’ de grote afwezigen, De Morgen 1 juli 1993

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.