Vandaag wordt de acteur, regisseur en op een bepaald moment ook directeur van het NTG Hugo Van den Berghe 75 jaar.

In 1958 begint Hugo Van den Berghe te acteren bij het liefhebberstoneel “Vrank en Vrij” in zijn geboorteplaats Wetteren: “In die groep werden vrouwenrollen toegelaten, dat was een unicum.” (HLN, 30/9/95). Eén van die stukken was “Dageraad”, geregisseerd door Rudi Van Vlaenderen, die Hugo’s ouders kon overhalen hem in te schrijven bij de eerste lichting van de toneelafdeling van het Gentse Muziekconservatorium was (daarvóór was er de “Toneelschool”).
Na zijn studies debuteerde Hugo in “De Kleine Johannes” bij Toneel Vandaag in Brussel, waar hij zijn mentor Rudi Van Vlaenderen al meteen opvolgde als directeur. Toneel Vandaag was een spreidingstheater dat voornamelijk Franstalig avant-garde toneel en werk van jonge Vlaamse toneelauteurs als Piet Sterckx of Jos Van Vreckem bracht. Hij speelde daar o.m. in de geruchtmakende productie “Thyestes” van Hugo Claus, de start overigens van een “eeuwigdurende” vriendschap.
Maar na een jaar is hij in 1966 weggegaan op aanraden van Rudi Van Vlaenderen zelf, die vond dat de situatie te precair geworden was en dat het ondertussen ontstane NTG meer toekomstmogelijkheden bood. Bovendien was zijn huidige echtgenote, Blanka Heirman, daar toen reeds bij, al heeft het wel een paar jaartjes geduurd vooraleer ze “echt” zijn getrouwd.
Voor zijn rol in “Nooit te bereiken” van Simon Gray werd hij bekroond met de Oscar De Gruyter-prijs. Zelf zag ik hem ook voor het eerst in het NTG in een stuk van Gray, namelijk “Butley”, opgevoerd in een regie van Harry Kümel. Toen was ik nog student en voor studenten had het NTG een speciaal (goedkoop) abonnement.
De jeugd heeft Hugo van den Berghe overigens stèèds beziggehouden. Dat gaat al terug naar zijn debuut, toen hij op aanraden van Rudi Van Vlaenderen (“die ik wel mijn geestelijke vader mag noemen”) tijdens zijn legerdienst bij de Welfare terechtkwam om het soldatenhalfuurtje te presenteren (het baantje van Koen Wauters bestond blijkbaar nog niet).
In diezelfde periode heeft hij ook meegewerkt aan een ander radioprogramma dat “Made in Belgium” heette, zoals de naam het zelf zegt, een programma vol eigen producties. En daarna was er nog “Mosterd na de maaltijd”, een programma op tekst van Johan Anthierens, dat helaas niet lang heeft mogen duren. Na een tiental afleveringen vond de BRT dat dit niet langer kon.
Nog ten tijde van het conservatorium werkte Hugo ook reeds voor de BRT-televisie, namelijk voor “Tienerklanken”. Twee maal in de week, gedurende vier jaar. En de televisie, dat was de bekroning waardoor Hugo’s vader-kleermaker zich met de keuze van zijn zoon kon verzoenen. Oorspronkelijk vond hij het eigenlijk maar niks dat z’n zoon naar de toneelschool ging, maar toen Hugo voor het eerst op televisie kwam, toen mocht hij ook voor het eerst samen met zijn vader op café.
“Mijn eerste rol in NTG,” vertelt Hugo, “die herinner ik me nog heel goed omdat ik doodging van de zenuwen. Dat was de bode in Oedipus. Ik was toen reeds assistent van de regisseur en dat heb ik heel veel gedaan. Daar ben ik heel blij om, want daar heb ik enorm veel van geleerd. Toen was Dré Poppe nog directeur, maar het jaar daarop kwam Albert Hanssens, wat heel belangrijk was voor mij, want die heeft me de eerste kans gegeven als regisseur. Dat kwam zo. Eddy Asselbergs was toen nog acteur bij het NTG en die wilde een stuk schrijven, ‘Pro Patria’, en ik heb hem daarbij aangespoord door te zeggen dat ik het dan wel zou regisseren. En Albert Hanssens vond dat o.k.”
Van zijn eerste vier regies in het NTG waren er niet minder dan drie stukken van Cyriel Buysse…
“Ik ben begonnen via zijn meest bekende stuk, ‘Het gezin Van Paemel’, en nadien ben ik hem dan grondig gaan lezen en ik moet zeggen: ik had daar heel veel binding mee.
En toen dacht ik: er moeten toch nog andere stukken zijn. En zo zijn we op ‘Driekoningenavond’ gevallen en aangezien dat nogal een sukses bleek te zijn, heb ik later ook nog gevraagd aan Jan Christiaens om de roman ‘Het recht van de sterkste’ tot een toneelstuk (‘Maria’) te bewerken. En ik denk dat dit ook mijn beste regies zijn geweest (*). Dat is goed volkstoneel. Ik ben ook vaak naar de Minard geweest, ik hield daar ontzettend veel van.”
Toch krijgt Hugo vanuit die hoek veel kritiek.
“Volkstheater is in mijn ogen een vrij direct middel om met mensen te communiceren. Men maakt het niet te ingewikkeld, men werkt bijna met archetypes en zeker met prototypes. Ik heb daar absoluut niets op tegen. Bij Kroetz zie je b.v. ook die prototypes of die archetypes en dan kun je zeggen: o.k., dat is ook volkstoneel, maar de lagen die daaronder zitten, daar moet je eerlijk in zijn, die zul je niet zo direct terugvinden in een stuk van Romain Deconinck. En het is ook niet omdat ‘Vrijdag’ eens een keertje in de Minardschouwburg werd gespeeld, dat dit daar ook zou thuishoren. Maar dat belet niet dat ze het wel mogen spelen natuurlijk.”
“Durfde je geen Brecht doen?” vraagt Freek. “Brecht werd toen nog veel gespeeld…”
Maar Hugo antwoordt: “Ik heb regisseur-zijn nooit als een professionele taak voor mij ervaren. Mijn interesse lag vooral bij het acteren. Maar af en toe wou ik toch wel eens een regie doen, al hoefde dat niet per se ieder jaar.”
Freek merkt ook op dat in de periode voor 1980 Hugo vijf tot zes acteurs- en/of regie-opdrachten in één seizoen had en nadien maximum nog drie…
“In het begin van het NTG speelden wij vrij veel stukken,” herinnert Hugo zich. “Dré Poppe had b.v. negen voorstellingen van één stuk gepland en toen zei directeur Caspeele van de opera hem dat hij daar nooit genoeg volk voor over de vloer zou krijgen. Het tegendeel is echter waar gebleken. Als men dus spreekt over een crisis in het theater, dan moet ik dat toch even corrigeren. Als men b.v. ziet dat ‘Het gezin Van Paemel’ vorig seizoen 33.000 toeschouwers heeft gelokt en ‘Jungleboek’ 29.000 en als men daar tegenover stelt dat er vroeger geen films waren of geen televisie en men dan kan vaststellen dat b.v. in het jaar 1943 een directeur het publiek bedankte voor zijn talrijke opkomst, omdat de belangstelling was gestegen van gemiddeld 200 toeschouwers naar 250…! En toen speelden ze drie voorstellingen van één stuk, dat betekent dus 750 mensen voor één productie.
Als men bijgevolg zegt dat het slecht gaat met het theater en men bedoelt: ‘artistiek’, dan kan ik daar inkomen, maar als het over de belangstelling gaat, dan zeg ik: neen, die is zelfs nog altijd aan het groeien.”
“Maar dat heeft natuurlijk ook met de programmatie te maken,” merkt Freek terecht op.
“Natuurlijk,” is het antwoord, “maar ik denk dat wij toch ook moeilijker stukken hebben gespeeld die ook enorm veel publiek hebben getrokken. ‘Verkeerd’ b.v. Mocht je een rondvraag doen om aan de mensen te vragen, wat het NTG nog eens opnieuw zou moeten brengen, dan zou dat stuk wel nummer één staan. Dat was overigens de rol waarvoor ik het meeste heb moeten doen. Ik speelde een homofiel in een concentratiekamp en daarvoor ben ik (onder doktersbegeleiding) 22kg vermagerd! Bovendien moest ik op scène zware stenen verslepen en regisseur Jean-Pierre De Decker stond erop dat dit geen piepschuim zou zijn. Als we het stuk dus nog eens zouden brengen, dan zou ik zeker niet meer deze rol spelen!” lacht hij.Als Jef Demedts in december 1977, na een woelige periode in het NTG, waarnemend directeur wordt en in januari 1978 een beleidsgroep opricht, vinden we daar ook Hugo van den Berghe in.
Toen de beleidsgroep werd opgeheven, werd het opnieuw onrustig in het NTG. Een paar mensen vertrokken, Hugo van den Berghe volgde Walter Moeremans b.v. en ging een tijdje bij Arca werken (Moeremans is overigens eveneens teruggekeerd naar het NTG), anderen bleven maar drongen aan op veranderingen. Nog één keer werd Demedts’ ambtsperiode verlengd, maar daarna heeft Jef Demedts dan toch de vlag overgedragen. Een oude gewoonte werd opnieuw heropgenomen door de directeursfunctie te splitsen in een artistieke en een zakelijke kant. Naast Hugo van den Berghe kregen we bijgevolg Maurice Vercauteren als administratief directeur.
Op het traditionele “artistiek aperitief” tijdens de Gentse Feesten vroeg Freek Neirynck aan de kersverse directeur of hij nu eigenlijk wel écht directeur wou worden van het NTG?
“Jazeker,” antwoordde Hugo heel formeel. “Ik wou ook wel eens een keer dat theater een gezicht geven. Ik heb jarenlang in die beleidsgroep gezeten en dat beviel me wel. Met programmatie bezig zijn, regisseurs aanzoeken, rolverdelingen maken enz. Natuurlijk ben ik niet over één nacht ijs gegaan, maar laten we het maar zeggen zoals het is: ik ben nogal ambitieus. Dat gaat echter op en af, want toen drie jaar geleden de functie voor het eerst open werd verklaard, heb ik mijn kandidatuur niet gesteld.”
“Zat je dan stiekem programmaties te maken in de periode dat je nog geen directeur was?” vroeg Freek fijntjes. Maar Hugo repliceerde ferm: “Nee. Ik zat openlijk kritiek te geven, maar niet stiekem programmaties maken.”
Iedereen weet dat in de periode dat Hugo Vandenberghe “zich ongelukkig voelde” in het NTG, hij met Hugo Claus, Jan Decleir en Pjeroo Roobjee luidop droomde van een nieuw gezelschap, “Fabula”, dat de Gentse Minardschouwburg zou bespelen.
HVDB: “Wij hadden graag de Minard gehad, ja, om die als een stadsgezelschap te bespelen. En wij wilden een stadsgezelschap worden om niet uit verschillende ruiven te moeten eten, met alle verplichtingen vandien. Maar we waren nogal naief om te denken dat wij in staat zouden zijn om zo’n gezelschap uit de grond te stampen. Aan de andere kant moet ik zeggen dat de gesprekken die wij daarover gehad hebben positief waren. Men stuitte natuurlijk altijd weer op hetzelfde problemen: de financiële kant van de zaak. Maar eigenlijk waren die niet onoplosbaar.
Toen echter deze functie in het NTG opnieuw open werd verklaard, vroegen mijn kompanen mij om toch maar mijn kandidatuur te stellen omdat het misschien nuttiger zou zijn een gedeelte van onze plannen te realiseren in het NTG, waar toch een heel mooie infrastructuur ter beschikking staat.”
Een nadeel voor de debuterende directeur is wel dat de verbouwingen van de stadsschouwburg nog zeker zullen aanslepen tot bij het begin van het seizoen ’93-’94. Daarom schrijft hij verder nog: “Omdat nu eenmaal het fiasco gebleken is om in het Tolhuiscomplex het woord in zijn nuances te bespelen, hebben we resoluut gekozen om daar die visuele, muzikale spektakels te brengen waar de geluidsversterking geen noodoplossing, maar inderdaad een actief bestanddeel is.” Vandaar dat in het Tolhuis buiten de herneming van Jungleboek enkel de creatie van de musical van Bart Peeters en Jan Leyers van Soulsister, “Dokter De Vuyst” (een popversie van “Faust”, waarvoor naar het schijnt ook belangstelling zou zijn in de Verenigde Staten), zal lopen. Aan Wim Van Gansbeke in “De Morgen” verklaarde van den Berghe ook nog dat hij voor volgend seizoen denkt aan een groot spektakel rond het anarchisme in Gent in de negentiende eeuw, te schrijven door Pjeroo Roobjee en “verwijzend naar Oh Calcutta” (?) een aantal auteurs te zullen aanspreken voor een sketchmatig project rond het voormalige Belgisch Kongo.
In zijn “beginselverklaring” (als we het woord vooraf bij de seizoensbrochure zo mogen noemen) schrijft Hugo van den Berghe: “Het NTG richt zich ondubbelzinnig naar een jong publiek. Dit wil zeggen: een publiek dat zich jong voelt, dat openstaat voor de trilling van de tijd, voor vernieuwing, voor avontuur, voor vers talent, voor ongewone visies. Een publiek dat niet blind is voor wat gebeurt op deze planeet en daarom niet kan zonder de zuurstof van de allesrelativerende humor, ironie en zelfspot.”
In een interview met “Het Nieuwsblad” gaat hij zelfs nog een stap verder. Karel Van Keymeulen merkt hier op dat theater niet langer provoceert. En van den Berghe beaamt: “In het beste geval val je niet in slaap. Dat durf ik zeggen, dat is de realiteit. Inderdaad, waar is de provocatie en de schok tussen wat op podium en in de zaal gebeurt, waar is de botsing van ideeën? Met een Lanoye, met een Kamagurka moet dat kunnen. Dat bedoel ik een beetje, als ik het over jong heb.”
“Ik denk dat we voor een nieuwe periode in het theater staan,” zegt hij nog in datzelfde interview. “Het postmodernisme is voorbij.”
Georg Büchner “Dantons Tod” werd in een regie van Ulrich Greiff, een decor van Michel Gerd Peter en een vertaling van Hugo Claus gebracht door Magda Cnudde (Julie, Dantons vrouw), Hugo van den Berghe (Georges-Jacques Danton, député Nationale Conventie, 1759-94), Chris Boni (Rosalie, prostituée), Roger Bolders (Simon, een souffleur), Blanka Heirman (vrouw van Simon en Adelaïde, prostituée), Jos Verbist (Saint-Just), Chris Thijs (een hoertje en assistente van de regisseur), Walter Moeremans (Robespierre), Nolle Versyp, Arthur Semay, Jappe Claes, Dirk Roofthooft, Guido van den Berghe, Eric Van Herreweghe, Peter Marichael, Cyriel Van Gent, Eddy Spruyt, Herman Coessens, Mark Willems, Els Magerman en nog een heleboel figuranten, waaronder Paul Demeyere, Geert Dauwe en Johan De Boose (03/03/84).
In 1984 krijgt Hugo van den Berghe de Thaliaprijs voor zijn vertolkingen van Hamlet, Danton en zijn regie van “Madame Warrens broodwinning”, allemaal in één seizoen bij het NTG. Daarvoor had hij reeds de Oscar De Gruyterprijs gekregen voor zijn rol in “Niet te bereiken” van Simon Gray. Andere opgemerkte rollen waren die van markies de Sade, Père Ubu en de Harige Aap.
Daarna speelde hij in “Blindeman” van Hugo Claus, maar waar Hugo Van den Berghe anderzijds helemaal geen lol aan heeft beleefd, was zijn rol in “Peter Pan” van James Matthew Barrie (1985).
Daarna volgde Gildas Bourdets “Crachats de la lune” (Gebroed onder de maan) in een regie van Jappe Claes & Jos Verbist en een decor van Michel-Gerd Peter. Met Rita Wouters (Cricri), Peter Rouffaer (haar man, de patron), Gilda De Bal (Princesse), Vic De Wachter (de para), Carmen Jonckheere (Paquita), Marc Cassiman (ofte de Kazzen: Gel), Martine Jonckheere (de nieuwe), Walter Moeremans (Gégé), Hugo Van den Berghe (Milou), Bert Van Tichelen (de Pool), Jappe Claes (Roland), Marc Van Eeghem (Rouge), Tony Vandenbroecke (de klant) en een kind (12/09/87).
Over schoolvoorstellingen weet ook Hugo van den Berghe niet veel goeds te vertellen: “Men wil daar een grote opvoedkundige waarde aan geven, en die is er natuurlijk ook, maar aan de andere kant moet men daar toch zeer voorzichtig mee zijn. Een oplossing is dus: programmeren naar de interessesferen van die scholen toe. Maar dan nog. We dachten dat b.v. ‘The boys in the band’, een stuk over homosexualiteit, daaraan zou beantwoorden. Welnu, ik moet zeggen dat dit een van de meest vervelende schoolvoorstellingen was die ik heb gespeeld. Er was practisch geen enkele aandacht. Men had immers uit het oog verloren dat het weliswaar om problemen rond sexualiteit ging, maar dan van mannen van vijftig jaar! Dat heeft me aan het denken gezet en ik ben er nu nog altijd van overtuigd dat het goed is schoolvoorstellingen te spelen, maar dan wel stukken waar zij ook wat aan hebben, waar zij ook wat mee te maken hebben. En ik moet ook zeggen dat het nu enorm verbeterd is door een theaterpedagoog aan te trekken die de scholen bezoekt en met die jonge mensen gaat praten over wat ze zullen te zien krijgen. Het NTG heeft op dat vlak trouwens een pioniersrol gespeeld.”
Gaan jonge mensen echter überhaupt nog naar toneel? Deze vraag kreeg Hugo Van den Berghe onlangs in TV-Express voorgeschoteld.
“Als ik vergelijk met 30 jaar geleden toen ik begon, is het verschil enorm: de gemiddelde leeftijd ligt nu veel lager (rond de 30, 35 jaar en jonger). Het zijn de oudere mensen die afgehaakt hebben. Alleen al het zich verplaatsen in een stad wordt voor oudere mensen moeilijk en gevaarlijk. Maar ik denk ook dat het komt door het soort theater dat vandaag gebracht wordt. Wij proberen dat al te comfortabele weg te nemen van het traditionele toneel en toneelpubliek.”
In tegenstelling tot Jef Demedts zal Hugo van den Berghe niet acteren tijdens zijn “ambtsperiode”. Hij blijft echter wel de programma’s “Sanseveria” en “Kort Vlaams” presenteren op VTM. Omdat hij het graag doet en omdat TV-bekendheid belangrijk is, erkent hij eerlijk. Nochtans gold tot nu toe in het NTG altijd een politiek om de acteurs niet te veel televisiewerk te laten doen…
“Ja, dat was een politiek om het gezelschap ‘hechter’ bij elkaar te houden. Ik denk dat dit niet goed is. Ik denk dat het beter is dat men af en toe ook eens gaat proeven van wat er in andere theaters gebeurt, dat men met andere media gaat spelen, dat kan alleen maar verrijkend zijn voor het NTG zelf.”
En als men over televisie praat dan komt natuurlijk de onvermijdelijke vraag, die Hugo zelf reeds anticipeert: “Waarom hebben wij dat productiehuis opgericht? Toen ik directeur werd van het NTG heb ik vastgesteld dat wij eigenlijk 0,0 fr hebben om producties te maken. Het meeste geld gaat naar lonen, binnenhuisinfrastruktuur, kosten enz. We moeten het dus hebben van de recettes en van de sponsoring (wat men nu partnership noemt). Maar ik dacht dat er toch ook nog een andere manier moest zijn. Die zou er dus in bestaan dat wij onze eigen producties zelf voor televisie zouden aanmaken. Daarom hebben we de vzw “Beeld Drama” opgericht samen met een bestaand productiehuis “Beeldhuis” uit Leuven. Nu is het natuurlijk zo dat wij die producties niet eerst gaan maken en dan aan een station vragen of zij zo vriendelijk zouden willen zijn om die uit te zenden! Met andere woorden: of zij die zouden willen kopen. Wij moeten dus eerst een deal maken, alvorens wij kunnen starten. En nu weten we allemaal dat het met sommige zenders makkelijker onderhandelen is dan met andere. Bij VTM is de burokratie minder groot, zeg maar, zodat je op een paar uur een deal kan afsluiten. Maar dat wordt je dan in Vlaanderen kwalijk genomen. Dat je niet de paden bewandelt die je zogezegd zou moeten bewandelen.
Met die presentatie van “Sanseveria” is het net op dezelfde manier gegaan. Veel mensen wisten dat ik weer zin had om te presenteren. Maar van de BRT is er geen mens die mij gevraagd heeft iets te doen. Het is Mike Verdrengh geweest die mij dat heeft aangeboden. Maar als ik dan aanvaard, dan krijg je opmerkingen van de BRT uit: waarom doe je dat niet voor ons? Omdat ze het me niet gevraagd hebben. Zo simpel is dat. Maar dat schijnen ze dus niet te begrijpen. En met dat productiehuis is dat juist hetzelfde. We hebben dat productiehuis niet opgericht om exclusief voor VTM te werken. Dat kan voor mijn part ook voor de KRO zijn of voor de NOS of voor de BRT, waarom niet?”
Tot slot van het artistiek aperitief sprak Hugo van den Berghe een soort credo uit: “Het is natuurlijk de kwaliteit van de producties die het volk naar het theater brengt. Maar er moet ook een zekere sfeer heersen rond een theater. En ik heb de indruk dat dit de afgelopen jaren wat verminderd is. Dat heeft natuurlijk ook te maken met het feit dat wij wat problemen hebben met onze behuizing en het wordt nu toch wel stilaan tijd dat we terug naar het Sint-Baafsplein kunnen. Maar ik denk verder dat theater toch een vorm van escape is, een ontsnappen aan onze dagelijkse zorgen. En dat geeft mij dan ook een gevoel van vrijheid.
Theater moet mensen een gevoel van vrijheid kunnen geven. En dat begint reeds van als men de eerste stap in een theater zet. Ik heb het daarover reeds met onze onthaalploeg gehad. Als er iemand op je toestapt en die zegt: “Die mantel moet dààr!”, dan zou ik al dadelijk terugkeren! Tenslotte ga ik naar het theater om me te ontspannen. Ik lach als ik zin heb, ik roep desnoods als ik het niet goed vind. Dààrop zou ik in de eerste plaats de klemtoon willen leggen naar het publiek toe,” besloot Hugo van den Berghe, waarop Freek Neirynck gevat repliceerde: “Is dit een oproep voor een nieuwe actie Tomaat?”
Het NTG is dus het populairste gezelschap bij de jongeren. En de nieuwe directeur Hugo van den Berghe wil op de ingeslagen weg nog veel verder gaan. In “Het Nieuwsblad” merkt Karel Van Keymeulen b.v. op dat theater niet langer provoceert, dat de invloed van popconcerten wat dat betreft veel groter is. En Van den Berghe beaamt: “In het beste geval val je niet in slaap. Dat durf ik zeggen, dat is de realiteit. Inderdaad, waar is de provocatie en de schok tussen wat op podium en in de zaal gebeurt, waar is de botsing van ideeën? Met een Lanoye, met een Kamagurka moet dat kunnen.”
Het NTG heeft dus een nieuwe directeur en aangezien nieuwe bezems goed keren, wordt er met die creatie van de musical van Bart Peeters en Jan Leyers van Soulsister, “Dokter De Vuyst” (een popversie van “Faust”), gedaan alsof het hier een unicum betreft, maar in feite hebben beide reeds een aantal producties voor het KJT gemaakt.
Daarop volgde Fjodor Mikaelovitsj Dostojewski’s “Misdaad en straf” in een regie en decor van Blanka Heirman, Els Magerman, Frans Redant en Pjeroo Roobjee. Met Chris Thijs (Sonja), Eddy Vereycken (Raskolnikov), Magda Cnudde (“burger-verrassing”, een getuige), Walter Moeremans (Porfiri), Mark Willems (Koch, een verdachte), Eddy Spruyt (Zamjotov, politiebeambte), Erik Van Herreweghe (Razoemichin, vriend van Raskolnikov) en Bob Van der Veken (Mikolka, een verdachte). Oorspronkelijk zou de roman “Misdaad en straf” van Fjodor Michaelevitsj Dostojevski voor het NTG worden bewerkt als “De lawine van later” door Johan de Boose, oprichter van Theater Barrikade en gedurende enkele jaren medewerker van de Poolse theaterlegende Tadeusz Kantor. Het was tevens de bedoeling dat de regie zou worden gevoerd door Eric De Volder. Maar van dit alles is “door meningsverschillen” uiteindelijk niks in huis gekomen.
Men opteerde dan maar voor de bewerking die de Poolse filmregisseur Andrzej Wajda voor een Pools gezelschap had gemaakt, dat daarmee in ’89 nog in De Singel te gast was. Er werd ook een vierkoppig regisseurscollectief (actrices Blanka Heirman en Els Magerman samen met de dramaturgen Pjeroo Roobjee en Frans Redant) samengesteld, wat het ergste deed vermoeden, maar dat wil nog meevallen. Volgens dramaturg Frans Redant is die oprichting van dat collectief trouwens een formele aangelegenheid, want in werkelijkheid werd er eerder in een soort van workshop-formule gewerkt, een formule waar Redant als oud-68’er nog altijd met heimwee naar omkijkt, maar waar ook… De Boose in zijn Theater Barrikade mee werkt! Redant voegde er in “Het Laatste Nieuws” nog aan toe dat de mislukking van dit experiment met nieuwe en jonge mensen deel uitmaakt van de risico’s die het NTG onder Hugo Van den Berghe wil nemen.
In november 1994 maakte Sam Bogaerts bekend dat hij opstapte als huisregisseur bij het NTG. Hij vroeg een contract van drie jaar en kreeg er (net als zijn voorganger Dirk Tanghe b.v.) slechts één van één jaar aangeboden, zo is de officiële versie. Officieus is geweten dat Hugo Van den Berghe totaal niet tevreden was over zijn regie van “Orgie”. Twee van zijn “poulains” uit “Het Salon”, nl. Tania van der Sanden en Jobst Schnibbe, volgen zijn voorbeeld en vertrekken naar De Tijd. Bij zijn vertrek gaf Bogaerts toe dat het experiment met Het Salon mislukt was.
Datzelfde seizoen schaarde het NTG zich in het rijtje van Blauwe Maandag, KVS en tutti quanti door een voorstelling “om artistieke redenen” af te gelasten. Het betrof “Coriolanus” van Shakespeare door Ulrich Greiff. Volgens Hugo Van den Berghe, die de beslissing nam na de generale repetitie, was Greiff met zijn concept “een andere richting ingeslagen dan afgesproken” en stevende hij af op “een verkeerde vertelling en een oubollige voorstelling”. Dramaturg Wim Van Gansbeke had naar verluidt nog geprobeerd in te grijpen, maar Greiff vond praten met hem “puur tijdverlies”. De voorstellingen werden vervangen door een herneming van “Suiker”. Of het er iets mee te maken heeft, weet ik niet, maar kort daarna deelde Van den Berghe ook mede dat de jaarcontracten van Mark Willems (sedert 1973 bij NTG), Eddy Spruyt (1974), Peter Marichael (1980) en Karen De Visscher (1987) niet meer worden verlengd. Zijn beslissing werd genomen na overleg met de dramaturgen Wim Van Gansbeke en Stef De Paepe.
Nog een paar weken later was het alweer prijs: “De vrouwen” van Josse De Pauw, een coproductie met het Kaaitheater, werd afgevoerd omwille van “herhaalde crisismomenten tijdens het repetitieproces”. In plaats daarvan zetten Blanka Heirman en Chris Boni in een regie van Hugo Van den Berghe dan maar “Schijn bedriegt” van Thomas Bernhard op de planken. Eigenlijk is dit stuk geschreven voor twee acteurs, maar het vergde niet veel problemen om daar twee actrices van te maken. Ondanks deze afgelastingen haalde het NTG toch 18% eigen inkomsten, waarmee het boven het gemiddelde zit en boven de 12,5% die door het theaterdecreet wordt geëist.
De invloed van Blauwe Maandag op het NTG nam het volgende seizoen ook concrete vormen aan. Johan Dehollander wordt aangetrokken voor één van de faecaliëndrama’s van Werner Schwab (1958-1993), Luc Perceval doet tweemaal de lichtregie en twee van de nieuwe vaste acteurs (Jan Bijvoet en Koen de Sutter) werden ook door hen getipt. Het dient gezegd dat ook Eric De Volder van Ceremonia-producties, die (ondanks het débâcle van “Misdaad en Straf”) Sam Bogaerts opvolgt bij Het Salon, de twee heren had gevraagd net als de actrice Gert Portael overigens (de vierde is Fania Sorel). De Volder brengt ook Hendrik Hein Van Doorn mee naar het Salon, waar verder nog twee nieuwe gezichten te zien zijn: Veerle Eyckermans en Johan Knuts (Dinska Bronska).
In maart pakte hij uit met “Gruis”. Volgens Roger Arteel had De Volder echter “niet veel te vertellen. Bovendien grijpt De Volder terug naar vroegere procédés. Wie ‘Nachtelijk symposium’ zag, blijft nu onbevredigd.”
Het NTG opende op 27 september 1995 het nieuwe seizoen (het eerste waarvoor Wim Van Gansbeke de volle verantwoordelijkheid opneemt) met “De Presidentes”, het eerste faecaliëndrama van Werner Schwab. Hoe deze pies-en-poep auteur zo populair kan worden dat tegelijk ook een Franse versie liep in het Théâtre Varia en een luisterspelbewerking op Radio 4 (in een reeks met nog twee stukken!) is me reeds een raadsel, maar in het NTG werd de onnozelheid ervan nog wat meer in de verf gezet door de regisseur die de actrices Chris Boni, Magda Cnudde en Blanka Heirman deed cabotineren dat het letterlijk niet meer om aan te zien was. Na drie kwartier hield ik het dan ook voor bekeken. Nog een geluk, want zo heb ik ook niet kunnen vaststellen dat na een intermezzo met een Tirolerorkest het stuk nog eens opnieuw versneld wordt gespeeld door Mieke van Bocxstaele, Ireen Beke (familie van? ik denk het niet, want de burgemeester had het stuk niet eens gezien) en Dafne Laquiere, terwijl de drie eerste actrices het stuk vanuit de zaal becommentariëren… Hun plaatsen waren namelijk naast die van mij gereserveerd! Als men dan weet dat de regisseur niemand minder dan Hugo Van den Berghe was, dan moet ik toegeven dat de geruchten over zijn nakend ontslag en zijn vervanging door een herrezen Jef Demedts misschien wel terecht zijn!
Begin januari 1996 verscheen er in “Het Volk” trouwens een artikel dat een aantal acteurs, w.o. Jef Demedts, Nolle Versyp en Roger Bolders, een ultimatum voor het ontslag van Wim Van Gansbeke zouden hebben gesteld. Uiteraard werden deze geruchten door Hugo Van den Berghe formeel ontkend, maar hij gaf wel toe dat de drie zware kritiek hadden geuit op Van Gansbeke. Tegen het einde van het seizoen, toen er alweer een Schwab op het programma stond, deze keer zijn laatste stuk, “Escalatie ordinair”, in een regie van Johan Dehollander, was het dan ook prijs: de Raad van Bestuur kondigde aan de contracten van directeur Hugo Van den Berghe en dramaturg Stef De Paepe niet te verlengen. Deze laatste werd op staande voet ontslagen. Zijn eerste stuk dat hij zou regisseren (het openingsstuk van het volgende seizoen) viel weg. Van den Berghe mocht nog één seizoen uitbollen. Wim van Gansbeke mocht blijven, maar die wist niet of hij dat eigenlijk wel wilde. Zo was hij b.v. erg ongelukkig met het feit dat er volgend seizoen ter compensatie een “familiespektakel” is gepland (“The never-ending story”).
Men wil ook de programmaboekjes “toegankelijker” maken. Het Salon wordt volgens Michel Van Ongevalle, voorzitter van de raad, “bevroren”. Dat wil zeggen dat men het experiment als mislukt beschouwt, maar dat het wel behouden blijft in het dossier voor de vier volgende subsidiejaren. “Onze hoofdopdracht is theater te brengen in onze stadsschouwburg, niet de trendsetter te worden van het avant-gardetheater,” aldus de voorzitter. Hij betwist dat het teruglopend aantal bezoekers een reden op zich is, maar hij vindt wel dat als een productie als “Eskalation” 3 miljoen extra kost, men dan wel wil zien hoe de respons daarop is bij het publiek. De terugloop is immers niet mis: de gemiddelde bezetting is dit jaar 230 zetels per voorstelling, terwijl dit twee seizoenen geleden nog 375 was. Later (nl. in de GVA van 29/10/1998) zou de Provinciale Gedeputeerde voor Cultuur Jean-Pierre Van Der Meiren (CVP) verklaren: “Daar zaten ook mensen in die weigerden te spelen voor wat ze het klootjesvolk noemden. Ze waren niet beschaamd om met het geld van diezelfde mensen theater te maken en dat soms voor dertig betalende toeschouwers.”
Voor Danny Vandenbossche was dit argument echter niet doorslaggevend en hij nam ontslag uit de RVB. Johan Thielemans had ook vragen, aangezien de Raad van Advies zich juist moest uitspreken over een subsidiëring voor de volgende vier jaar, maar op dat ogenblik was nog niet bekend wie Van den Berghe zou opvolgen. Uiteindelijk adviseerde de Raad vijf miljoen minder. Aangezien de stad en de provincie hùn subsidie afhankelijk maken van de gewestsubsidie, zou dat betekenen dat het NTG in totaal 16 miljoen zou verliezen.
Op 4 oktober 1996 werd dan bekend gemaakt dat het NTG met Blauwe Maandag zou fusioneren en dat Luc Perceval artistiek leider zou worden. Typisch was dat Hugo Van den Berghe het bericht op de radio moest horen. Een week later sprongen de besprekingen echter af, zodat hij toch nog zijn gram haalde. Hij verzet zich ook tegen de verplichting tot samenwerking die minister Martens wil opleggen. Hij ziet het eerder in specialisatie: KNS voor komedies, KVS voor klassieke auteurs en NTG voor moderne, grensverleggende schrijvers. Een utopie, als je het mij vraagt.
Als Jos Stassen (Agalev) in de commissie cultuur begon over het afspringen van de onderhandelingen tussen BMC en NTG, pikte cultuurminister Luc Martens hierop in. Volgens hem is het een partijpolitieke discussie (“iedereen met een machtspositie heeft een kleur”) en moet er dus eigenlijk toch wel een oplossing gevonden worden. Hij zegt dat er de volgende week een ontmoeting zal plaatshebben met burgemeester Beke en gouverneur Balthazar. Op 20 november werd echter Jean-Pierre De Decker als nieuwe directeur aangeduid. Meteen ging hij over tot massale ontslagen (o.a. Blanka Heirman), want de Raad van Bestuur had Van den Berghe steeds verweten dit niet aan te durven. Zo kwam er, terwijl het – zoals te verwachten en te voorzien was – storm liep voor “Het oneindige verhaal”, het moderne sprookje van Michael Ende in een regie van Niek Kortekaas, wel degelijk een einde aan dit verhaal… De Decker kreeg hiervoor veel kritiek, maar eigenlijk lag de fout bij Hugo Van den Berghe, dat moest zelfs de eveneens ontslagen Wim Van Gansbeke toegeven (GVA, 26/12/96). Toen die dan toch uiteindelijk tot ontslaan overging, was dat… voor de vier jongsten! Zijn oude collega’s durfde hij namelijk niet ontslaan!
Hugo Van den Berghes regie van Ibsens “Steunpilaren van de maatschappij”, waarmee het NTG het seizoen 96-97 opende, kon binnen het klimaat van de Dutroux-affaire wel op veel sympathie rekenen (men gelastte zelfs een voorstelling af om aan de Witte Mars te kunnen deelnemen), maar de recensenten vonden dat het stuk niet echt tot leven werd gewekt. Men sprak van “marionetten”.
Hoe raar het ook mag lijken, maar de strontstukken (letterlijk en figuurlijk) van Werner Schwab buiten beschouwing gelaten, lijkt de korte periode dat Wim Van Gansbeke in het NTG als dramaturg de lakens uitdeelde, nog het meest te situeren in deze stroming. Inhoudelijk is dat misschien niet zo verwonderlijk (Wim is zeker niet de wereldvreemde despoot zoals men het karikaturaal heeft willen voorstellen), maar dat deze inhoud zich vormelijk vertaalt in vrij traditioneel theater, dàt is verrassend. “Het dispuut van Valladolid” van de Waal Julien Binot, naar het TV-script van Jean-Claude Carrière, was daarvan een voorbeeld (het voornoemde dispuut is overigens ook te zien in de film “The Mission” en gaat erom of indianen nu al dan niet een ziel hebben, het werd zeer oubollig geregisseerd door Wim Meuwissen, een pionier van het vormingstheater van het eerste – en het laatste! – uur, met op het einde een zeer doorzichtige transpositie naar de huidige periode door twee zwarten “met de grove borstel” het toneel te laten ontruimen) en het ging ook die kant voor “Professor Bernhardi” van Schnitzler. Zelfs de karikaturale aanpak, die de Franse regisseur Jean-Claude Berutti (in 1995 reeds te gast in het NTG met “Gisteren”) langzaam liet doorsijpelen was niet van aard om het spel deze keer wat meer pit te geven. Dit laatste stuk van de tandem Vandenberghe-Van Gansbeke ging op 17/5/97 in première. “Professor Bernhardi”, een stuk uit 1912 van Arthur Schnitzler, is nochtans (zoals de meeste stukken van Schnitzler) nog altijd erg actueel. “Als je op een ochtend, zonder er verder bij na te denken, begint het juiste te doen en zo de hele dag door niets anders dan het juiste doet, dan zit je beslist nog voor donker in de cel,” is de kernzin eruit.
Na z’n ontslag richtte Hugo Van den Berghe een eigen theater op als onderdeel van ID TV van Zaki. Aangezien men louter commercieel wil werken, is het duidelijk dat men voornamelijk zal terugvallen op stukken als “De Broek” van Carl Steinheim met op de koop toe nog Loes Van Den Heuvel en Johnny Voners in de hoofdrol. Toch spelen Blanka Heirman en Walter Moeremans ook “Pas de deux” van Hugo Claus, dat door deze wel wordt aangepast naar twee oudere acteurs die hopeloos een eigen productie van de grond proberen te krijgen. Ook Claus heeft immers nog een eitje te pellen met het NTG natuurlijk… “De Broek” wordt geregisseerd door Hugo Van Den Berghe, “Pas de deux” door Jappe Claes.
Sindsdien stond Hugo niet meer op de planken. Zijn laatste theaterrol speelde hij in 1990, in “Elektra”, in een regie van Dirk Tanghe. Ja, hij was nog te zien in de televisiesoap “Familie” en feuilletons zoals “Flikken”, “Recht op Recht”, “Spoed” en “Heterdaad”. Hij regisseerde ook voor televisie, maar op de bühne zag je hem niet meer. In 2005 overtuigde Chris Lomme hem om nog eens te spelen, in “Het licht in de ogen”. Op het einde van 2012 waren het Koen Crucke en Jan Gheysens.
Van Den Berghe had enige jaren daarvoor een herseninfarct, maar is er weer bovenop. Hij en zijn vrouw wonen in De Haan, waar ze buren zijn van Koen Crucke en Jan Gheysens.
`Ik kan het acteren niet laten,‘ getuigt hij tegenover Karel Van Keymeulen in De Gentenaar van 30 november 2012, “en ik ben zeer blij dat ik het weer doe. Straks kan ik weer op de grote scène staan in Platonov. Ik voel dat ik weer onder de mensen ben. Na mijn herseninfarct doet dit deugd. Ik mocht het in mijn eigen tempo aanpakken. Jan ziet het als een soort therapie. Het bevalt me en ik ben enorm blij. Al krijg ik, nu de première nadert, ook al een beetje spijt van (lacht).”

Referentie
Ronny De Schepper, “Theater moet de mensen een gevoel van vrijheid kunnen geven”, De Rode Vaan nr.43 van 25 oktober 1991

(*) Mark Vlaeminck was het daar alvast niet mee eens (zie hoger).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.