Terwijl Jan Verheyen de laatste hand aan het leggen is aan zijn Collega’s-film 2.0, is het vandaag exact dertig jaar geleden dat de laatste draaidag plaatsvond van “De collega’s maken de brug”, de enige film die de echte Collega’s ooit hebben gedraaid. Over het draaien van deze film heb ik destijds nog een reportage gemaakt voor De Rode Vaan.

Hadden we op de trein nog de indruk op weg te zijn naar een of ander pretpark (omwille van de heropening — onder druk van de publieke opinie — van een paar kleinere stations had de NMBS gratis tickets ter beschikking gesteld en vooral de kleuterscholen hadden daarvan gebruik gemaakt), dan kunnen we ons in de lege straten van Boom toch maar nauwelijks inbeelden dat we ons hier in het « Vlaamse Hollywood » bevinden. Even overvalt ons zelfs de neiging om de Vlaamse uitdrukking « je kan hier in je bloot gat over ’t straat lopen » ook daadwerkelijk uit te proberen. Maar daar wenkt reeds een ACV-gebouw aan de overkant van het marktplein en dan weten we het wel: hier zal de Boomse schouwburg gevestigd zijn. Die schouwburg is immers een soort van filiaal van het Mechels Miniatuur Theater en die mannen zijn altijd goed geweest in kleur bekennen.
« Zo zie je maar wat er gebeurt als de socialisten een kapitalist in huis halen »
Alhoewel het groen-wit van het ACV nu niet bepaald overeenkomt met de corresponderende voetbalkleuren in Mechelen. Integendeel, als we filmset van « De collega’s maken de brug » (want daarvoor zijn we naar de Boomse schouwburg gekomen) betreden, is het eerste wat opvalt de rood-gele KV-sjaal die aan de kapstok hangt en die later aan Jomme Dockx (of is het dan toch Manu Verreth ?) blijkt toe te behoren. Manu Verreth (of is het dan toch Jomme Dockx?) ligt trouwens over een krant gebogen en leest luidkeels voor over het conflict dat binnen het pas gepromoveerde Racing Mechelen reeds is ontstaan met de sponsor. De mannelijke collega’s vallen hem lachend bij, alleen Tuur De Weert die destijds in het toneelstuk en het feuilleton en nu ook in de film de « rode » Gilbert Vanhie speelt, zucht : « Zo zie je maar weer hoe het gaat als de socialisten een kapitalist in huis halen… »
Vóór ons haalt Nora Tilley haar wenkbrauwen op (of is het « voor óns » ?). Zoals we reeds weten uit ons Mundial-interviewtje van twee jaar terug, kan voetbal haar gestolen worden. Nora is de enige die een andere rol heeft gekregen in de film (daarom ook wordt besloten om straks aan tafel met haar een gesprekje te voeren, evenals met Tuur en met regisseur Vincent Rouffaer). Ze is wel nog steeds Karolien, maar ze speelt nu niet langer een onbezonnen tiener, maar integendeel een jonge vrouw, een BOM dan nog wel (Bewust Ongehuwde Moeder), die in deze tragi-komedie voor het eerste deel van de samenstelling moet zorgen, daar waar de nadruk op het tweede deel blijft liggen. De plot is immers vlug verteld : door een toedoen van de bode Baconfoy (Jackie Morel) zijn de collega’s komen werken op een brugdag. Door onvoorziene omstandigheden geraken ze echter in het verlaten gebouw opgesloten en voor sommigen onder hen, met name dus voor Karolien die haar kind nu niet van school kan afhalen, wordt de situatie niet langer lachwekkend.
Karolien heeft ook een promotie gekregen. Ze is nu de secretaresse van Persez (René Verreth) en op die manier wordt ze van dan af ook als « Karolijn » aangesproken. Net zoals destijds met zijn « Miraaiie maasje » is Persez immers alweer hopeloos verliefd geworden op zijn nieuwe toeverlaat (nu ja, wie niet?). De afwezigheid van Mireille Puis (Nellie Rosiers) zelf wordt door Vincent Rouffaer later verklaard door het feit dat ze uit het feuilleton is verdwenen omdat ze gek is geworden. Nochtans staat de film helemaal op zichzelf, zegt hij herhaaldelijk, en aan die passage wordt dan ook niet gerefereerd. We vermoeden dan ook dat er andere motieven achter deze afwezigheid schuilen en, jawel, enkele dagen later lezen we in de « Gazet van Antwerpen » een nogal bitsig interview van confrater Herman Van Doninck met Nellie, waaruit blijkt dat ze overhoop ligt met Manu Verreth (die ze consequent Jomme Dockx blijft noemen) en aangezien Manu samen met Ralf Boumans producer is van de film…
Nellie zal het ons hopelijk niet kwalijk nemen dat we, ondanks het feit dat we haar overschot van gelijk geven als ze het heeft over het gebrek aan respect dat Verreth voor haar en voor haar fans aan de dag legt, toch niet helemaal ontevreden zijn over hoe dit conflict uiteindelijk is opgelost. Wij zouden anders echt niet de knoop hebben kunnen doorhakken wie er er nu uiteindelijk het typistje had moeten worden. Zoals u nog wel zal weten, werden er immers drie reeksen « Collega’s » opgenomen, elk met een eigen typiste. Enkel de tweede reeks (met een « slissende » Agnes De Nul) was wat dat betreft een tegenvaller, maar zowel Tessy Moerenhout als Betty Bossé uit de eerste reeks als Nora Tilley uit de laatste wilden wij zeker op het grote scherm zien evolueren. Uiteindelijk is het dus Betty geworden, terwijl Karolien een promotie kreeg.
Het is trouwens op Betty dat er wordt gewacht vooraleer een nieuwe shot kan worden genomen. Vanhie, Dockx, De Pesser (Jaak Van Assche) en Verastenhoven (Mandus De Vos) hebben hun tekst al een paar maal gerepeteerd, maar voor de shot zelf zijn ook de meisjes nodig, al hebben die op dat moment niets te zeggen. Tessie komt na verloop van tijd zich van geen kwaad bewust de set opgewandeld en wordt tot spoed aangespoord : het moet allemaal vlug gaan, « time is money » en op 15 juni wordt het draaien met een feest in de schouwburg zelf reeds afgesloten.
Maar het moet inderdaad ook vlug gaan, want de première is al op vrijdag 14 oktober voorzien, als gala-opening van het Internationaal Filmgebeuren van Gent. Als Tessie haar plaats heeft ingenomen, doen de mannen hun nummertje nog eens over. Ze roepen door het raam tegen een grijsblauwe muur (die later dankzij de magie van de zevende kunst een shot vanop het dak van de Brusselse Ancienne Belgique wordt) iets in gebroken Frans. Ze trachten immers de aandacht te trekken van een paar Franstalige kinderen op straat. In werkelijkheid staat uiteraard enkel regisseur Rouffaer en cameraman Michel Van Laer tegenover hen. Nogmaals wordt duidelijk: de fascinatie van het medium film komt pas tot uiting op het witte doek, de opname zelf is « dead boring »…
« Het is niet iets waar ik al jaren van wakker lig »
Over dan maar naar het restaurant van de Boomse Schouwburg (overal waar het MMT een schouwburg neerpoot hoort onverbrekelijk een restaurant erbij), waar het eten — naar het zeggen van de habitués — voor het eerst te vreten is. Tussen twee happen selder door vertelt Vincent Rouffaer voor wie dit zijn eerste bioscoopfilm is (voor televisie maakte hij o.a. reeds het bejubelde « Ultieme kerstverhaal » en het minder bejubelde « Hoogtevrees ») dat hij ook voor televisie reeds het « uni-camera-procédé » aanwendde i.p.v. captaties met vier camera’s zoals dat de gewoonte was. De overgang van het ene systeem naar het andere situeerde zich precies in de derde reeks van « De collega’s », die op z’n rekening staat, net zoals trouwens de tweede (de eerste werd ingeblikt door good old Anton Stevens). Voor buitenstaanders zal het wellicht wat paradoxaal klinken, maar met één camera kan je veel meer vertellen, zegt Vincent, kan je het geluid beter opnemen, kortom men kan actiever ingrijpen.
Eigenlijk zijn we een beetje verrast over het enthousiasme waarmee Rouffaer over de film praat. In de persinfo wordt deze immers aangekondigd als « de eerste film van Jan Matterne ». Uiteindelijk is Matterne « slechts » de scenarist, welke regisseur wil nu zo op de achtergrond worden geschoven (tenzij je Stijn Coninx heet)?
Maar Rouffaer ziet het allemaal wel zitten. Hij heeft nogal veel inspraak gehad in het scenario, zelfs zodanig dat Matterne zijn huiswerk vijfmaal heeft dienen te hermakers.
Vincent Rouffaer: Toen ik de eerste keer het feuilleton regisseerde dan hebben we inderdaad veel gediscussieerd om niet te zeggen ruzie gemaakt over de zin en de onzin van bepaalde teksten en situaties, zelfs in die mate dat ik tal van bladen nog op de set eruit scheurde enz., maar langzaamaan zijn we op die manier naar mekaar toe gegroeid en nu is er geen enkele discussie meer, we zitten compleet op dezelfde golflengte. Ik heb er dan ook geen enkele moeite mee dat het een film van Jan Matterne wordt genoemd.
Tenslotte zijn « de collega’s » van hém. En er is toch ook nog altijd een verschil met een Dominique Deruddere of een Marc Didden die echt « hun » film willen maken, met een eigen scenario en al. Die willen per se hun ei kwijt. Dat is bij mij zeker het geval niet. Jan heeft mij gevraagd of ik zijn scenario wilde verfilmen en ik doe dat met veel plezier, maar het is niet iets waar ik reeds jaren van wakker lig.
— Waarvan lig je dan wel wakker?
V.R.:
Ik heb wel een paar ideetjes mijn schuif liggen, maar ik zal me er wel voor hoeden je die te verklappen. Vroeg of laat begin ik daar wel eens aan, maar op het moment heb ik daar hoegenaamd geen tijd voor. Ik draai voor de dienst drama zo’n vier films per jaar. Ik voel me er trouwens ook nog niet echt geroepen voor, met mijn 37 ben ik immers nog erg jong en heb nog al de tijd.
— Heb je er dan in dat opzicht geen moeite mee dat deze film zich afspeelt binnen een enge ruimte, terwijl zeker de jongste jaren « echte » films bijna altijd uit hun voegen barsten ?
V.R.:
« De collega’s » horen thuis in een kantoor, daar kan je niet buiten, al hebben we er wel voor gezorgd dat we voor dertig procent buiten zitten. We volgen immers ook directeur Thienpont en Baconfoy die met enig leedvermaak de gebeurtenissen gadeslaan. Daarbij, een film heeft niets te maken met interieur of exterieur, maar wel met een drama dat zich afspeelt. Er is zelfs de jongste tijd min of meer een reactie te merken tegen die spectaculaire films, door meer intieme verhalen zoals « Moonstruck » e.d.
« Jammer dat het scenario niet klaar was of we hadden meteen een 2de film gedraaid »
— Maar kan men « De collega’s » een drama noemen?
V.R.:
Het nadeel van het feuilleton was dat het nogal vrij snel naar het karikaturale overhelde, maar met de film is dit zeker niet het geval. In dat opzicht gaan we veel verder, we diepen elke figuur beter uit, we stappen af van het anekdotische.
— Dan zou men ook kunnen veronderstellen dat het « universeler » wordt. Is de doelgroep groter dan, laten we zeggen, alleen maar Nederland wat dat betreft ?
V.R.:
Vanuit Nederland is de belangstelling alleszins erg groot. Ook de serie werd daar druk bekeken. En voor de rest denk ik wel dat ook andere landen erdoor kunnen worden aangesproken. Tenslotte is een situatie zoals op zo’n administratieve dienst overal herkenbaar.
– Maar gaat het dan niet ten koste van de (inderdaad erg grote) herkenbaarheid voor de doorsnee Vlaming zelf ?
V.R.:
Op een paar details na die voor buitenlanders onbegrijpelijk zouden zijn, doen we op dat vlak zeker geen toegevingen. Ook al omdat andere landen dat ook niet doen. De authenticiteit werkt eigenlijk de herkenbaarheid nog in de hand. Deze scène met die frankofone kinderen is daar toevallig een typisch voorbeeld van.
— Je refereert vaak aan het succes van het TV-feuilleton, maar komt de film in dat opzicht niet wat laat ? Het is zonder meer duidelijk dat men teruggrijpt naar « De collega’s » omdat « Het Pleintje » min of meer de mist is ingegaan… ?
V.R.:
Dat laatste kan ik niet ontkennen, maar dat er nog een ontzettende vraag is naar meer nieuwe avonturen van « De collega’s », dat staat als een paal boven water. Kijk maar naar het succes van de heruitzending van twee jaar geleden. Het is zelfs zo dat we nu al aan het denken zijn aan een tweede film over de collega’s. Om eerlijk te zijn, we vinden het een beetje jammer dat het scenario nog niet klaar was, want nu het decor van Paul Degueldre hier nu toch zo mooi is opgebouwd, hadden we die bijna in één moeite door kunnen draaien. Anderzijds moeten we wel voor ogen houden dat het feuilleton nu ook weer niet zo goed was als men uit een soort van nostalgie zou denken. Dat is juist de uitdaging van het maken van deze film. Dat je de mensen dus wel « De collega’s » geeft, zoals ze dat verwachten, maar dat je ze tegelijk ook méér geeft, zonder dat ze het merken.
— Daarover gesproken, de serie heeft steeds op een groot publiek gemikt, ja zelfs kinderen voelden er zich door aangesproken. Maar op de set zie ik daar allerlei seksboekjes rondslingeren. Of is dat om de tijd te doden tussen de opnamen ?
V.R. (lacht):
Nee, het heeft wel degelijk met de film te maken. Maar het belang ervan is zeker niet zo sterk dat b.v. mensen met kinderen er zich door zouden moeten laten afschrikken. Enerzijds is er natuurlijk De Pesser die wat brave naaktfoto’s uit « Kwik » en zo heeft opgehangen, anderzijds is er een plagerijtje naar Verastenhoven toe die vooraleer hij naar het toilet gaat enkele pin-ups in zijn krant geschoven krijgt om te zien hoe hij zal reageren. Nadien blijven die daar dan inderdaad rondslingeren en wanneer de drank op een bepaald moment zijn werk heeft gedaan, beginnen ze die te fotokopiëren.
— Nu je het zegt: op de technische fiche lees ik dat Bonaventuur een « huisvriend » heeft. Dat vermoedden we allemaal wel reeds, maar nu wordt het aan de openbaarheid prijsgegeven ?
V.R. :
Inderdaad, hij is op een Italiaanse operazanger gevallen, die onder contract ligt bij de Muntschouwburg.
En zo belanden we dan bij de acteurs en meer bepaald bij Nora en Tuur, die zich overigens ook reeds hadden laten gelden tijdens het gesprek met Vincent. Er wordt wat gepraat over hun respectievelijke rol in de zin zoals we dat reeds in onze inleiding hebben verwerkt, en ook over hun eerste filmervaring wordt gesproken. Het blijkt echter dat er weinig verschil is met het werken voor televisie, ook al omwille van de veranderde werkwijze bij dat medium, zoals Vincent Rouffaer dat reeds heeft aangegeven. Nora geeft toch de voorkeur aan film, zegt ze. Net op dat moment wordt ons gesprek onderbroken omdat het werk opnieuw wenkt. Zelfs een pousse-cafétje hoort er niet meer bij. Dat moet voor een gezelschap dat een stuk als « Den Dronkaard » in zijn banier voert wel een hele kwelling zijn.
Het spreekt haast vanzelf dat ik na deze ervaring de neiging had om de film beter te ontvangen dan de meeste van mijn confraters…
Deze zomer waren we tijdens de komkommertijd te gast op de set van de eerste film die aan het populaire televisieverschijnsel van Jan Matterne, de Collega’s, werd gewijd : « De collega’s maken de brug ». Toevallig hadden we een weinig boeiende draaidag getroffen en ook regisseur Vincent Rouffaer wekte tijdens ons gesprek niet de indruk echt voor de volle honderd procent achter dit project te staan. Neem daarbij nog een erg ongelukkig fragment in het BRT-programma gewijd aan het Gentse Filmgebeuren en wat onheilspellende bedenkingen van confraters die de film in pre-visie hadden gezien en je kan je voorstellen met welke voorgevoelens we op de feestelijke première tijdens datzelfde Filmgebeuren binnenkwamen.
Komt daarbij nog dat er het eerste half uur duidelijk iets mis is met de balans tussen de muziek van Brian Clifton en de dialogen, zodat je aangewezen bent op de Franse onderschriften, dan mag het haast een mirakel heten dat we uiteindelijk nog met een positieve indruk de zaal hebben verlaten en regisseur en acteurs heel oprecht hebben gelukgewenst met het uiteindelijke resultaat. Of « De Collega’s » daarmee opnieuw in de lift zitten is echter na zo’n premièrevoorstelling nog niet te voorspellen.
Om een lift draait het inderdaad bij het nogal vergezochte scenario waarbij de bode Baconfoy een nota over een onverwachte brugdag (10 november) op het bureau van de verstrooide dienstchef Persez heeft gedeponeerd, met het gevolg dat de hele ploeg komt opdagen in een totaal verlaten gebouw. Samen met directeur Tienpondt volgt Bacon dan vanop afstand de « avonturen » van de collega’s. Geef toe, als komedie is er wel iets beters te bedenken.
Maar daar zit het ‘m nu precies: door het feit dat in het bouwvallige gebouw de lift enkel van beneden naar boven functioneert, komen de collega’s a.h.w. op een eilandje te zitten en ontspinnen er zich eerder dramatische toestanden dan grappige. En dààraan ontleent de film uiteindelijk z’n aantrekkingskracht, al wekte de vergelijking van feestredenaar Mark Uytterhoeven met « The Lord of the Flies » wel enige wrevel op. Toch is ook Matterne een scherpe observator van de menselijke kleinheid en de acteurs van het M.M.T. spelen als collega’s zowat de rol van hun leven. Nu weten we wel dat zij in theaterrecensies vaak precies op hun acteertalent worden getackled, maar dat is geen ontkenning, maar eerder een bevestiging van wat we zopas hebben gesteld. Vergeten we immers niet dat bij de creatie (in 1976) Matterne zijn personages voor een groot deel heeft gemodelleerd op diezelfde acteurs. Men mag dit natuurlijk niet te absoluut stellen (Van Assche is De Pesser niet, evenmin als Tuur De Weert Van Hie of Manu Verreth Jomme Dockx), maar het is ongetwijfeld waar dat Matterne gezien heeft welke karaktertrekjes hij het beste kon gebruiken. Precies die karaktertrekjes die recensenten doen schrijven dat de MMT-acteurs altijd « de collega’s spelen », ook als ze in andere rollen te zien zijn.
Maar hier komt hen dat dus goed van pas. Naast het reeds eerder genoemde trio mogen zeker de twee hoofdvertolkers (in zoverre dit bij een « collectieve » productie van toepassing is) niet vergeten worden : René Verreth als Persez en Nora Tilley als Karolien, eigenlijk een nieuw personage, want met het vroegere typistje heeft deze jonge vrouw nog weinig van doen. De aanloop voor nog meer dramatische rollen in dat genre? En over typistjes gesproken, Tessy Moerenhout krijgt voor haar talent een beetje te weinig tekst toebedeeld, maar om als volwassen vrouw nog ongegeneerd een bakvis tot leven te kunnen brengen : chapeau!
Rest tenslotte toch ook een woord van lof aan regisseur Rouffaer die vooral veel vaart in de film heeft gestoken via een flitsende montage (in het begin dus iets té flitsend) en ervoor heeft gezorgd dat de kijker zich — in tegenstelling tot de collega’s zelf — nooit opgesloten voelt binnen de enge beperkingen van het kleine kantoorgebouw. De buitenopnamen waren zelfs niet eens noodzakelijk om het gevaar van “gefilmd toneel” uit de weg te gaan.
« De collega’s maken de brug » – regie: Vincent Rouffaer; scenario: Jan Matterne; foto: Michel Van Laer; muziek: Brian Clifton; met Nora Tilley (Karolien), René Verreth (Persez), Tessy Moerenhout (Betty), Tuur De Weert (Van Hie), Jaak Van Assche (De Pesser), Manu Verreth (Jomme), Mandus De Vos (Verastenhoven), Bob Van der Veken (Tienpondt), Jacky Morel (Baconfoy), Danielle Detremmerie en Gerda Wilms (showgirls) e.v.a.; verdeling: Alfa-films.

Referentie
Ronny De Schepper, “De uitdaging is: de mensen méér geven, zonder dat ze het merken”, De Rode Vaan nr.26 van 1988
Ronny De Schepper, Opnieuw in de lift? De Rode Vaan nr.43 van 1988

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.