Het is vandaag al twintig jaar geleden dat Anton van Wilderode is overleden. Ik heb het geluk gehad twee jaar Nederlandse les te krijgen van hem (poësis en retorica) en ook na mijn middelbare schooltijd ben ik hem nog een aantal keren gaan bezoeken, vaak om louter persoonlijke redenen, een enkele keer ook om hem “officieel” te gaan interviewen voor het gewestelijk weekblad “De Voorpost”. Dat was in mei 1978, precies tien jaar na mei ’68…

Tien jaar geleden was het. Tien jaar geleden zaten we in de poësis in het Sint-Jozef-Klein-Seminarie en Cyriel Coupé (of was het Anton van Wilderode?) trachtte ons warm te maken voor de schoonheid van de literatuur in het algemeen en de poëzie in het bijzonder. Het was natuurlijk een bijzonder ontvankelijke leeftijd en alhoewel we sindsdien nog veel in contact hebben gestaan met poëzie, kennisgemaakt met nieuwe dichters en zelfs in het dagelijkse leven op een bepaald moment dezelfde taak op ons hebben genomen als E.H.Coupé, toch is ons poëtisch gevoel er op die tien jaar misschien eerder op achteruit gegaan. Al loopt de poëzie immers nog zo snel, de harde realiteit achterhaalt ze wel.
Tien jaar geleden was het eveneens. Tien jaar geleden schreef men op Parijse muren: “Onder de straatstenen ligt het strand”, “De verbeelding aan de macht” en “Het is streng verboden te verbieden”. Mei ’68. Eerlijk gezegd, veel drong er van deze “revolutie” niet tot ons door. We trokken ook wel de straat op, Sint-Niklaas door (*), maar dan met de slagzin “Leuven Vlaams”, overgenomen uit de beweging in Leuven zelf uiteraard, maar in datzelfde Leuven was het flamingantisme via het antiklerikalisme reeds uitgemond in de linkse strekkingen die in Parijs veel duidelijker tot uiting kwamen. Of zijn Paul Goossens en Kris Merckx voortrekkers van de Vlaamse Beweging soms?
Ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag kreeg ik van Wouter Vloebergh in juni 1978 dus de opdracht om mijn oude Magister te gaan interviewen voor De Voorpost. Ik koos als thema de relatie dichter-mens. Men zegt immers: “Nascentur poetae fiunt oratores” (dichter wordt men geboren, redenaar moet men worden), maar is dit wel zo, was mijn eerste vraag.
Anton van Wilderode: Ik geloof niet dat er een groot onderscheid is. Men heeft de voedingsbodem van de eerste twintig jaar nodig om iets te kunnen bereiken.
– Zo’n tien jaar geleden werd u voor de Gazet van Antwerpen geïnterviewd en een groot gedeelte daarvan was gewijd aan de contestatie e.d. U relativeerde het belang enigszins (“contestatie en jeugdig idealisme zijn van alle tijden”, “de media geven een vertekend beeld” enz.), maar over het algemeen kon men zeggen dat u er optimistisch tegenover stond. Dat was natuurlijk echter een contestatie die ontsproot aan een welvaartmaatschappij (de golden sixties), een welvaart die ondertussen sterk aangevreten is. Daar u nog steeds in het onderwijs staat, maakt u dus ook kennis met die nieuwe jeugd. Men verwijt die wel eens een passieve houding, een gebrek aan kritische zin. En als ze dan al eens de contestataire toer opgaan, dan zou het een soort ongegronde contestatie zijn…
A.V.W.:
Die verschillen zijn niet zo geweldig. Ik vind dat dit allemaal een beetje overtrokken wordt. De jeugd is – ik heb het dus reeds gezegd – steeds opstandig geweest, heeft steeds andere gedachten gehad en dat is normaal, dat moet ook. Maar ze konden dat vroeger (en dan spreek ik van vóór de oorlog) minder uiten, want dat werd hun niet toegestaan. Nu wel, omdat het de volwassenen zijn, die veel onzekerder geworden zijn. Wat ook normaal is, want als een volk verstandiger wordt, zich meer ontwikkelt, dan wordt het ook onzekerder. De jeugd is dus niet zozeer veranderd. Ze mogen alleen meer zeggen, waar ze vroeger zeker evenveel dachten. Het was veel moediger voor de generaties van Albrecht Rodenbach en Ernest van der Hallen, om nu eens twee jeugdleiders te noemen, om toen hun opstandigheid uit te drukken. Want nu “mag” het. Nu wordt men niet meteen uitgestoten, bijvoorbeeld van een school weggestuurd of zo. Dat gebeurt praktisch niet meer, waar dat vroeger schering en inslag was. Een goed deel van de Vlaamse studentenbeweging is monddood gemaakt, door de middelen die men had om ze uit te sluiten.
– In de inleiding van het boek van Willem Persoon staat dat u in uw lessen ook uw Vlaams engagement wil overbrengen…
A.V.W.:
Ik denk niet dat iemand in mijn lessen gehinderd wordt door mijn overtuiging. Ik steek ze niet weg, maar kom er ook niet te pas en te onpas op terug. Iedereen weet hoe ik denk, veronderstel ik, juist omdat ik door af en toe in de publiciteit te komen duidelijk geprofileerd sta, waar ze dat van andere leraars misschien minder weten. Maar ook wie anders denkt – en ze hebben daar volledig het recht toe – zal zicn niet ongemakkelijk voelen bij mij.
– Nochtans engageert u zich soms heel sterk. Zo heeft u een homilie gehouden bij een herdenkingsplechtigheid in de collegekerk nadat de VMO het lichaam van Cyriel Verschaeve vanuit Oostenrijk naar hier had gesmokkeld.
A.V.W.:
Het bevreemdt mij inderdaad als ik zie met wel enthousiasme men vreemde vrijheidsvechters huldigt en hoe diezelfde mensen huiverig staan tegenover iemand als Verschaeve die nooit een politicus is geweest. Ik keur niet alles goed wat hij gezegd of gedaan heeft, maar ik sta achter de figuur van Verschaeve die zeker het beste gewild heeft voor zijn volk. Nogmaals, hij was geen politicus, maar een zeer groot minnaar. En als minnaar heeft hij misschien wel vergissingen begaan.
– Verschaeve dàcht inderdaad dat hij nooit een politicus is geweest, maar door die actie van de VMO werd alles toch zeer duidelijk in een politieke context geplaatst?
A.V.W.:
Maar de VMO-actie komt niet ter sprake bij mij. Dat is gewoon de omstandigheid die de figuur van Verschaeve weer in de actualiteit heeft gebracht. Maar ik zou die homilie ook gehouden hebben indien Verschaeve niet teruggebracht was.
– U en Willem Melis zijn ook de enige Wase prominenten die deel uitmaken van Protea…
A.V.W.:
Protea is een vereniging die niet voor apartheid is, want niemand is voor apartheid. Maar ze staat een eerlijke studie en een eerlijke berichtgeving over Zuid-Afrika voor. Nu vraag ik me af wie dààr kan tegen zijn?
– Nou, Humo bijvoorbeeld, met het argument dat de bronnen die Protea aanboort om eruit z’n informatie te putten eenzijdig pro-Vorster zijn.
A.V.W.:
Ja, maar Humo is een snertblad. Dat is geen journalistiek meer. Ook hun interviews niet. Dat is gewoon mensen kleineren. En overigens hebben ze de beginselverklaring van Protea niet gelezen, als men kijkt wat ze daarover geschreven hebben. Kijk, ik zal u het volgende zeggen. Humo heeft André Demedts (ook lid van Protea, RDS) aangevallen, maar wat ik u nu ga vertellen, weet niemand. Jaak Veltman, een journalist van De Standaard, was een jood en vroeg in het begin van de oorlog aan veertig Vlamingen om een gunstige getuigenis over hem, zodat hij eventueel indien hij moeilijkheden zou hebben met de Duitsers, hij kon zeggen dat hij zich actief had ingezet voor de Vlaamse zaak, want hij was een flamingant. Er is één man die daarop positief gereageerd heeft: André Demedts. En ik weet dat niet van Demedts, maar van de familie van Veltman. En die man vallen ze aan. Ik vind dat gemeen. Dat soort journalisten sluit het gesprek af, die zijn allergisch. (**)
– U bent Vlaams geëngageerd én u bent priester. Dat zijn twee dingen die niet steeds samen hebben gehoord. De Kerk heeft vaak het flamingantisme gedwarsboomd.
A.V.W.:
Ikzelf heb een paar kleine moeilijkheden daardoor gehad, maar die liggen vrij ver terug in het verleden, namelijk in de tijd dat ik nog student en seminarist was.
– Uw vriend Maurits Coppieters heeft zo erg onder die discrepantie tussen Kerk en Vlaamse Beweging geleden dat hij op een bepaald moment zelfs een geloofscrisis heeft doorgemaakt. Dat is bij u nooit het geval geweest?
A.V.W.:
Niet in het minst. De praktische houding van sommige kerkelijke instanties kan soms wel eens voor moeilijkheden zorgen, zeker in het verleden meer dan nu, maar over het algemeen zijn mensen uit de Vlaamse Beweging bij gewetensconflicten erg trouw gebleven. Nu zijn die gewetensproblemen er veel minder omdat men veel vrijer staat en die vrijheid ook door kerkelijke instanties wordt aanvaard.
– Eén van de belangrijke elementen dat toch als een soort nasleep van mei ’68 mag worden bestempeld, is de algemene bewustwording inzake het milieu. Voor een dichter moet dit zeker scherp voelbaar zijn. In het hoger vermelde interview drukte u reeds uw ongerustheid uit over de milieuproblemen die de economische ontsluiting van het Waasland met zich bracht en nog vorige week kon ik met mijn eigen ogen vaststellen hoe vooral de streek rond Doel “verloedert”. Ik vergelijk dat graag met “De Teleurgang van de Waterhoek” van Stijn Streuvels.
A.V.W.:
Ja, we zijn natuurlijk op die tien jaar niet vooruitgegaan: het is nog tien keer slechter geworden. We zijn wel vooruitgegaan in die zin dat er meer reactie komt, die ook hier en daar al kleine resultaten boekt. Alhoewel, je kan nu protesteren tegen alles, Sidmar, Doel, wat weet ik al. In een democratie mag dat allemaal. Maar het helpt niet. De TGV komt er, hé! De mogelijkheid dat hij er niet zou komen wordt niet eens in aanmerking genomen! Van het ogenblik af dat ik beginnen schrijven ben, ging het al over mijn omgeving. Ik ben van daaruit vertrokken. En als ik dan het verschil zie tussen wat er toen nog was en wat er nu is, dan is dat pijnlijk. We leven natuurlijk niet in een soort ideaal paradijs, waar je alleen kan zijn met de natuur alleen voor jezelf, maar tussen de ontsluiting van het Waasland en de vernieling van het natuurlijke Waasland ligt toch nog een hemelsbreed verschil.
– En hoe zit het met de culturele ontsluiting?
A.V.W.:
Die laat te wensen over, inderdaad. De talenten zijn er nochtans, vooral op grafisch gebied…
– Zou dat niet nauw kunnen samenhangen met het landschap zelf? Ik denk dan trouwens ook aan Sint-Martens-Latem en zo.
A.V.W.:
Ja, maar wij Vlamingen zijn in de eerste plaats een volk van schilders, eerder dan van literatoren of zo. Maar als je nu kijkt welke namen er geregeld in de media worden gelanceerd, dan stel je vast dat heel belangrijke namen van hier in het Waasland die ook buiten de streek bekendheid zouden verdienen, nooit aan bod komen.
– Is daar een verklaring voor?
A.V.W.:
Het Waasland was een bijzonder gesloten gebied, achter de Schelde en tussen de Nederlandse grens, dus eigenlijk twee zeer sterke grenzen. En ten tweede is de Wase mens misschien te weinig expansief, een nogal ingesloten geest. Nu, ik geloof niet dat men dat op twintig jaar gewoon verandert. Ik zie wel wijzigingen maar het is nog geen ommekeer. Wij zijn opengegooid, maar dat is een procédé dat langzaam moet groeien.
– We hebben nu zowat de belangrijkste wijzigingen die zich binnen die tien jaar op maatschappelijk vlak hebben voltrokken nagegaan, maar ook voor uzelf zijn het zeer belangrijke jaren geweest. Ik som even op zonder volledigheid na te streven: lid van de Koninklijke Vlaamse Academie (1974), het eredoctoraat aan de Leuvense universiteit (1975), de Koopalprijs voor uw Vergilius-vertaling (1975), nog onlangs de prijs van de Scriptores Catholici (1978) en het Rubens-luisterspel ter gelegenheid van het Rubensjaar (1977). Wat is nu voor uzelf het belangrijkste, het meest verrassende geweest? (***)
A.V.W.:
Het meest ben ik onder de indruk gekomen (en ook het meest verwonderd geweest) bij dat eredoctoraat. Veruit. Omdat ik daar nooit aan gedacht had, zelfs niet toen ik daarover de eerste berichten ontving. Dat is voor mij iets onvoorstelbaars. Dat is geen valse nederigheid of zo: ik weet dat er honderden mensen zijn in dit land die dat tenminste evenzeer als of zelfs meer dan ik zouden verdienen, en ik ben daaruit gekozen… Ik ben daar oneindig gelukkig om geweet, moet ik zeggen. Maar ik ben dezelfde mens als tien jaar geleden.
– Misschien interesseert het u ook te weten wat mij nu het meest is opgevallen tijdens die tien jaar? En dat is dan de puur statistische vaststelling dat u de best verkochte dichter bent, nog vóór Hugo Claus.
A.V.W.:
Ik geloof dat ik wel lezers heb die buiten het zuiver literaire vallen. Ik ga ook veel spreken en kom af en toe dus ook in de belangstelling van de pers, zodat men een aantal kopers krijgt, die er normaal niet zijn. Laat ik zeggen: er zijn veel literair-gezinden die mij kopen en veel Vlaamsgezinden die mij kopen.
– Hoe staat een dichter anno 1978 tegenover zijn publiek?
A.V.W.:
Ik ondervind op die lezingen dat ik een heterogeen publiek aantrek, maar ook hoe gevoelig men is voor poëzie. De gewone man is voor twee dingen gevoelig als men daaruit citeert of als men daarover spreekt: het evangelie en de poëzie. En bij dat soort mensen heeft dat niets te maken met snobisme. En dat verrast me telkens weer. Mensen verstaan veel meer van poëzie dan de zogenaamde literair-historici beweren. De gewone man is zeer gevoelig voor poëzie, maar men moet hem de weg mogelijk maken. Men moet een beetje puin ruimen, een beetje de moeilijkheden uit de weg ruimen, om hem tot de teksten te brengen. En dat geldt ook voor de moderne poëzie. Ik sta zeer positief tegenover moderne poëzie en tegenover alle uitingen daarvan, wat niet wil zeggen dat ik onmiddellijk zo zal schrijven. Ik doe geen enkele poging om mij aan te passen. Ongetwijfeld onderga ik natuurlijk invloeden, dat is logisch…
– Ook negatieve, een reactie tegen?
A.V.W.:
Ja, tegen een te groot hermetisme, want poëzie is op de eerste plaats mededeling en er moet dus ergens een gat te vinden zijn om erin te kunnen. En sommige auteurs geven dat niet. En die zijn dan veel te elitair (al zijn ze allergisch aan dat woord) omdat ze voor een klein groepje, zelfs niet lezers, maar gewoon critici schrijven, die toch op iedere trein meespringen om zeker de goeie trein niet te missen. Ik moet zeggen, ik ben telkens verbaasd als er van die moderne poëzie wordt voorgelezen en mensen dat allemaal zonder meer schijnen te begrijpen. Ik doe wel mijn best, maar ik kan dat niet, ik beken dat eerlijk.
– Wie ook tegen het hermetisme in de poëzie zijn en dus gelijklopende kenmerken met u vertonen, zonder daarmee te bedoelen dat u tot hun groep behoort, zijn de nieuw-realisten… (****)
A.V.W.:
Ik heb wel bezwaar tegen de neiging in onze tijd om alles te veel in hokjes te plaatsen en alles te veel een naam te geven. Vroeger werden de generaties geconstateerd, achteraf soms. Maar nu begint men zich te beschouwen tot een bepaalde generatie, tot een bepaalde richting. En dat kan bruikbaar zijn of interessant, maar ik geloof daar niet erg in. Ik geloof dat men met al die indelingen de kern van de zaak nauwelijks raakt. Als men een auteur zelf kent, dan zal men opmerken dat die veranderingen, wijzigingen ondergaat. Als men jong is, schrijft men meer “literatuur” en daar kom je later wel een beetje op terug. Iedereen van mijn leeftijd is aangevreten geweest door Karel Van de Woestijne, door de literatuur, door de mooie zegging, maar met het ouder worden komt daar een versobering in, ongetwijfeld ook onder invloed van de experimentelen. Ik denk dat dit duidelijk zichtbaar zal zijn bij mijn nieuwe bundel, die op het einde van het jaar verschijnt: “Dorp zonder ouders”. U voelt het: dat zijn jeugdherinneringen, hetzelfde thema dat ik altijd gehad heb (naast Cultuur is er Natuur geweest). Het zijn dus natuurgedichten, natuur in de brede zin genomen dan. Het gaat niet alleen over Canadabomen, hé!
– Mag ik eens een Humo-vraag stellen? Is dat soms in het kader van het jaar van het dorp?
A.V.W.:
Nee, oh nee! Die titel draag ik al lang in mijn hoofd, al jaren, en ik dacht hem juist te veranderen wegens dat jaar van het dorp, maar ik vind dat even stom als juist een titel nemen in functie van dat jaar van het dorp. In mijn gedichten kwam ook vroeger reeds zoveel het dorp voor dat ik daar gerust mag naar verwijzen als mijn eigen thema om zo te zeggen. En daarom zal ik die titel waarschijnlijk niet wijzigen. Maar ik vind het wel een beetje hinderlijk in die zin dat ze gemakkelijk zouden denken dat ik een beetje inspeel op de actualiteit. En dat is zeker niet het geval, dat zal men trouwens zien aan de verzen zelf.
– Er staat ook een essay op stapel over priester-dichter Gery Helderenberg?
A.V.W.:
Ik ben daar al een hele tijd mee bezig, maar ik heb nog geen tijd gehad om dat af te werken. Dat zal waarschijnlijk deze vakantie gebeuren. Ik vind hem een zeer groot dichter, vooral dan z’n laatste werken uit zijn ouderdomsperiode. Het is dus niet iemand over wie ik zou schrijven, louter omdat ik daarmee verwantschappen heb (literair of gevoelsmatig), maar omdat ik hem zeer belangrijk vind. Ik hou trouwens niet van de omschrijving “priester-dichter”. Men zegt toch ook niet: Herman De Coninck is een “journalist-dichter”? (*****)
– Maar als Helderenberg zo belangrijk is, vindt u het dan niet jammer dat ik bijvoorbeeld zijn werk niet ken?
A.V.W.:
Ja, maar ik begrijp dat. Het zou me zelfs verwonderd hebben, indien u hem wél kende. En weet u waarom? Omdat al zijn werk in privé-uitgaven is verschenen, men kan dat dus niet kopen in een winkel. Maar hij verdient gekend te zijn, inderdaad. De laatste tijd is er gelukkig wat meer belangstelling voor hem. Helderenberg is een geboren Nieuwkerkenaar en nu op rust in Lede, want hij is nu bijna negentig en heeft de laatste tien jaar magnifieke dingen geschreven, wat op die hoge leeftijd op zichzelf al vrij merkwaardig is.
– U werkt ook aan een bloemlezing samen met Kees Fens?
A.V.W.:
Ja, die zal waarschijnlijk als titel dragen: “Het Woord was bij God”. Het is dan ook een bloemlezing uit de religieuze poëzie uit Noord en Zuid vanaf het begin tot nu, een vijfhonderdtal verzen. Het zal bij Lannoo verschijnen in diezelfde reeks als “Het Groot Gezinsversboek” van Jozef Deleu.

Ronny De Schepper

(*) Dichterlijke vrijheid. Door een verbod van de plaatselijke politie-inspecteur (mijn vader dus) mocht ik niet deelnemen aan die betogingen. Ik herinner me nog dat ik met name in één van de “lessen” van van Wilderode (hij gaf geen les wegens te veel afwezigen, hij hield gewoon toezicht), heb zitten wenen omdat ik samen met Tony Willaert de enige was van de aanwezigen die wel wilde, maar niet mócht gaan betogen. Ik putte uit die vernederende situatie zoveel kracht dat ik ’s avonds letterlijk op tafel klopte en zei dat ik ’s anderendaags wél zou gaan betogen. Mijn ouders waren zo verbaasd over mijn uitval (ik vrees dat ik voor de rest zowat een modelkindje was) dat ze het toestonden. “Als ik maar geen auto’s in brand stak.” ’s Anderendaags stond ik op de Grote Markt van Sint-Niklaas… alleen. Er was geen betoging meer. De revolutie was al voorbij. Zoef! Wat passeert er? De revolutie!
(**) Anton van Wilderode kwam hierop nog eens terug in zijn dankwoord bij de huldiging door het stadsbestuur van Sint-Niklaas en de Wase Persclub op 14 maart 1981 t.g.v. de drie onderscheidingen die hij in 1980 kreeg (de Joost van den Vondelprijs, de driejaarlijkse staatsprijs voor poëzie en de Wase figuur van het jaar): “Ik vind de hedendaagse hand over hand toenemende neiging om mensen te programmeren niet alleen onjuist, maar onterecht en gevaarlijk. Door een of andere omstandigheid (afkomst, stand, opvoedingsmilieu, levensbeschouwing, politieke partij waartoe men behoort of verondersteld wordt te behoren…) wordt u een welbepaald etiket opgekleefd dat u in één van de twee – slechts twéé, want nuanceringen zijn ouderwets – kampen onderbrengt: de conservatieven en de progressieven. Dàt is wel degelijk polarisering of accentuering van tegenstellingen. A priori staat dan zgn. vast wat je denkt of moet denken over allerlei dingen. Je zit in een welbepaald hokje. Je bent, definitief, gekatalogeerd, geprogrammeerd. Door wat ik ben en zeg en schrijf kreeg ik ongevraagd een nogal duidelijke profilering, – maar ik eis het recht op van het één naar het andere kamp te wandelen, naargelang de kwesties die aan de orde zijn. Wanneer ik constateer welke uitwassen, perversies en eenzijdigheden iemand moet aanvaarden, goedkeuren en be-amen omdat hij nu eenmaal als progressief wil gerubriceerd worden dan bedank ik feestelijk; omgekeerd wens ik niet vereenzelvigd te worden met geborneerdheid en kortzichtigheid van conservatief genoemd te worden. Wie sommige tradities aanvaardt is nog geen traditionalist, zoals wie gedurfde enormiteiten verdedigt omdat ze tijdelijk modisch schijnen, niet per se progressief is. Ik wens niet voorgesorteerd te worden naar een straat met éénrichtingsverkeer. Een van de goede dingen van de echte democratie is dat je je opinie (standpunt) kan kiezen en dat je je mag vergissen zonder dat het je hoofd kost.” (Met dank aan Hildegard Coupé)
(***) In 1986 kreeg hij ook nog de driejaarlijkse staatsprijs voor een schrijversloopbaan.
(****) Het volgende gedicht van Anton van Wilderode, dat geselecteerd werd voor de platencassette “Microfonie van de Zuid-Nederlandse Schrijvers” vertoont volgens Armand Van Assche veel gelijkenissen met het nieuw-realisme:

DE DAG VAN EDEN (1)

In memoriam matris

Als ik vanavond thuiskom ben je weg.
Ik zal de tuin inlopen rokend en verdrietig
om al het liefs dat ik je wilde zeggen.
Je zwarte stoel staat in het erwtenbed.

Je zat er vaak tussen twee beurten in
nog met je handen aan de groene lussen
een uur vol gras en vogels uit te rusten,
de druppels zweet al haastig weggewist.

Een fijne sluier zand ligt op je stoel.
Ik zal hem in spiraaltjes openblazen
want je bent weg, ik moet mij nooit meer haasten.
Voor hoeveel jaren is dat nu voorgoed.

(*****) Jan Mestdagh zal enkele jaren later (met name in De Rode Vaan nr.4 van 1983) precies erg de nadruk leggen op dat “priester-dichterschap” van AvW. Dat zal hem dan wellicht ook niet bevallen hebben. Maar kan hij anderzijds ongevoelig gebleven zijn voor de lof die “Kameraad Mestdagh” hem toezwaait, met name dan voor de “merkwaardig authentieke religiositeit”? Ziehier Jans volledige recensie van “De Overoever”:
“De Overoever”, de jongste bundel van priester-dichter Anton van Wilderode, is de poëtische neerslag van zijn verblijf in Italië. Het is in de cultus die zij hun doden wijdden, dat de oude culturen zich het meest indringend hebben uitgesproken over hun eigen identiteit, over hoe zij de wereld zagen en hoe wat aan gene zijde van dit ondermaanse ligt. Het begenadigde Italiaanse schiereiland ligt dan ook bezaaid met grafmonumenten: er zijn de Etrusken geweest, de Romeinen, de vroege christenen, de middeleeuwen, de renaissance… Geen wonder dan ook dat voor van Wilderode zijn bezoek aan Italië is uitgegroeid tot een reis naar “de overoever”, naar het land waarvan niemand terugkeert en dat ons evenzeer fascineert als het ons vrees inboezemt.
Vrees en fascinatie zijn echter niet de accenten die deze bundel domineren, integendeel, van Wilderode behoort tot een van de weinigen die met sereniteit “vredeloos naar de overzijde kijken”. Wel valt het hem niet makkelijk het vertrouwde huis te verlaten – “Het liefste ligt in laden opgesloten” – maar het gebied aan de overzijde ervaart hij als een land dat hem reeds vreemd vertrouwd is, net als zijn bewoners: “De doden die men overdag verloor / verblijven binnenshuis. Bij het avondeten / als vroeger tegenover ons gezeten / geven zij glimlachend de schotels door”.
De poëzie van van Wilderode bezit niet de oor- en oogstrelende pracht die zijn begaafde leerling Paul Snoek zo weelderig tentoonspreidde. Wel is deze poëzie zeer schilderachtig, maar haar kleuren zijn deze van de van tijd en eeuwigheid verzadigde fresco’s der Ouden. Het is een uitermate subtiele poëzie, die haar elegische schoonheid slechts na herhaalde en aandachtige lectuur prijsgeeft.
Deze poëzie getuigt daarenboven van een in onze tijd merkwaardig authentieke religiositeit – met “Catacombe 2″ heeft van Wilderode een van de zeldzame priestergedichten geschreven die niet door de mand vallen door een overjaarse sentimentaliteit of door een simplistisch modernisme.
Maar vooral is deze poëzie religieus omdat ze als bindmiddel fungeert, bindmiddel zowel tussen deze en gene zijde als tussen natuur en cultuur, mens en geschiedenis, heden en verleden.
Ook voor hen die niet geloven gaat van deze gedichten een onmiskenbaar appèl uit. Immers, ook hen wenkt de overoever en de uiteindelijke stilte. Van waar wij kwamen, naar waar wij gaan.”
Jan D’Haese van ’t Pallieterke moet die week voor één keer eens de lectuur van ons blad hebben overgeslagen (hij was nochtans een trouwe lezer!), want het bleef toen oorverdovend stil langs die kant. Dat was dan helemaal anders vijf jaar later toen in De Rode Vaan nr.2 van 1988 mijn goede vriend (en ook ex-leerling van Anton van Wilderode) op zijn beurt een gedicht uit “De Overoever” selecteerde voor de wekelijkse poëzierubriek:

MISSCHIEN

Misschien is dit de hemel zoals toen
de eindeloze zondagmiddag was,
langdurig wachten in geduldig gras
het meegebrachte boek niet opendoen,

de liefste bloesem, van de appelaar,
verdord rood bloed en toch vertederd roze
onaangedaan zien schommelen en blozen
op de geteerde takkenkandelaar.

De doden die men overdag verloor
verblijven binnenshuis. Bij het avondeten
als vroeger tegenover ons gezeten
geven zij glimlachend de schotels door.

Anton Van Wilderode (uit „De Overoever”, 1981)

Er waren voldoende tekenen aan de wand. Eind 1983 wijdde het tijdschrift « Vlaanderen » (onverdacht katholiek en behoudsgezind) een dubbelnummer aan hem. Tine Ruysschaert nam een LP op met teksten uit zijn bundel « Het Land van Amen ». In 1975 werd hij lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde; en in ’77 zelfs Europees ere-senator. Oktober ’87 brengt hem het ereburgerschap van de stad Sint-Niklaas : waar hij zolang les gaf in het Sint-Jozef-Klein-Seminarie. Hij is één van de Kerstmis-bestsellers met zijn boeken waarin hij naast foto’s van Jan Decreton de tekst verzorgt; Decreton die over hem trouwens een 28-uur durende diamontage heeft gemaakt. Lieven Rens schreef een heus dikke studie over hem « Van Moerbeiboom tot Overoever ». En ikzelf leerde ooit zijn lange epische gedicht « Het Herdertje van Pest » compleet uit het hoofd ten dienste van de Woordafdeling van het Conservatorium in Antwerpen. Het kon dus niet uitblijven: mijn ex-leraar Nederlands die ik omwille van zijn rijke commentaren (al ben ik het hierover dan weer oneens met Tom Lanoye) nog in mijn hart draag, Cyriel Coupé, bijgenaamd Anton Van Wilderode, heeft 400.000fr gekregen. En de daaraan verbonden « Driejaarlijkse Staatsprijs ter Bekroning van een Schrijverscarrière ».
Verdiend, roepen wij hier. Lees er de poëzie van Anton maar op na. Of zijn beroemde Vergilius-vertaling. Neem kennis van zijn handleiding over de Nederlandse literatuur, de tweedelige Dubbelfluit. Maar, natuurlijk, politiek en filosofisch zal je mij geen goed woord horen spreken over de man die Protea-lid is, die teksten spuugt over en voor de IJzertorenbedevaart en het ANZ. Je kan dus blijkbaar wel een goed dichter zijn en filosofisch op de dool. Laten wij niet bekrompen wezen en aanbevelen: de nieuwe uitgave van de « Verzamelde Gedichten » van Anton Van Wilderode, een vierde druk (Lannoo, Tielt, 1987; 503blz.). Om nog maar eens te ontdekken hoe ontroering via de taal wordt weergegeven, persoonlijke emotie, reisimpressies, contact met antieke cultuur… Leg deze « Verzamelde Gedichten » dus naast uw ontbijttafel om de nieuwe dag een zin te suggereren die u er anders onmogelijk in kon stoppen. En wanneer deze bundeling uit is, kan u overschakelen op het « Groot Jaargetijdenboek », een selectie voor elke dag van het jaar. (J.d.B.)
Anton van Wilderode in De Rode Vaan
Iedere week wordt er in De Rode Vaan, om één of andere reden, een gedicht gepubliceerd, vergezeld van een verklarende tekst. In het jongste nummer van De Rode Vaan werd aan deze gewoonte geen afbreuk gedaan. Ditmaal echter ging het — tot onze verbazing ! — om een gedicht van Anton van Wilderode, uit zijn bundel « De Overoever ».
In de bijhorende toelichting worden Antons verdiensten als dichter, vertaler en leraar ruim onderstreept. Met kennis van zaken zelfs. Dat is niet abnormaal, als men verneemt dat schrijver ervan, ene Johan de Belie, nog Nederlands heeft gekregen van Anton van Wilderode, die hij, « omwille van diens rijke commentaren nog steeds in het hart draagt ».
Dit in het hart dragen is nogal betrekkelijk, want kameraad de Belie haast zich eraan toe te voegen : « Politiek en filosofisch zal je mij geen goed woord horen spreken over de man die Protea-lid is, teksten spuugt over en voor de IJzerbedevaart en het ANZ. Je kan blijkbaar wel een goed dichter zijn en filosofisch op de dool ».
Ondanks de Gorbatjov-verruiming is het wel een beetje gek dat een communistische jongen als Johan de Belie aan Anton van Wilderode een « verkeerde » filosofie toeschrijft, omdat deze zich inzet voor zijn volk en voor een rechtvaardige behandeling — ook op het sociale vlak — van dit volk. Verdraagzaamheid en begrip — zelfs ten overstaan van een universele geest als Van Wilderode — blijven nog altijd vreemd aan het communisme, dat het nodig vindt oude spoken uit de kast te blijven halen. Wanneer het past natuurlijk. Want het was een afvaardiging van de communistische partij die, nog niet zo lang geleden, bloemen is gaan neerleggen aan dezelfde IJzertoren waarvoor Van Wilderode teksten spuugt. Is Johan de Belie dat vergeten ? De communistische kameraden die naar de IJzertoren togen waren toch niet filosofisch op de dool ? Of is hulde aan het IJzermonument alleen maar aanvaardbaar als ze van communistische zijde komt ?
Jan D’Haese

Monografieën
Fred de Swert in de reeks “Grote Ontmoetingen”
Willem Persoon bij uitgeverij De Vlijt
Lieven Rens (in 1983)
Rudolf van de Perre bij het Davidsfonds

Referenties
Vic De Donder, Kom eens naar mijn kamer, een halve eeuw collegeleven in Vlaanderen, Elsevier, 1986, p.44.
Jan D’Haese, Anton van Wilderode in De Rode Vaan, ’t Pallieterke, 14 januari 1988.
Jan Segers, “Het evangelie en de poëzie, daar is de kleine man gevoelig voor”, De Voorpost, 16 juni 1978.
Anton van Wilderode, De Overoever, Uitgeverij Orion-Colibrant, Beveren, 1981, 68 blz.

Werner Lyssens reageerde hier op 7 juli 2016 met: “Anton van Wilderode kwam dikwijls naar Temse om er een voordracht te geven. Dat gebeurde soms in Het Volk waar het Jong-Davidsfonds zich had gevestigd en er alle middelen ter beschikking had om zich te ontplooien. Zo werd ik redactieleider van de periodiek Harbalorifa waarin alle leden mochten in publiceren. Het gestencilde blad werd ook doorgenomen in de Dekenij door Z.E.H.Luystermans, die onze gemengde vereniging niet goed gezind was. Het J.D.-bestuur werd eens ontboden in de Dekenij, waar de parochie-vierschaar (pastoor-Deken en nog drie onderpastoors) ons de levieten las. Want wij waren blijkbaar te ver gegaan door in de Feestzaal van Het Volk haasje-over te doen, dat gezien werd door onze proost!
De Deken stelde ons voor de keuze: zijn parochiale verenigingen ofwel wij als J.D. Hij zou verslag uitbrengen bij de Bisschop. Ikzelf kreeg een flinke uitbrander, want ik had in mijn rubriek Hebt u ze alle vijf… gelezen? een boek aangeraden van prof.Max Wildiers Inleiding tot het denken van Teilhard de Chardin. Dat hoorde niet volgens de Deken: Wie met Chardin omgaat, gaat met de duivel om waren nog zijn laatste woorden toen hij ons buiten liet.
Het was dus oorlog, maar ik ging te rade bij de Voorzitter van de beheerraad van Het Volk, toevallig mijn vader, die ons geruststelde, want de parochiale noch de bisschoppelijke overheden hadden iets te zeggen over Het Volk dat van het A.C.W. was. Dus wij bleven !
En… Van Wilderode mocht gerust zijn voordracht geven over Humor in de Literatuur.
Z.E.H.Deken bleef ook met zijn aanhang. Later zou hij nog heel wat J.D. koppeltjes hun huwelijk mogen inzegenen.”

Onderstaande foto van het literaire debuut van Anton van Wilderode uit 1943 is van een andere oudleerling, Guido Hullebroeck, waarvoor dank.

20180905_131743

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.