Vrouwelijke cabaretartiesten zijn nooit dik bezaaid ge­weest. In het begin van deze eeuw was het nog minder voor de hand liggend dat vrouwen op de planken stonden. Het hield verband met morele overwegin­gen. Een vrouw op een podium riep, bij sommi­gen, het erotisch getinte beeld op van één of ander animeer­meisje in een donkere kroeg. Volgens de gangbare regels van het “goed fatsoen” betaamde het niet dat vrouwen een podium betraden. Het had dus voorname­lijk te maken met wat zich afspeelde in de hoofden van het geacht publiek. Fien de la Mar is in die tijd één van de weinige vrouwen die gewoon alle regels en opvat­tingen aan haar laars lapt en toch in het licht van de schijn­werpers treedt. En met succes!

Josephina Johanna de la Mar is een telg uit een geslacht van artiesten. Haar grootvader Karel van de Zee – die zijn naam omvormde tot Charles de la Mar – heeft redelijk wat succes gekend. Van hem komt de bedenking: “Het enige rechtvaardige in de kunst is: als je het niet hebt, dan kunnen ze het je niet geven en als je het wel hebt, dan kunnen ze het niet afnemen.”
Charles is een groot bewonderaar van de enige keizer die Frankrijk rijk was en noemt zijn zoon – Fiens vader – Napole­on. Deze laat zich op zijn beurt leiden door zijn bewondering voor Bonapar­tes vrouw, bij het kiezen van een naam voor dochterlief.
Fien zal opgroeien tot een zelfbewuste en talentrijke vrouw, een krachtdadig, vaak onhandelbaar persoon in het dagelijkse leven en een “monstre sacrée” in het theater waar ze haar tegen­spelers naast haar laat verbleken zodra ze het podium betreedt.
Haar ouders hebben nochtans een andere toekomst voor haar uitgestippeld. Ze hebben er alles voor over om haar als eerste lid van de familie te kunnen laten studeren.
Drie maanden voor ze haar eindexamen moet doen, houdt ze het op de HBS (hoger beroepsonder­wijs) echter voor bekeken en maakt de stap naar het theater. Ze zegt hierover: “Wat heb ik nou aan zo’n papiertje, overtuigde ik mijn ouders, als ik thuiskom ben ik het misschien al kwijt. Vader zag blijkbaar het logische van deze redenering in en ik verliet de school zonder einddi­ploma. Ik wist immers ook wel, dat ik later op de een of andere manier aan het toneel zou worden verbonden. Dat sprak vanzelf! Wat moest ik anders beginnen?”
Ze gaat werken met Louis Davids en speelt samen met haar ouders in de operette “Madorah” (1917). Vervol­gens maakt ze deel uit van het cabaret van Max van Gelder.
Fien is een artistieke duizendpoot die zich in verschillende projecten en genres thuisvoelt. Ze blinkt zowel uit in komi­sche als in dramatische dingen. Telkens ze met iets bezig is, heeft ze echter meer zin om wat anders te gaan doen.
In 1935 richt ze haar eigen cabaretgezelschap op. Daarnaast vindt ze de tijd om mee te spelen in de eerste Nederlandse geluidsfilms ‘De Jantjes’ en ‘Bleke Bet’. Een recensent schrijft over haar: “Haar optreden is zo vol temperament, zo levendig en kleurrijk, zo breed en gul en humoristisch, maar ook met zo’n diep tragisch accent en zo monumentaal van gebaar, dat zij heel het toneel vult met een magische voor­dracht.”
Haar wispelturigheid wordt stilaan legendarisch. Als ze begint met de repetities vindt ze haar rol meestal vervelend en lelijk. Bij de gezamenlijke besprekingen moet ze voortdurend om kleine zaken lachen zodat iedereen het gevoel heeft dat ze hen voor de gek houdt.
Ze is zo nonchalant dat ze dikwijls haar papieren op tram of bus verliest, maar toch blijkt ze steeds haar tekst zonder haperen te kennen.
Ook haar stemmingen wisselen van het ene op het andere moment. Dan maakt ze een lusteloze indruk om er plotseling weer zin in te krijgen en als eerste op de repetities te verschijnen.
Over een recensent die haar complimenteert voor de doorleef­de en doorvoelde manier waarop ze haar rol speelde, zegt ze: “Wat een malle vent. Ik heb maar zo’n beetje gek gedaan.”
In 1940 richt ze een gezelschap op met Martie Verdeni­us – die ook materiaal voor haar schrijft – en een jaar later trekken ze naar een eigen theater dat de naam krijgt van Fiens vader.
Fien etaleert een onmogelijke vedettementaliteit maar werkt inspirerend voor anderen. Aan discipline heeft ze een broertje dood. De drank die ze in grote hoeveelheden tot zich neemt maakt het er allemaal niet beter op. Het gebeurt dat ze vanuit de coulissen moet worden overeind gehouden terwijl ze zingt.
Een monoloog over het gebombardeerde Rotterdam stoot op verzet van de Duitse bezetters en wordt verboden. Nadat Fien aan een verhoor is onderworpen en ze haar verhaaltje heeft kunnen doen, mag de monoloog toch weer op het programma komen.
Vreemd genoeg zorgt een andere tekst, jaren later, voor meer weerstand.
De tekst is een onderdeel van het programma ‘Hoe hoort het eigenlijk?’ en wordt opgevoerd in het AVRO-radioprogramma ‘Bonte Dinsdag­avond­trein’. In deze parodistische kijk op de beide geslachten worden de klassieke rolpatronen omgedraaid. Fien draagt de “broek in huis” en commandeert – al pijpro­kend – haar man, wiens voornaamste bezigheid erin schijnt te bestaan haakwerkjes te vervaardigen.
De reacties blijven niet uit. De voorzitters van plaatselijke katholieke organisaties dreigen ermee niet meer naar de ‘Bonte Dinsdagavondtrein’ te zullen luisteren vanwege “de immorele strekking en de grievende humor ten aanzien van de heiligheid van het huwelijk”. Van de AVRO-directie komt het bericht dat in het vervolg dergelijke scènes “met een homoseksueel karak­ter” achterwege moeten blijven …
Ondertussen blijkt dat Fien niet veel kaas gegeten heeft van het leiden van een theater. Daarom neemt Wim Sonneveld de directeurstoel van de Nap de la Mar-schouwburg van haar over. Dat valt niet in goede aarde bij Fien. Ze voelt zich verkocht en is vol rancune.
Het betekent een keerpunt in haar leven. De zelfvernietigings­drang die altijd al een belangrijk deel van haar persoonlijk­heid uitmaakte, komt sterker tot uiting. Ze vlucht nog meer weg in de drank en frivole escapades.
Als vijf jaar later haar man overlijdt, gaat het met haar nog verder bergaf. Na een mislukte zelfmoordpoging, kan ze haar linkerarm niet meer gebruiken en wordt ze voor haar depressie­ve buien opgenomen in een inrichting voor geesteszieken.
Even vindt ze nog de kracht om aan het werk te gaan. Maar ze blijkt opgezadeld met een vernietigende vervolgingswaanzin die haar tot histerische razernij voert en die haar volkomen onhandelbaar maakt.
In een interview zegt ze: “Iedereen spant tegen mij samen. Niemand begrijpt mij. Waarom willen ze me niet? Ik wil gewoon weer het een en ander doen. (…) Het is een ellende als je vroeger jong en mooi bent geweest, als je succes hebt gehad en de wereld aan je voeten heeft gelegen. Er zijn mensen die mij schrijven: ‘Waar blijf je toch Fien de la Mar, we willen je weer op de televisie zien, kom terug, vroeger was je zo geweldig.’ Ja, vroeger, maar dat is jaren geleden. Het publiek dat mij toen bewonderde en op handen droeg is zelf ouder geworden. Men aanvaardt gewoon niet dat de jaren bij mij ook tellen.”
Op paasdag van 1965 springt ze uit het raam van haar flat. Als iemand haar in het ziekenhuis vraagt waarom ze het gedaan heeft, is haar antwoord: “Om alles.” Enkele dagen later sterft ze.
Fien de la Mar was een opvallende, markante persoonlijkheid. Ze stak met kop en schouders boven haar tegenspelers uit en bezat vele talenten, behalve dat om gelukkig te zijn. Op handen gedragen door haar publiek, was er in haar karakter nauwelijks plaats voor enig harmonisch evenwicht. Voor vele mensen blijft ze echter een volmaakt theaterta­lent.

Referentie
Jozef Raffo, Fien de la Mar, een voetnoot der geschiedenis, Switch december 1996

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.