Vandaag is het al 25 jaar geleden dat “Jurassic Park” van Steven Spielberg worldwide in de filmzalen was te zien. Het zorgde meteen voor een record aantal verkochte tickets. Ook nu nog staat de film ongetwijfeld in de top tien van de meest bezochte films. Het scenario voor “Jurassic Park” van Michael Crichton (1942-2008) was eigenlijk gebaseerd op het cliché van het opnieuw tot leven wekken van uitgestorven dieren. In de aloude Amerikaanse traditie waren filmdinosauriërs tot dan toe meestal te groot (“the biggest“) en bij de fysiologische fouten (die men, toegegeven, soms nog niet kon weten op dat moment) is het meest opvallende dat de staarten altijd slepen, terwijl men er nu van overtuigd is dat ze rechtop werden gehouden. Ik heb er niet op gelet of de dino in “Jurassic Park”, de eerste film die “realistisch” probeert te zijn, zijn staart in erectieve toestand paradeert, maar gezien de evoluties op het gebied van de moraal moet dit kunnen.

69 gertie the dinosaurAl heel vroeg was men in de film gefascineerd door dinosauriërs. De allereerste tekenfilm b.v. voerde meteen ook zo’n dier op als hoofdpersonage (“Gertie the Dinosaur” van Winsor McCay uit 1909). Dit was des te merkwaardiger, aangezien men pas sedert 1841 iets van het bestaan van dinosauriërs (“reuzehagedissen”, zoals ze toen nog werden genoemd) afwist.
Tot vóór de computer-revolutie van “Jurassic park” werd er dus vooral met animatietechnieken gewerkt. Dat was b.v. het geval bij de eerste speelfilm die aan dino’s was gewijd (en meteen ook de eerste time travel movie), “The ghost of slumber mountain” uit 1919, waarin regisseur Willis O’Brien via het stop motion procédé (zoals bij poppenfilms: men fotografeert een pop in diverse poses, die samengevoegd beweging suggereren) prehistorische dieren tot leven bracht. Het procédé werd zodanig verfijnd dat bij “The lost world” uit 1925 zelfs Harry Houdini dacht “levende” dinosauriërs te zien evolueren. Deze film – en eigenlijk àlle dergelijke films die dinosauriërs en mensen samenbrengen, wat wetenschappelijk gezien natuurlijk onmogelijk is (“Het is wetenschappelijk niet verantwoord,” zoals Adhemarke zou zeggen) – was gebaseerd op het gelijknamige kortverhaal van Arthur Conan Doyle. It was also the first in-flight movie, having been shown on a German Imperial Airways flight in a converted Handley-Page bomber from London, UK, to Paris, France, in April 1925. In 1960 draaide Irwin Allen een (minder geslaagde) remake van “The lost world”.
KING KONG
Voor “Creation” (1931), gebaseerd op “The land that time forgot” van Edgar Rice Burroughs (*), maakte Willis O’Brien weer gebruik van het stop motion procédé, maar de prijs liep te hoog op en de verfilming werd stopgezet. Merian Cooper was echter in de wolken over de special effects en kon de studio (RKO) overhalen dat hij samen met zijn maatje Ernest Schoedsack “King Kong” mocht draaien (Cooper en Schoedsack waren gevechtspiloten in de Eerste Wereldoorlog en als dusdanig treden zij ook op in hun eigen film bij de beschieting van King Kong). Ondanks het feit dat sommige scènes uiteindelijk toch ook nog op de vloer sneuvelden – b.v.inboorlingen die worden verslonden door een reusachtige spin, wat in de Filippijnse versie wel te zien is (**) – werd het een immens succes. De reuzegorilla zou in volle economische depressie 1,75 miljoen dollar opbrengen. Zelfs Hitler was dol op hem, al liet hij de scène waarin King Kong een treinstel voor mensen leeg schudt, censureren wegens “te gewelddadig”. En ik die dacht dat Hitler zelf duizenden treinstellen met mensen heeft “leeggeschud”…
“King Kong” werd dan ook gevolgd door het semi-humoristische “Son of Kong” van Ernest B.Schoedsack naar een scenario van een zekere Rose met Helen Mack in de rol van “de mooie Helena”, in het Nederlands inderdaad, want Kong’s Island ligt blijkbaar niet zo heel ver van Indonesië, toen nog een Nederlandse kolonie. En verder was er natuurlijk opnieuw Robert Armstrong als Carl Denham, naast Victor Wong als de Chinese kok en John Marston als de “slechte”. Impresario Carl Denham wordt zwaar op de korrel genomen na de ravage die King Kong in New York aanrichtte. Om aan zijn talrijke schuldeisers te ontkomen, vlucht hij met het schip van de kapitein die hem naar Kong’s Island heeft gebracht. In Indonesië ontmoeten ze de man die hem destijds de kaart van dat eiland aan de hand heeft gedaan. Omdat hij nu gezocht wordt door de Nederlandse regering (hij heeft zijn schip laten zinken voor de verzekeringspremie en hij heeft in een dronken bui de vader van een zangeresje vermoord), verzint hij dat er op dat eiland een schat ligt, zodat het schip opnieuw daarheen koers zet. Tijdens de overtocht blijkt het meisje ook aan boord te zijn geslopen. Bang dat zijn leugen over de schat zou uitkomen, roept “de slechte” de manschappen op te muiten, met als argument het aantal matrozen dat de vorige keer is omgekomen.
Bij die muiterij worden er een paar allusies gemaakt op het communisme (de Potemkin?!?), vooral wanneer “de slechte” onmiddellijk begint te commanderen als de anderen overboord zijn gezet, zodat hij er achteraan wordt gegooid (“Do you think we would trade a good captain for a bad captain?”). Op het eiland worden ze door de inboorlingen verjaagd, zodat ze op een onherbergzame kust aan land moeten gaan. Daar worden ze uiteraard belaagd door allerlei voorhistorische dieren, maar gelukkig was er ook een kleine Kong (die dan meteen maar “de zoon van” wordt gedoopt, want zo is er maar één, nietwaar?), die ze uit drijfzand hebben gered en die uit dankbaarheid alle klusjes voor hen opknapt. Zo ook o.a. een muur omver duwen, waarachter zowaar toch een schat blijkt te liggen. Maar op dat moment is “de slechte” al verorberd door een zeemonster, zodat hij helaas niet in de opbrengst kan delen. Ook “de helden” kunnen maar weinig genieten van hun welstand, want het eiland zinkt in de zee. Wie het laatst kan stand houden, is natuurlijk “de zoon van Kong”, die in zijn hand, als het vrijheidstandbeeld, Denham vasthoudt, tot zijn makkers hem met een bootje uit zijn netelige positie kunnen bevrijden. En dergelijke onzin dus. Bovendien wordt er dus ook wat “humor” ingebracht, zodat men zich kan afvragen of deze productie van Merian Cooper soms een parodie is op zijn eigen film?
Ondertussen trachtte ook Ernest B.Schoedsack met “Mighty Joe Young” het succes van “King Kong” nogmaals over te doen. Ook hij deed opnieuw een beroep op Robert Armstrong. Maar de hoofdactrice is nu Terry Moore. Als Jill Young speelt ze een meisje dat opgroeide in Afrika en daar een baby-gorilla ten geschenke kreeg. Jaren later is ze de enige die nog iets te zeggen heeft aan de reuzenaap. Er was een oscar weggelegd voor de special effects.
Van hetzelfde allooi is “Man and his mate” (1940) van Hal Roach sr & jr. Een paar toeristen schuilen voor een onweer in een grot, waar een zonderling hen het verhaal vertelt van de tekeningen die er door bewoners uit het Stenen Tijdperk (al leven er blijkbaar nog wel dinosaurussen!) zijn gemaakt. Tumak werd uit zijn hardvochtige stam (The Rock People) gestoten en komt door toevallige omstandigheden bij The Shell People (omdat ze uit schalen eten) terecht, waar hij verliefd wordt op Loana (“Hij is me tot hier gevolgd, papa. Mag ik hem houden?”). Zo hardvochtig als The Rock People worden voorgesteld (aangezien we 1940 schrijven, stonden Hitler en zijn Bloeddorstige Hunnen hiervoor misschien wel model?), zo overdreven lieflijk zijn The Shell People, die blijkbaar op hun eentje, de beschaving, het christendom en de hippies (avant la lettre) hebben uitgevonden.
Waarom zij in een soort van aards paradijs wonen en The Rock People niet, alhoewel ze binnen loopafstand van elkaar wonen is ook een raadsel. Alleszins vallen de plastieken appels zo van de bomen en heeft Loana een mooie “permanent” en een kleedje dat juist voldoende bedekt om de Hays Code te omzeilen en juist genoeg laat zien om (even later) de soldaten aan het front wat (ont-?)spanning te kunnen brengen. Volgens de man in “Humo” doet Victor Mature het “uitstekend”, zelf vond ik hem eerder lachwekkend. Vooral als hij het lachen ontdekt. Want dat hadden ze bij The Rock People nog niet uitgevonden.
Het gekke is dat ze ook het spreken nog niet echt hebben ontdekt. Nu kan ik me best voorstellen dat het nog wat vroeg is om in Shakespeariaanse verzen te spreken, maar dat ze voor het grootste deel “stommen ambacht” spelen, gaat mijn petje toch te boven! Zeker als voor voordehandliggende begrippen als “papa” en “mama” zeer ingewikkelde namen worden gebruikt (iets in de zin van “Picasso” en “Mamoesjka”).
Ook de dinosaurussen zijn volgens onze zegsman van betere kwaliteit dan normaal in die tijd. Alweer heeft hij zitten slapen, want wat wel goed wordt toegepast, is de techniek van het uitvergroten van heel normale dieren tot ontzaglijke monsters. Bij de “vulkaanuitbarsting” wordt er overigens met die dieren nogal gesold. Dat mocht toen nog van de dierenbescherming blijkbaar, Michel Van Den Bosch moest immers nog geboren worden. Als men dat niet doet, als men dus wel op imitatie terugvalt, dan komt men weer in de categorie lachen-gieren-brullen terecht. Zo zijn de mammoeten olifanten met een stofjas aan (en met een paar valse tanden) en wordt een dinosaurus op een bepaald moment zowaar door een acteur met een carnavalspak gespeeld!
Ook stappen ze geregeld op de loopband in de studio door decoratieve mistwolken, terwijl het decor aan hen voorbijschuift. En de film eindigt zowaar met een “singalong”, want de “slechten” worden natuurlijk bekeerd. De beschaving wordt hen zowaar op enkele minuten tijd bijgebracht en wat nog straffer is: nog dezelfde dag groeien er ook hier plastieken appels aan de bomen en vindt men ter plekke de “peekes” (worteltjes) uit! Tussen haakjes: het veelvuldig voorkomen van vulkaanuitbarstingen in dergelijke films staat ongetwijfeld symbool voor een lang opgespaard orgasme dat tot ontlading komt. Denk ook aan: “Dante’s Peak”: de naam alleen al!
MAATSCHAPPIJKRITIEK
Zelfs Walt Disney laat op de tonen van “Le sacre du printemps” de brontosaurussen uitgeroeid worden door de tyrannosaurus rex in “Fantasia” (1940). Stravinsky was woedend. Toch was dit stukken beter dan “The land before time” dat in 1988 door ex-Disney-tekenaar Don Bluth werd afgeleverd. Geef ons dan nog maar liever “The Missing Link” van onze eigen Picha, of nog liever… “The Flintstones”!
Na de Tweede Wereldoorlog krijgt men een ander soort dinosauriërfilms. Men zag in dat de atoombom in staat was om de hele mensensoort uit te roeien en onwillekeurig legde men het verband met het verdwijnen van de vroegere heren der schepping. Zo kwam men tot films waarin dinosauriërs onder invloed van atoomproeven weer tot leven werden gewekt.
Eerst was er Hydra in “Reptilious”, kort daarna “The beast from 20.000 fathoms” van Eugene Lourie (1953). Ook al is de rhedosaurus die uit het ijs vrijgekomen tengevolge van de grote hitte-ontwikkeling na een atoomproef in het Noordpoolgebied alleen maar klein te krijgen met een radioactieve granaat. Het dochtertje van Lourie was zo ontsteld over de dood van het blijkbaar toch wel lieve “monster” dat haar vader op haar aangeven in 1961 “Gorgo” draaide, waarin Londen wordt verwoest door een moeder-monster dat haar gevangen kleintje komt bevrijden. Alhoewel “Gorgo” met mannen in dinopakken zeker geen meesterwerk is, mag men het toch niet verwarren met “The mighty Gorga” van David L.Hewitt uit 1969, die de grenzen van de goede smaak alweer een eind verlegt.
In datzelfde “année érotique” wordt ook “One million AC/DC” gedraaid, een pornofilm volgens het gekende procédé: neem een bekende film als aanleiding voor allerlei hoog- (of laag-)standjes. Van hetzelfde slag (maar dan wel geestiger) is “A nymphoid barbarian in dinosaur hell” van de Troma-fabriek van Lloyd Kaufmann uit 1991. Ook grappig (maar dan onbedoeld) is “Monstroid” uit 1978. Hier maken we kennis met de eerste dinosaurus uit de geschiedenis die is uitgerust met een snor. Of dit te wijten is aan de pollutieramp in Zuid-Amerika die aan de oorsprong ligt van de film is niet helemaal duidelijk.
GODZILLA
“The beast from 20.000 fathoms” was ook de rechtstreekse aanleiding om een jaar later de onnavolgbare “Godzilla” van Tomoyuki Tanaka (1911-1997) te draaien. Japan was immers bezet door de V.S. en er werd een strenge censuur uitgeoefend op de filmproductie. Door deze waarschuwing tegen het gebruik van de atoombom kon Tanaka dus ook kritiek uitbrengen op de bezetter zonder dat deze zich rechtstreeks geviseerd voelde. Integendeel zelfs, er werd meteen ook een Amerikaanse versie gedraaid, die uit de oorspronkelijke footage bestond, met enkele shots met Amerikaanse acteurs (aangevoerd door Raymond “Ironside” Burr) ertussen gestoken.
De impliciete kritiek was misschien ook de oorzaak van het onmiddellijke enorme succes in Japan, dat ervoor zorgde dat Godzilla steeds in andere films moest opdraven, meestal om andere monsters te bestrijden. Zo neemt hij het op tegen de vliegende schildpad Gamera (1965), het vuurmonster Gigantis (1968), de robot Mechagodzilla (1975), de reuzenmot Mothra (1979) en de driekoppige draak King Ghidorah (1985).
In “Hedorah, the smog monster” (1972) gaat hij zelfs een gedrocht te lijf dat eruitziet als een kruising tussen een inktvis, een kwal en een berg zeewier en dat dus heel terecht een bedreiging vormt voor het milieu! Onder invloed van de stralingen kan Godzilla op het einde van de film zelfs vliegen, via een soort van straalmotor, die zijn aars als uitlaat gebruikt. In de jaren zestig draait Inoshiro Honda samen met Thomas Montgomery zelfs “King Kong versus Godzilla”. Dit is meteen het culminatiepunt voor de “ernstige” Godzilla-films, voor zover men deze films sowieso “ernstig” kan noemen.
Ondertussen was er echter ook al een televisieserie, die zich tot steeds jongere kijkers ging richten. Uiteindelijk werden de Godzilla-films zelfs komische kinderfilms. De originele makers (de Toho-filmstudio’s) konden het niet langer aanzien en na 21 films lieten ze Godzilla in “Godzilla tegen Destroyer” in 1995 omkomen. Godzilla was toen immers zelf een atoombom geworden die moest vernietigd worden, zonder dat de aarde daar al te veel nadeel van ondervond. Dat klusje werd dus geklaard door Destroyer, een monster samengesteld uit “gefuseerde oceaanmicroben”. Godzilla heet in het Japans overigens eigenlijk Gojira, een samentrekking van “gorira” (gorilla) en “kujira” (walvis).
Een ander verschijnsel is dat niet enkel dinosauriërs door kernstraling opnieuw tot leven komen, ook insecten muteren en komen in een reusachtige vorm de mensheid parten spelen: “Them!” (Gordon Douglas, 1953), “It came from beneath the sea” (“it” is een octopus), “Attack of the giant leeches” (bloedzuigers, jawel), “Monster from green hell” (wespen), “Attack of the crab monsters” (met sprekende krabben) en “Tarantula” (it takes Clint Eastwood to take care of this one).
Niet te verwonderen dat met het fin de siècle in zicht er een revival kwam op het eind van de jaren negentig, uiteraard in de eerste plaats met een Hollywood-remake van “Godzilla” (door Roland Emmerich in 1998), maar ook met “Starship troopers” (Paul Verhoeven over SF-mieren), “Instinct” (Ron Kasdan over killer bugs), “Mimic” (van Guillermo Del Toro over kakkerlakken) en “Dust” (van Charles Pellegrino, waar de uitroeiing van insecten – nochtans een droom van velen – meteen ook het einde van de wereld betekent).
De recentste (voor zover mij bekend uiteraard) in het genre is “The lost future” van Mikael Salomon uit 2010. Meteen ook de grootste tegenvaller. In mijn televisiegids werden mij “reusachtige, gemuteerde beesten” beloofd, maar die heb ik alvast niet gezien. Akkoord, ik heb het begin van de film gemist, maar als ze enkel dààrin voorkwamen, moet men op z’n minst van een slecht uitgebalanceerde film spreken. Wat ik wel te zien kreeg, waren gemuteerde (en muterende) mensen, die niet echt griezelig en ook weer niet echt lachwekkend waren, zodat ik ook op dat vlak op mijn honger bleef zitten. Wat wél grappig was, dat was dat om dat muteren tegen te gaan, de mensen een geel poeder moesten snuiven. Een wit poeder, dat durfden de makers niet echt aan, maar voor de rest wordt hier gesnoven dat het een lieve lust is. Overigens uit een soort van peperbus die wel onuitputtelijk lijkt te zijn, want, alhoewel de plot juist gaat over het feit dat die peperbus toch ooit wel eens leeg zal zijn, toch wordt er kwistig mee omgesprongen ook al moet een hele volksstam ervan snuiven.
UNDERGROUND
Vroeger had men al gefantaseerd dat er onder het aardoppervlak nog prehistorisch leven mogelijk was. Zo b.v. in “Voyage au centre de la terre” (1864) van Jules Verne. Dit laatste boek wordt geparafraseerd in “Unknown world” van Terrell O’Morse uit 1951, een film “met de beste bedoelingen” (hij wil wijzen op de gevaren voor een kernoorlog) maar die door de stuntelige uitwerking nogal komisch overkomt. Op zoek naar een schuilplaats “voor het geval dat” boren een stel wetenschappers o.l.v. Dr.Jeremiah Morley (Victor Kilian) zich met een mechanische mol, de Cyclotram, door een vulkaan een weg naar de aardkern. Of deze Cyclotram ook de uitvinding van Prof.Barabas heeft geïnspireerd kunnen alleen echte Suske & Wiske-kenners afleiden uit de datum waarin dit tuig voor het eerst in de albums verscheen…
De saaiheid van “Unknown world” staat in sterk contrast met het overdreven hectische gedoe van “Secrets of the Phantom Caverns” van Don Sharp uit 1985. Robert Powell, Timothy Bottoms, Lisa Blount en Richard Johnson zijn hierin archeologen die in dienst van het Amerikaanse leger in het Zuid-Amerikaanse oerwoud een mysterieuze grot ontdekken en meteen een groep albino’s over zich heen krijgen.
“Gewone” dinofilms werden uiteraard ook nog steeds geproduceerd. Alhoewel “gewoon”? Zo brengt Edward Nassour in 1953 in “The beast of hollow mountain” een kruising van een dinofilm en een western: een veehouder in Mexico wordt gedwongen de mythe over een bergmonster te onderzoeken, wanneer hij in een moeras onder de zogenaamde verblijfplaats van het monster een aantal dode dieren vindt. “The valley of Gwangi” uit 1969 brengt eveneens een combinatie met een western. Cowboys vangen hier immers een dino die ze nadien ten toon stellen in een reizend circus. Hé, zeg je ongetwijfeld, dat verhaal klinkt me bekend in de oren. En inderdaad, het is gebaseerd op een scenario van Willis “King Kong” O’Brien, die echter (gelukkig) overleed vooraleer hij de afgang van dit onding moest meemaken.
01 Ad Hoeymans in Godot is gekomenDaarnaast was er de fameuze 1967 Hammer film Prehistoric Women, one of the most bizarre films ever released by Hammer, apart from the hallucinating Women of the Prehistoric Planet (see illustration). Also known as Slave Girls, it was produced using sets and costumes left over from the film One Million Years B.C. (1966), which had starred Raquel Welch and featured Martine Beswick, who’s also the leading role in this picture. David Marchant (played by Michael Latimer) is pursuing a leopard on an African safari when he is captured by a primitive tribe. They accuse him of disturbing the spirit of the white rhinoceros, and take him to their leader’s temple. He is about to be killed for his trespassing when a flash of lightning opens a giant crack in the cave wall. Latimer escapes into a lush paradise, and encounters a fair-haired beauty called Saria, played by Edina Ronay. She is a member of a tribe of blonde women who are enslaved by their cruel mistresses, dark-haired warriors led by the beautiful Queen Kari (Beswick). The Queen chooses Latimer as her mate, but he is appalled by her cruelty and spurns her advances. Further films by Hammer which traded heavily on the appeal of scantily clad cave girls were When Dinosaurs Ruled the Earth (1970) and Creatures the World Forgot (1971).
“When dinosaurs ruled the earth” uit 1970 (met Playmate Victoria Vetri) werd eveneens een camp-klassieker omdat er slechts 27 woorden dialoog in voorkomen en dan nog in een soort van “neander-taal”. Naast de dinosaurussen trekken vooral de neandervrouwtjes de aandacht omdat zij sexy bikini’s dragen. Het prototype daarvan is uiteraard Raquel Welch in “One million B.C.”, een remake uit 1966 van de gelijknamige film uit 1940, die ook met veel barnumreclame was aangekondigd, maar die volledig de mist inging, omdat het toch goed functionerende stop motion-procédé werd verlaten ten voordele van close-ups van hagedissen (later nochtans goed aangewend in “Journey to the center of the earth” in 1959) en vooral van stuntmannen in Michelin-pakken. Het meest merkwaardige is nog dat deze film werd geregisseerd door twee groten uit de filmgeschiedenis, die hier allebei echter zo beschaamd waren dat ze de eindverantwoordelijkheid niet op zich durfden nemen. “One million B.C.” was begonnen door D.W.Griffith, die echter toen al zo onder de alcohol zat dat producer Hal Roach (vooral bekend van Laurel & Hardy-films) het roer overnam. Maar het resultaat was inderdaad eerder slapstick, al is de hoofdvogel, met name olifanten met een bontjas (mammoeten!), nog toe te schrijven aan Griffith. Diezelfde opzichtige knoeierij met nog bestaande dieren helpt ook “Valley of the dragons” uit 1961 om zeep, al is het gegeven (twee ruimtevaarders die verzeild raken op een planeet dat eigenlijk een voorhistorisch stuk aarde is) meer waard.
Hetzelfde euvel van de michelinmannetjes doet ook de eerste dinofilm in kleur kapseizen, namelijk “Unknown island” uit 1948. Gelijkaardige films waren “Two lost worlds” uit 1950 (schipbreukelingen stranden pas helemaal op het laatst op een niet in kaart gebracht eiland, maar tegen dat het zover is ligt het publiek al in een diepe slaap) en “The lost continent” met Cesar Romero uit 1951. De footage van deze laatste film was zo indrukwekkend dat regisseur Phil Tucker vond dat er toch nog meer uit te halen was. Hij verzon voor “Robot monster” in 1953 dan ook een invasie van een soort van ruimtegorilla’s, die gebruik maken van dinosaurussen (niet gebruikte footage van de twee voornoemde films) om de aarde te veroveren.
De Britse film “The lost continent” uit 1968 daarentegen is geen remake, maar een verfilming van “Uncharted seas” van Dennis Wheatley. Toch verdient deze typische B-film – inclusief wat onhandige erotiek – een vermelding omdat de tegenstander hier grotesk wier is dat op het water drijft en mensen verslindt. Om eraan te ontkomen moet men zich met “grote ballonnen” drijvende houden.
ROGER CORMAN
En dan is er ook nog “The creature from the haunted sea” van Roger Corman met Betsy Jones-Moreland en Anthony Carbone. De B-films van Roger Corman hebben een reputatie verworven omdat hij op die manier jonge regisseurs als Francis Ford Coppola of Peter Bogdanovich kansen heeft gegeven, maar dit is toch wel een échte B-film, zelfs tamelijk amateuristisch gefilmd. Zo slecht dat ik eigenlijk niet weet wat de titel betekent. Is het dan toch een griezelfilm? Het zag er zo niet uit. Het begon als een spionagefilm (tegen het Cubaanse regime dat pas de macht had veroverd), maar daarna komt er een soort van Pink Panther-generiek, waarin de nadruk op de humor ligt. Blijkbaar wist Corman niet welke richting hij met deze film wou uitgaan.
Dat geldt ook voor het hilarische “Teenage caveman” uit 1958, dat zich lijkt af te spelen in de prehistorie (met de gekende “vergissing” dat er nog dinosaurussen en zo leven, naast gewone jachthonden overigens), maar na verloop van tijd blijkt de film zich juist in de toekomst af te spelen, als “the monster that kills with its touch” een 20ste eeuwer in een raar soort camouflagepak blijkt te zijn, die de Bom weliswaar heeft overleefd, maar die door zijn radioactieve straling “kills with his touch”. Het hilarische zit ‘em in het feit (naast uiteraard het basisgegeven dat de mensheid dus nog binnen een mensenleven al opnieuw in de oertijd was terechtgekomen; de prehistorische “monsters” blijken trouwens gemuteerden te zijn!) dat de hoofdrol wordt vertolkt door Robert (Napoleon Solo) Vaughn, die geheel overeenkomstig de tijd “a teenage rebel” zou moeten spelen, maar gezien zijn “als ons haar maar goed ligt”-houding is dat nogal lachwekkend. Komt daarbij nog dat hij een beschaafd soort Amerikaans spreekt, zij het met een beperkte woordenschat, dit in tegenstelling tot het echt komisch bedoelde “Caveman” (1981) van Carl Gottlieb, waarin Ringo Starr jaren vóór Dudley Moore en Bo Derek het reeds met zijn latere vrouw Barbara Bach doet op muziek van Ravels Boléro. Het is overigens ook een van de eerste films van Dennis Quaid.
EEN VERLOREN GELOPEN EXEMPLAAR
Een al even hardnekkig cliché is de veronderstelling dat er ergens nog wel een exemplaar is verloren gelopen. Een plesiosaurus in Loch Ness b.v. of een brontosaurus in de binnenlanden van Kongo (cfr. de Disneyfilm “Baby” uit 1985).
Een soort van plesiosaurus duikt overigens ook op (ik wik mijn woorden) in “Viking women and the sea serpent” van eveneens van Roger Corman uit 1957 met Abby Dalton, Susan Cabot en Brad Jackson. De titel is wel misleidend, want de Vortex (zoals hij in de film heet) dient alleen maar om de Vikingvrouwen die op zoek zijn naar hun mannen te doen kapseizen en ze ergens te laten belanden, waar overigens ook hun mannen zijn. Waar dat precies is, wordt niet gezegd. Een paar referenties van kledij wijzen in de richting van Mongolië, maar bij de terugtocht blijkt dat Scandinavië binnen roeiafstand ligt! Gelukkig spreekt men er ook Engels. Bovendien is het in dat “Mongolië” zo warm dat men er met bloot bovenlijf loopt. Maar dat zou nog kunnen, want volgens Roger Corman was er op aarde in de tijd van de Vikingen een hittegolf. Ook in Scandinavië loopt men er immers schaars gekleed bij. Of zoals de BBC-omroepster zei: “Let’s go back to the times of short skirts and eye-liner.”
Als troost voor alle domme blondjes-moppen wordt hier ook weer het Hollywoodiaanse oercliché van de goede blonde en de slechte zwartharige opgevoerd, al dient natuurlijk te worden toegegeven dat binnen een Viking-context een zwartharig meisje inderdaad een speling van de natuur is (“she gives me the creeps,” zoals haar blonde rivale zegt). De film is ook minder een “vrouwenfilm” dan de titel aangeeft, want (ook al aangezien hij erg kort is, ongeveer een uur) de vrouwen vinden niet alleen erg vlug hun mannen terug (die dan de heldenrol kunnen overnemen), maar ook aan boord was er reeds een verstekeling die dan van die opmerkingen maakt zoals: “Somebody has to protect you women, it’s ridiculous not to have a man on a dangerous voyage.”
Anderzijds hebben de Hollywood-starlets die de woeste Vikingvrouwen moeten uitbeelden wel problemen met hun rol. Zo moeten zij b.v. de speer hanteren, maar de meeste weten nauwelijks hoe ze die moeten vastnemen. Ze zouden immers hun lange nagels wel eens kunnen breken!
Maar alles bij elkaar is dit toch één van de betere B-films die ik heb gezien, al was het maar om het (voorzichtige) orgietje met bijhorend wild dansnummer. Ook het gretige gebruik dat wordt gemaakt van zweepjes allerhande (die overigens geen enkele striem achterlaten) zullen liefhebbers van het genre wel kunnen “boeien”…
Een “vriendelijk” monster is natuurlijk de yeti of de verschrikkelijke sneeuwman. In “The Shriek of the Mutilated” (1974) wordt hij wel angstaanjagend voorgesteld, maar daar is hij eigenlijk het alterego van de leraar die met zijn studenten op zoek gaat naar de yeti en niet zozeer het “monster” zelf. Hoe goedaardig dat monster wel is, komt veeleer tot uiting in films als “Bigfoot and the Hendersons” (1987).

Ronny De Schepper

(*) Onder dezelfde titel als het boek werd dit verhaal nogmaals verfilmd in Engeland door Kevin Connor in 1975.
(**) Dat is iets wat ik me altijd al had afgevraagd in dit soort films. We zien daarin immers reusachtige apen, reusachtige dinosauriërs of reusachtige weet ik veel wat, maar bestonden er in die tijd geen insecten, was mijn vraag. In 2005 waren er echter genoeg te zien in de derde remake van de King Kong-film, deze keer door Peter “Lord of the Rings” Jackson (met Naomi Watts in de rol van Ann Darrow). Deze film, gedraaid na de “Jurassic Park”-innovaties, is overigens werkelijk schitterend wat de dierentrucages betreft. De knapste scène op dat vlak is er zelfs gratuit aan toegevoegd, want heeft niks met King Kong te maken, namelijk een kudde brontosaurussen die door velociraptors worden opgejaagd. Verder is er ook een heel poëtische scène met King Kong en Ann op het bevroren meer van Central Park, die zowaar een beetje aan de legendarische scène van Bambi met Stampertje deed denken! Voor de volledigheid: in 1976 was er reeds een remake van “King Kong” geweest door John Guillermin, met Jessica Lange in de vrouwelijke hoofdrol. Hierin moet Kong slechts één (1!) dier bevechten: een reuzeslang. En dan zie je er nog niks van omdat bijna de hele film in het donker is opgenomen, wellicht om de special effects die nog niet helemaal op punt stonden te verdoezelen. Maar wat nog straffer is: op een bepaald moment is er een “upskirt shot” van Kong en dan blijkt hij helemaal geen geslacht te hebben. Nu is dat heikele punt in de andere edities ook zedig uit de weg gegaan, maar daar waren ze toch zo slim om er dan geen camera-standpunt in te lassen, waarbij men wel iets zou moeten zien…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.