Vandaag wordt de Zuid-Afrikaanse rockzanger Johnny Clegg 65 jaar. In de tijd dat ik op De Rode Vaan werkte, kreeg ik door zijn platenfirma eens een bandje met een interview toegespeeld dat ik dan zelf naar believen mocht uitschrijven en bewerken.

Reeds meer dan dertig jaar brengt de Zuid-Afrikaanse zanger Johnny Clegg rassengelijkheid in de praktijk. Is hijzelf blank dan bestaat zijn groep Savuka immers uit vier zwarten en twee blanken. Maar in feite verenigt hij in zichzelf nog méér het ideaal van rassenintegratie: al van kindsbeen af was hij immers meer geïnteresseerd in de zoeloe-cultuur dan in die van zijn eigen omgeving. Niet ten onrechte wordt hij dan ook vaak “de witte zoeloe” genoemd en op de scène is het meest aantrekkelijke onderdeel zeker de zoeloedans die hij samen met Mntowaziyo “Dudu” Zulu uitvoert.
Geboren in 1953 in Rochdale nabij Manchester, in Engeland dus, gaan zijn ouders reeds twee jaar later uit elkaar. Zijn moeder, een jazz-zangeres, emigreert naar Zimbabwe, maar komt uiteindelijk via Zambia in Zuid-Afrika terecht. Daar hertrouwt ze met een journalist die gefascineerd is door de Afrikaanse cultuur en vooral de “kwela”-muziek. Op die manier leert de dertienjarige Johnny in Johannesburg Charlie kennen, eigenlijk Mntonanazo Mzila, een straatveger die hem leert gitaar spelen op de zoeloe-manier en hem ook de eerste gevechtsdansen aanleert.
Johnny leert de zoeloe-taal en spreekt ze liever dan het Engels. Als volwassene begint hij ook een cursus antropologie te volgen aan de universiteit van Witwatersrand. Op een bepaald moment brengt hij het zelfs tot assistent en het is niet helemaal duidelijk of hij zijn doctoraatsthesis over het symbolisme en de gebarentaal van de zoeloedansen uiteindelijk ook heeft voltooid.
Want tegelijkertijd is hij dus ook op het muzikale front actief. In 1976 richt hij tesamen met Sipho Mchunu de groep Juluka op, de eerste in de geschiedenis van Zuid-Afrika met een gemengde bezetting. Op tien jaar tijd nemen ze zeven elpees op, twee daarvan behalen een platina-status, de vijf overige zijn nog goed voor goud.
Op dat moment is Johnny Clegg in Zuid-Afrika een soort van superster à la Bruce Springsteen en dat ondanks pogingen om het draaien van zijn platen op de radio te verhinderen en ondanks razzia’s van leger en politie tijdens zijn optredens.
Anderzijds draagt Clegg er wel zorg voor dat zijn platen niet officieel kunnen worden geboycot. Zo gebruikt hij bijvoorbeeld meestal metaforen. In het nummer “Asimbonanga”, opgedragen aan Nelson Mandela, gebeurde dat echter blijkbaar onvoldoende, want dit nummer werd wel degelijk verboden bij het uitbrengen ervan.
Wat het leven in zo’n gemengde groep dan gemakkelijk in het toenmalige Zuid-Afrika? Uiteraard niet. Op hun tournees mochten de groepsleden niet in dezelfde treinwagon zitten, noch in dezelfde hotels overnachten of in dezelfde restaurants eten. In 1985 had Sipho Mchunu er dan ook genoeg van en trok zich terug op een boerderij in zoeloeland.
Van dan af begint Johnny Clegg aan een solocarrière met een half nieuwe groep, Savuka, als begeleiders. Nadat hij hiermee in 1988 twee elpees had uitgebracht (“Third world child” en “Shadow Man”), hadden we een gesprek met hem. We vroegen hem in hoeverre Savuka verschilt van Juluka.
Johnny Clegg: Het aandeel van andere, meer noordelijke, Afrikaanse muziek is gestegen. Muziek uit Malawi, Zimbabwe en Zaïre bijvoorbeeld. Van nu af kunnen we onze muziek eerder “Pan-Afrikaans” dan “Zuid-Afrikaans” noemen. Op tekstueel gebied wagen we ons ook weer een stapje verder. Dat wil niet zeggen dat we in de tijd van Juluka geen politieke standpunten innamen. Zo hebben we ons altijd uitgesproken tegen het uitroepen van de noodtoestand en het verscherpen van de veiligheidsmaatregelen. Als Zuid-Afrikaans artiest was je wel verplicht een standpunt in te nemen.
– Hebben jullie zelf veel te lijden gehad van overheidswege?
Johnny Clegg:
In de allervroegste periode heel veel, ja, maar het eigenaardige is dat we dat helemaal niet zo aanvoelden. Toen ik als vijftienjarige op school zat en Sipho, die toen zestien was, als hovenier werkte, kregen we vreselijk veel tegenkanting. Maar we lieten dit niet aan ons hart komen. We vroegen ons gewoon af: er moet toch een manier zijn om dit te omzeilen? Dus gingen we op zoek naar de mazen van het net, de mankementen van het systeem. En die vonden we ook en zo konden we toch samen zijn. Eigenlijk was het meer een soort van uitdaging. Vaak werd ik gearresteerd als ik hem thuis ging opzoeken, omdat ik dan op zwart terrein was zonder gouvernementele toelating. Dat gaf dus wel problemen, maar eigenlijk was het slechts later dat we het op onze heupen kregen. En van dan af raakten we meer gepolitiseerd. ’t Was niet meer louter een grapje om uit de handen van de flikken te blijven. Vanaf 1976, je weet wel: de opstand in Soweto, veranderde alles totaal. Er werd veel gediscussieerd en de jongeren geraakten geïnteresseerd in cruciale punten. Dat heeft trouwens ook de wijziging van onze muzikale stijl voor gevolg gehad. Eigenlijk hadden we onszelf een beetje ingekapseld door op een haast chauvinistische wijze alleen maar zoeloe-muziek te willen spelen. Onze vrienden, maar ook progressieve intellectuelen en andere militanten raadden ons aan een groter publiek aan te spreken opdat ze zouden verstaan wat we aan het doen waren. Er was immers een nieuwe, alternatieve cultuur ontstaan die juist een erg belangrijke rol speelde in de strijd tegen de apartheid. Vooral het uitroepen van de noodtoestand had nogal wat energie vrijgemaakt die zich uitte in de muziek, in de plastische kunsten, in de literatuur, in het theater. Er is niet langer meer louter de tegenstelling tussen blank en zwart, ook tussen blanken en zwarten onderling zijn er politieke twisten. Dat is een heel nieuw politiek gegeven en in dit spectrum heeft die culturele beweging een heel belangrijke rol te spelen. De politieke strijd wordt er in duidelijke termen gesteld en er wordt zelfs richting aan gegeven door deze jonge artiesten. Van dan af begon ik dan ook in het Engels te schrijven en rock-elementen aan onze muziek toe te voegen.
– Het feit dat je meer openlijke politieke standpunten ging innemen in je muziek, betekent dit dat je jezelf een protestzanger zou noemen?
Johnny Clegg:
Zo zie ik het zelf zeker niet. Ik ben ook geen politiek activist, dat is immers een fulltime job. Ik leef me op de eerste plaats nog altijd uit in mijn muziek. Muziek is de expressievorm waarin ik me het meest thuisvoel. Eigenlijk is mijn muziek alleen maar politiek geladen omdat ik nu eenmaal in zeer gepolitiseerde omstandigheden moet leven. Ik ben ook niet van plan daar mijn hele leven mee door te gaan. Ik ben gewoon eerlijk voor mezelf. Eerlijk ten opzichte van wat ik zie, van wat ik voel. En dat wil ik overbrengen naar andere mensen.
– Is er dan niets waarmee je wil geassocieerd worden, tenzij dan dat je een Zuid-Afrikaan bent?
Johnny Clegg:
Ik ben zeer sterk antiracistisch en in dat opzicht is wat hier in Zuid-Afrika aan bod komt natuurlijk ook op de hele wereld van toepassing, ook al is het vaak veel subtieler aanwezig. Maar in de strijd tegen het racisme wil ik mij altijd inzetten, jawel. Toch beschouw ik dat niet als mijn eerste opdracht. Op de eerste plaats blijf ik een muzikant die blije gevoelens vertaalt in blije muziek en droevige gevoelens in droevige muziek. Muziek is een universele taal die ieder, waar ook ter wereld, kan verrijken en ik voel me gepriviligeerd dat ik daaraan kan deelnemen. In se is muziek geen politiek instrument.

Referentie
Ronny De Schepper, “Apartheid en Zuid-Afrika zijn geen synoniem”, De Rode Vaan nr.24 van 1988

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.