Bob Mendes debuteerde reeds in 1986 met “Bestemming terreur” (over de kaping van een jumbojet), maar literaire erkenning kwam er pas in 1988 met “Een dag van schaamte”.

Dat is een beetje eigenaardig, want stilistisch is dit alleszins een onbeholpen werk. Ik meen me b.v. te herinneren dat Mendes niet lang heeft gestudeerd en het lijkt er wel op alsof hij dat wil verbergen door juist erg gemaniëreerd te gaan doen. Een typisch voorbeeld vind ik p.198 wanneer een dokter beweert iemand “een sterk excitantium” te hebben gegeven. De ik-persoon antwoordt daarop kregelig: “Geen potjeslatijn!” De subtekst is immers: ik ken dit woord wel, maar ik wil het niet gebruiken. De “eerste” betekenis namelijk dat dokters pedant spreken, is achterhaald. Trouwens, over pedant spreken euh… gesproken, wat zeg je als je iemand, die je dringend wenst te ondervragen, bewusteloos aantreft? Dan zeg je niet “godverdomme” of iets van die strekking, maar wel: “Wie tussen vuur en stro leeft, moet aan de vlam weerstaan.” En voor alle duidelijkheid: hier is diezelfde ik-persoon aan het woord die zich aan het woord “excitantium” stoort!
Ook inhoudelijk stoort deze roman rond het Heizeldrama (Mendes beweert zelfs dat hij ter gelegenheid hiervan de uitvinder is van het woord “faction”, “fiction based on facts”!) me enorm. Zo werd ik eerst ontroerd door de inbreng van het wielrennen (alsof voetbal alleen nog niet volstond!) in de rassenproblematiek, maar de manier waarop dit wordt uitgewerkt is belachelijk. Zo schrijft hij p.46 “Voor Ramadam was het zijn eerste jaar als beroepsrenner en hij had enkele weken geleden bijna de Tour gewonnen.” Nu, eerst en vooral, louter praktisch: de kampioenschappen worden verreden de zondag vóór de Tourstart, dat weet zelfs Geert Stadeus (“Een hond genaamd Sibelius”, p.92-93). Dat een neoprof de Tour zou winnen, zou natuurlijk uitzonderlijk zijn, maar het is niet abnormaal (Felice Gimondi deed het bijvoorbeeld). Het is echter wél ongelooflijk in het geval van deze jonge Algerijn, die weliswaar op jonge leeftijd blijk had gegeven van talent, maar die dan (wegens allerlei kleinere en grotere misdaden) lange tijd inactief is geweest en pas herbegonnen op zijn achttiende verjaardag!
Die Tour heeft hij dan nog verloren “met een hinderlaag achter een korte bocht en een reservefiets met defecte remmen” (p.47). In welke tijd leeft Mendes eigenlijk? In die van Maurice Garin en Eugène Christophe?
Op p.205 komt hij daar nog eens op terug en krijgen we wat meer uitleg. Het blijkt namelijk tijdens een tijdrit te gebeuren (de “hinderlaag” is olie op het wegdek) en de volgwagen blijft tergend lang weg. Maar wie zit er in die volgwagen? Toch zijn geliefde trainer Roland neem ik aan? Waarom zou die dan “lang wachten”? (Bij een tijdrit dan nog wel!)
Maar bovendien, eindelijk gearriveerd, krijgt hij een reservewiel waarvan “de remmen bleken niet te werken”. Een reservewiel met remmen! Dat is iets nieuws!
Nog straffer is dat toen hij op de Izoard demarreerde, niemand minder dan Jean-Marie Leblanc (of was het toen nog Felix Levitan?), enfin alleszins toch “een razende tourdirecteur” (p.204) hem komt “aanblaffen alsof hij een waterdrager met een lekke drinkbus was” (die beeldspraak!). “Hoerenjong!” riep Jean-Marie (zelfs de arrogante Levitan zien we het niet doen). “Je wacht op Ledur of je gaat voor de bijl.” Ja, dat lijkt me typisch iets voor de tourdirectie. En bovendien voor het oog van de televisiecamera’s natuurlijk. Of was Mendes weer vergeten dat hij al in de jaren tachtig zat?
Enfin, dat kampioenschap wint Ramadam dan wel, maar de titel wordt hem ontnomen wegens een erotische verhouding met zijn trainer (tevens de nationale bondscoach) Roland. Buiten het feit dat het inbrengen van een homoseksuele component ook al zeer merkwaardig is, kan men zich afvragen op welk reglement dit is gebaseerd. Mogen wielrenners geen homoseksuele verhouding hebben? Van Guillaume Driessens mochten ze gewoonweg géén seks hebben (en dan dacht die uiteraard niet verder dan heteroseksuele betrekkingen), maar om ze daarvoor te deklasseren dat is toch een stap te ver.
Bovendien wordt de bondscoach levenslang geschorst voor “seks met minderjarigen”. Ja maar, hoe zit het nu eigenlijk? Is die Ramadam nu al achttien geworden of niet? En kan een minderjarige sowieso de Tour winnen?
Helemaal te gek wordt het even later als de gewezen coach een moordpoging overleeft en weer opduikt in… de fabriek van Eddy Merckx! (“In een randgemeente van Brussel. Hij werkt er in een kleine fietsenfabriek die aan een gewezen wielerkampioen behoort.” p.84)
Kortom, Mendes kent niets van wielrennen, zoals dit wél het geval is in het boek van Jos Vandeloo, “De beklimming van de Mont Ventoux”, uitg. Man­teau, 1990, 212 blz. Die laat het verhaal van een jonge profwielrenner in een Noord-Franse boerenfamilie vertellen door de diverse leden van de familie. En ze doen dat accuraat. Zelfs een beetje overdreven. Net zoals over het algemeen de taal van die “primitieve” mensen (zo bedoelt Vandeloo het toch) een beetje te poëtisch en te intellectueel is.
Maar al bij al is het boek van Vandeloo stukken beter dan dat van Mendes. Neem nu de delicate behandeling van het aspect seksualiteit. Alhoewel het niks ter zake doet, komt er bij Mendes op ongeveer elke pagina wel een seksuele toespeling te staan. Die homoseksuele verhouding mag dan (hoe ongeloofwaardig ook) nog deel uitmaken van het plot, de seksuele toespelingen tussen werknemers (zelfs al zijn dat dan hooggeplaatste ambtenaren) komen je de oren uit (zelfs belangrijke telefoongesprekken worden ermee begonnen) en dat een minister zijn ambt aanwendt om met een directiesecretaresse aan te pappen is dan weer zo’n ouwe stoplap dat je je afvraagt hoe het mogelijk is. Maar dat alles is nog niets in vergelijking met de manier waarop Mendes dat dan formuleert: “Toen we samen de top van de hoogste golf bereikten en ik voelde hoe mijn zaad een triomfantelijke uittocht ging beginnen, schoot de krankzinnige gedachte door me heen dat dit opnieuw een droom was. Maar zelfs die angst kon mijn aanstormend orgasme niet van zijn zegefeest weerhouden…” (p.150) Nu ja, Mendes’ “hoogste golf” en Versteylens “diepste draai”, één strijd!
Tussen haakjes, Ramadam mag dan een wel zeer merkwaardige naam zijn voor een Algerijn, het wordt nog belachelijker als die minister in kwestie Geenzerk (Nothomb, snapt u ‘m?) heet of de Brusselse burgemeester die graag een pintje drinkt Lesoif!
Niet alleen volkse sporten als voetbal en wielrennen komen overigens aan bod, maar ook de uit de kluiten gewassen Elisabethwedstrijd, die, toegegeven, inderdààd plaatshad toen het Heizeldrama zich op het andere net voltrok. Dat één van de terroristen ook een vroegere deelnemer is van deze wedstrijd is dan weer opnieuw een stap te ver. Om nog te zwijgen van het feit dat het een Tsjech betrof die tijdens zijn verblijf in de kapel (in de finaleweek) verdween om asiel aan te vragen. Dat Fred Brouwers dit niet in zijn boek heeft vermeld!
Van Mendes volgden daarna nog o.a. “Het Chunnel syndroom”, “De vierde soera”, “De fraudejagers” en “Bloedrecht”. En alhoewel de islamieten in “Een dag van schaamte” weliswaar terroristen zijn, maar die toch nog op een zekere sympathie kunnen rekenen, laat Mendes (van joodse, maar niet-praktizerende, afkomst) in “Medeschuldig” (2003) de maskers vallen en beschuldigt iedere voorstander van de Palestijnse eisen maar meteen als “antisemiet”, de gekende dooddoener.

Ronny De Schepper

Een ander standpunt
Mark Vlaeminck, De zaakvoerder is een linke, De Standaard 27 augustus 1994

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.