35 jaar geleden ging in het NTG Shakespeare’s “Hamlet” in een première, in een bewerking van Hugo Claus. Deze bewerking werd niet zo goed ontvangen, dus zou er een jaar later een nieuwe volgen.

In het werk van Shakespeare spant “Hamlet” de kroon met 75 verfilmingen (tenminste op het moment dat de Branagh-versie verscheen in 1997). De redenen van Shakespeares populariteit bij de cineasten? Veel seks & geweld en… geen copyrights.
In 1995 regisseerde Deborah Warner in het Royal National Theatre een “Richard II” met een vrouw (Fiona Shaw) in de titelrol. Typisch iets voor de postfeministische golf, zou men denken, maar kijk, op het einde van de negentiende eeuw speelde Sarah Bernhardt reeds “Hamlet”. Vooral deze figuur was geliefd bij actrices: in 1920 produceerde de toenmalige superster Asta Nielsen in Duitsland zelfs een Hamlet-verfilming met haarzelf in de hoofdrol!
Op 30 april 1983 werd in het NTG de Hamletversie van Hugo Claus gecreëerd. In dat verband wilde Johan de Belie graag wat uitleg krijgen, toen we bij de Meester op bezoek waren ter gelegenheid van het verschijnen van “Het verdriet van België” over een uitlating van hem dat hij nooit een realistisch toneelstuk zou hebben geschreven, dat hij het realisme enkel als stijlmiddel gebruikt.
Hugo Claus: Ja uiteraard, want doen alsof het echt is, dat is natuurlijk onzin. Iedereen weet toch dat daar mevrouw Chris Boni staat en niet de moeder van Hamlet? Maar je wil dus iets meer weten over die Hamlet? Goed. Je moet er natuurlijk van uitgaan dat dit geschreven is met de absolute arrogantie en blaaskakerij van een waanwijs iemand die denkt dat hij één van de toppunten van de wereldliteratuur kan aanpakken. Dat staat voorop. Maar eigenlijk ben ikzelf niet op het idee gekomen. Het was regisseur Arturo Corso die vond dat hij in het NTG een Hamlet moest brengen, die was bepaald door zijn visie. En dat was dan: Hamlet is veertig jaar, een ontevreden marxist, zeg maar iemand van na mei ’68. Hij ziet de corruptie om zich heen en wil daartegen tot daden overgaan, maar kan dat niet. Dat vond ik wel heel spannend. En toen ben ik aan de slag gegaan, waarbij er een groot aantal dingen opgedoken zijn die niet kaderden in wat hij zich had voorgenomen. Ik geloof dat hij dacht dat ik in feite gewoon een handige vertaling voor hem zou schrijven. Maar dan is dat gekanteld. Om te beginnen is het veel korter. Een groot aantal incidenten die behoren tot de dramatische traditie van de Elisabethanen zijn verdwenen, omdat die nu niet meer geldig zijn op het toneel, dat sensationele, dat is overgenomen door “Dallas”. Het is dus abrupter, het is tot een zekere essentie teruggebracht. De corruptie van de staat wordt teruggebracht tot een politieke corruptie en een seksuele corruptie, of proliferatie, dat is een beter woord.
‑ Is het geëngageerd?
Hugo Claus:
Ik heb het moeilijk om in die termen te denken. Als ik het woord hoor, dan weet ik al niet meer wat er bedoeld wordt. Elk stuk, ook het meest onschuldige, is nog altijd ten voordele van de bestaande orde ofwel tégen de bestaande orde. Wat je ook schrijft of doet, is geëngageerd. Dit stuk roept wel op tot verandering, maar met middelen van het toneel. Het is niet zo dat er met rode vlaggen gezwaaid wordt of dat de rijke met een sigaar opkomt.
‑ Corso zou wel durven!
Hugo Claus:
Jaja, goed, maar dat getuigt van kinderachtigheid en bevestigt alleen maar het bestaande omdat de rijken niks liever hebben dan in jacquet en met een sigaar en hoge hoed op scène te worden gezet.
‑ Gelooft u dan niet in vormingstheater? (Toen hij zijn vierde Staatsprijs voor Toneel kreeg, stelde juryvoorzitster Dina Hellemans-Van Berlaer dat “Claus’ theater nauwer verwant is met het goede, het échte vormingstheater dan op het eerste gezicht zou kunnen worden verwacht.”)
Hugo Claus:
Jawel, maar ik vind het werkwoord reeds prachtig: “geloven”. Zoals je ook kan vragen: geloof je in de schaakclub van café “De IJzer”. Dat is niet mijn afdeling. Ik ben verplicht van mijn terrein af te bakenen. En mijn terrein is dat van een bepaalde verbeelding, ik kan mijn tijd en energie niet gaan spenderen aan iets wat mij vreemd is. Maar het heeft wet een functie. Alles wat, al was het maar gedurende een kwart seconde en voor zes mensen, leidt tot een zekere helderheid of een zeker inzicht heeft z’n nut, natuurlijk.
Achteraf gezien is het voor mij natuurlijk onmogelijk om dit stuk te beoordelen los van het gesprek dat we erover hadden met Claus zelf. Nog vóór het stuk goed en wel van start ging, bleek hieruit reeds dat de ideeën van auteur en regisseur duidelijk uit elkaar liepen. Als marxist zou men misschien kunnen verwachten dat wij de ‑ revolutionaire ‑ interpretatie van Corso aanhangen, maar helaas voor deze nochtans goedmenende eeuwige jongeling menen wij dat het stuk van Old Will hier niet voldoende aanknopingspunten voor bood. Dat is o.i. wel het geval met de interpretatie van Claus, die de “ziekelijkheid” en de “perversiteit” op de spits drijft. M.a.w. Shakespeare voelde zich misschien wel geremd om die toer op te gaan, maar was zeker geen marxist‑avant‑la‑lettre. De openingsscène was wat dat betreft illustratief: de “rode vlaggen”, waarvoor Claus zo’n schrik had, waren hier niet ver af en de paffertjes‑revolvers van de soldaten hadden we ook liever op J.R. gericht gezien.
Gaan we dan Corso met alle zonden van Denemarken beladen? Dat zou oneerlijk zijn. Terecht zal Claus in ons interview b.v. later zeggen dat men de universaliteit in z’n eigen straatje moet ontdekken. Deze “Hamlet” is echter wel degelijk “abstract” universeel, alle toespelingen op “inleveren” of theatertoestanden ten spijt. Ten tweede maakte dramaturg Frans Redant op de persconferentie bekend dat dit stuk een synthese was van een vrij letterlijke vertaling die Claus had gemaakt en een doorgedreven parodie. Parodie die overigens zo goed was dat ze misschien later nog wel eens zal worden gepubliceerd, aldus Redant. Aan de hand van de parodiërende fragmenten kunnen we dit laatste alvast beamen (met als hoogtepunt de monoloog van Claudius op het toilet). Vraag blijft dan alleen waarom voor deze mengvorm werd geopteerd.
Daar de “Wijzen” het op de koop toe niet eens raken over de acteursprestaties (tenzij misschien over het knappe presteren van Hugo Van den Berghe in de titelrol; mij viel verder vooral Jos Verbist als Claudius op), komen wij tot de conclusie dat dit eerder een stuk is om te lezen dan om te gaan bekijken (voor de tweede opvoering was de zaal trouwens half leeg): de taal is immers van een wellustige schoonheid vol staf‑ en binnenrijmen. En er màg gelachen worden!
Later werd “Hamlet” hernomen, deze keer in een regie van Walter Moeremans, Frans Redant en Hugo Claus zelf tijdens het seizoen 1983-1984. Ik was er uiteraard weer bij en noteerde het volgende.
Vorig seizoen bracht het NTG een Hamlet-bewerking van Hugo Claus in een regie van Arturo Corso. Beide heren verschilden « lichtelijk » van mening en pers, toeschouwers en directie kozen partij voor Claus. Poëtisch en spiritueel meesterwerk, heette het, verknoeid door oververhitte regie.
Daar het stuk dit jaar als draaischijf-voorstelling in Antwerpen en Brussel was gepland, nam de NTG-directie een in ons theaterbestel moedige, maar eigenlijk normale beslissing : de hele opvoering werd herwerkt. Dit wil zeggen, de tekst werd behouden, maar niet minder dan drie regisseurs boden zich aan : schrijver Hugo Claus, acteur Walter Moeremans en dramaturg Frans Redant. Alweer wantrouwen natuurlijk, omwille van zo’n monsterverbond.
En inderdaad, het wantrouwen was gewettigd, want al is het een heel andere voorstelling geworden, eigenlijk is ze niet echt beter. Al naargelang van de persoonlijke interpretatie wordt de ene scène afgewogen tegen de andere en wat mijnheer A vorig seizoen beter vond, vindt mevrouw B nu juist zo goed, maar in haar ogen is er dan weer een andere leuke scène weggevallen. Net goed, zegt mijnheer A dan, want aan die scène had ik nu precies zo’n hekel.
We zetten onze opmerkingen even op een rijtje (vgl. r.v. nr 20 van vorig jaar) :
— we stoorden ons aan de « revolutionaire » openingsscène vorig seizoen, maar de stroeve opening van nu kan ons ook niet bekoren;
— té abstract, geen « universaliteit in eigen straatje » en dat bleef zo, o.m door het gebruik van zeer uiteenlopende muziek (waaronder « I’m sorry » van Brenda Lee en « Moonlight serenade » van Glenn Miller);
— waarom niet helemaal doorgaan op de parodistische toer vroegen we ons af en, akkoord, Polonius (Nolle Versyp) werd op dat vlak meer geprofileerd, maar Claudius kwam dan weer minder uit de verf, zodanig zelfs dat we onze positieve appreciatie van de prestatie van Jos Verbist moeten herroepen. Opmerkelijke verbeteringen waren wel de doodgraversscène en het duel (zij het slecht gespeeld, of moeten we zeggen « gevochten »?).
Kortom, een controversiële opvoering en die is toch altijd de moeite van het bekijken waard. Al was het maar om achteraf in het café ook uw zegje te kunnen doen in het kringetje van de interloctuelen
Nog niet zo lang geleden konden we de ellenlange maar boeiende versie van Kenneth Branagh bewonderen en daar stond reeds een Nederlandse Hamlet op ons te wachten op de scène. Het Utrechtse gezelschap ’t Barre Land toonde (op vraag van de Brusselse producent Kaaitheater) echter geen treurende puber of dweepzieke twijfelaar, geen vechtjas met een fixatie voor bloedwraak, noch een man neergesabeld door het lot. Shakespeare reageerde met Hamlet op de gewelddadige wraaktragedies die het toenmalige Engelse toneel domineerden. Tegenover het commerciële succes van deze “pulp fictions” koos hij voor geraffineerd woordspel, filosofische bespiegelingen en een complexe held. Daarom koos regisseur Jan Ritsema niet voor iemand die gedreven wordt door ambities en de wraakgedachte die alle middelen heiligt, maar voor een moderne denker die niet ophoudt zijn redelijke twijfel te toetsen. Uitgangspunt is Hamlet als verbaal briljante strateeg, die met zijn vragen de confrontatie aangaat, anderen aan het denken zet, laat wankelen en uiteindelijk zelf in het web van argumenten verstrikt raakt. Want, zoals vadertje Freud het al zei, “wie onder bepaalde omstandigheden zijn verstand niet verliest, heeft geen verstand om te verliezen.”
Aangezien de tekst als het ware “gerapt” wordt en dan nog door acteurs van boven de Moerdijk, moet je wel rap zijn om het te snappen. Volgens bepaalde recensenten lukt dat dus niet in deze sneltreinvaart: “De makers zijn zo verliefd geworden op hun concept dat ze niet meer zagen dat het niet werkt in de zaal.” (Geert Sels in De Standaard van 19/1/2001)

Referentie
Ronny De Schepper, “Hamlet”: anders maar niet écht beter, De Rode Vaan nr.13 van 1984

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.