Net op het moment dat de wereld in rep en roer stond omwille van de Olympische Spelen, waarvan men zich toen plotseling realiseerde dat ze in China zouden plaatshebben (het is natuurlijk veel telegenieker om de Olympische fakkel te proberen doven dan om kritiek te leveren op het moment dat het echt nodig kon zijn geweest, namelijk bij de toewijzing van de Spelen), wordt het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen als eerste Belgisch orkest uitgenodigd voor een tournee door China. Uiteraard stond men dan onmiddellijk met een microfoon klaar om te vernemen of het orkest deze uitnodiging wel zou aanvaarden. En even uiteraard was het antwoord natuurlijk volmondig “ja”. Na de gebruikelijke algemeenheden over het respect voor de mensenrechten en patati en patata, wees de woordvoerder van het orkest op Klara erop dat de ene handelsmissie na de andere staat te popelen om naar China te gaan, dus waarom zou het orkest op dergelijke uitdaging niet ingaan? En gelijk hebben ze natuurlijk…

De eerste maal dat er van een “Vlaamsche Philharmonie” sprake was, was in 1937 (nadat er van rond de eeuwwisseling tot in de jaren twintig reeds het “orkest van de dierentuin” geweest was o.l.v. Flor Alpaerts). Ze werd geleid door Arthur Loewenstein, een uitgeweken Oostenrijkse jood, dus het was vrij “normaal” dat ze in 1939 alweer werd opgegeven.
Dan kwam het “Philharmonisch Orkest van Antwerpen” dat tot in de jaren vijftig bleef bestaan, geleid door Hendrik Diels. In 1955 volgde dan de “Philharmonie”, een orkest dat op privé-initiatief was gesticht door o.a. Gaston Ariën, Steven Candael en Jef Maes n.a.v. een opvoering van “Porgy and Bess”.
In 1957 werd de ‘Philharmonie van Antwerpen’ door de Belgische regering, de provincie en de stad Antwerpen als officieel orkest erkend. Aanvankelijk werden enkel in de Koningin Elisabethzaal jaarlijkse concertcycli georganiseerd, meestal geleid door Eduard Flipse, die vanaf 1958 chefdirigent was, een functie die hij ook in Rotterdam uitoefende. Hij tilde het niveau van het orkest (dat oorspronkelijk uit werkloze musici bestond) op tot een professionele hoogte.
Na de dood van Flipse in 1973 ging het opnieuw bergaf. Met Valère Lenaers kwam het in 1975 reeds tot een conflict. Op dat moment wou men de Amerikaanse Antwerpenaar François Huybrechts aantrekken (als jong dirigent was hij naar de V.S. uitgeweken en had daar carrière gemaakt, maar in eigen land had hij slechts sporadisch een orkest gedirigeerd), maar deze legde het zo tactloos aan boord dat hijzelf werd afgeschreven, nog vooraleer men hem zou aanwerven.
De bouw van de nieuwe concertzaal ‘De Singel’ maakte vanaf 1980 ook een tweede abonnementsreeks mogelijk en tegelijk ondernam het orkest ook tal van binnen- en buitenlandse concertreizen. De schulden stapelden zich echter op en de Vlaamse regering moest ingrijpen.
In 1983 werd het orkest uitgebreid tot 96 musici, kreeg het de nieuwe benaming van Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen en een overheidssubsidie die rond de 144 miljoen Belgische frank bedroeg. Helemaal in de geest van de neoliberale regering die de erkenning moest bekrachtigen, werd de raad van beheer samengesteld uit mensen uit de culturele wereld (uiteraard) maar ook uit de bedrijfswereld. Dit met het oog op sponsoring. Als voorzitter werd toen reeds Hendrik Daems verkozen, directeur-generaal van Ford.
Emil Tchakarov werd – op aanraden van beheerder Gerard Mortier – benoemd als eerste chef-dirigent en artistiek directeur van het vernieuwde ensemble. Zo haalde men o.m. op 20 mei 1985 het Franse televisiescherm, meer bepaald in de beroemde uitzending “Le Grand Echiquier”. Globale directeur van de Filharmonie was toen Marc Clémeur, de latere intendant van de Vlaamse Opera.
De Bulgaar Emil Tchakarov was nauwelijks 23 toen hij de Von Karajan-wedstrijd won in Berlijn. Via een uitvoering van “Die Entführung aus dem Serail” in de Muntschouwburg (*) werd hij aangeworven in 1983 als chefdirigent van het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen. Hij verliet dit echter reeds in 1986. In 1989 dook hij opnieuw op als eerste gastdirigent van het Filharmonisch Orkest van Leningrad. In augustus ’91 overleed hij echter op amper 43-jarige leeftijd in nooit opgehelderde omstandigheden. De meest gehoorde veronderstelling is dat hij aan aids is gestorven.
Tchakarov (uit de Karajan-school) werd een lieveling van het publiek, maar was een dictator voor het orkest. Daarom werden in 1986 zowel Tchakarov als Clémeur afgelost door Günter Neuhold, die de twee functies van Tchakarov overnam, en Luc Vanackere, die administrateur werd. Neuhold en Vanackere konden het onmiddellijk goed met elkaar vinden. Vanackere had nog in Wenen gewoond en kon dus goed opschieten met de Oostenrijkse dirigent en vice versa.
Het hoogtepunt onder Neuholds leiding was de uitvoering van de vierde symfonie van Bruckner op het Brucknerfest te Linz in 1987 (ook op CD verschenen). Neuhold was echter een perfecte kopie van Tchakarov: geliefd bij het publiek, gehaat door het orkest. Daarmee kwam hij al gauw in botsing met Daems, die zelf echter ook eigenmachtig optrad, waardoor Vanackere verdween naar Engeland en Neuhold prompt eveneens zijn ontslag indiende uit solidariteit.
In de persoon van de 42-jarige Chinees Muhai Tang werd een opvolger als chefdirigent gevonden, maar de rol van artistiek directeur werd ad interim door de bejaarde Camille Swinnen waargenomen. M.a.w. het was meteen duidelijk dat Tang het orkest mocht dirigeren en voor de rest zwijgen. Hij was dan ook een beminnelijk man die amicaal met het orkest omging, maar publiek en pers moesten van hem niet weten. Bovendien werd dan Marc Anseeuw als artistiek administrateur aangesteld.
Marc Anseeuw is musicoloog en filosoof die in de jaren tachtig als leraar en recensent aan de slag was tot hij in de lente van 1990 bij het Filharmonisch Orkest onderdak vond, eerst als bibliothecaris-dramaturg, nadien ook als orkestcoördinator. De verhouding Tang-Anseeuw was echter niet zo harmonieus als die tussen Neuhold en Van Ackere, omdat Tang een voorkeur had voor Franse en klassieke en vroegromantische muziek (Haydn, Schubert), terwijl Anseeuw vooral het 20ste-eeuwse repertoire genegen was.
Sedert 1987 verleende het Filharmonisch Orkest trouwens telkenjare een opdracht aan drie Vlaamse componisten. Zo konden we b.v. reeds kennismaken met het concerto voor elektrische gitaar van Luc Van Hove (met Eric Melaerts als solist) en werk van Daniël Schroyens en Frank Houwen. In 1990 werden Boudewijn Buckinx, Frans Geysen en Michel Capelletti met een opdracht bedacht en in 1991 waren het een hoboconcerto van Frans Geysen en een symfonisch werk van Boudewijn Buckinx naast de eerste symfonie van Piet Swerts. Het grootste probleem is echter dat het meestal bij die creatie blijft. Hoeveel jongeren zouden b.v. dat concerto voor elektrische gitaar al hebben gehoord?
Bij het begin van het seizoen ’92-’93 stond Anseeuw echter alweer ter discussie. Rik Daems had bij het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen immers de plaats moeten ruimen voor een CVP’er, “Ridder” Bob Stouthuysen. Daems, nog benoemd door zijn partijgenoot Karel Poma, had er twee termijnen opzitten bij de Filharmonie, “die hij als professioneel manager van een zieltogend gezelschap heeft uitgebouwd tot een orkest met internationale uitstraling,” aldus Van der Kelen, die zich als hoofdredacteur van “De Nieuwe Gazet” doorgaans niet met cultuur maar wel met politiek bezighoudt. Daarom misschien dat hij verdergaat: “In dit land bepaalt de politiek alles en soms zijn alle redenen goed om iemand te liquideren. Deze keer gaat het erom dat er ‘teveel liberalen’ aan het hoofd van culturele instellingen zouden staan (E. Van Buynder bij het Muhka, Marcel Vanderbruggen bij het Ballet) tegenover maar één CVP-er (Irina Van Goeree in de Adviescommissie Letteren) en één socialist (conservator Van den Bussche in de Adviescommissie Beeldende Kunsten). Eén CVP-er te weinig dus. Bijgevolg eisen de christendemocraten de plaats van Rik Daems op, wiens tweede mandaat weldra afloopt. Afwachten of het zo ver komt.”
Op de raad van beheer van 29 juli gebeurde inderdaad wat voorspeld werd: Daems moest de plaats ruimen voor Stouthuysen, voorzitter van de Raad van Bestuur van Janssen Pharmaceutica, beheerder van de KUL en van uitgeversbedrijf De Tijd en ere-voorzitter van het Vlaams Economisch Verbond. Daems werd zelf ere-voorzitter van een soort van schaduw-regering, waarin o.a. Jan Briers als ere-ondervoorzitter en Bob Cools, Camille Swinnen en Eugène Traey als ere-beheerders zetelden…
In zijn inaugurale rede kondigde Stouthuysen meteen aan dat er gezocht werd naar een nieuwe intendant (Anseeuw was naar verluidt niet in deze functie geïnteresseerd, ook al kwam daardoor zijn eigen positie ter discussie te staan), maar ook naar een nieuwe chef-dirigent, want het contract van Muhai Tang werd uiteindelijk maar verlengd tot juni 1994, omdat eerst een nieuwe intendant werd gevonden in de persoon van… Luc Vanackere! En die heeft een jonge dirigent op het oog om Tang te vervangen. Eind november 1993 werd dan bekend gemaakt dat de keuze was gevallen op de Welshman Grant Llewellyn. Tang zou samen met Jos Van Immerseel vaste gastdirigent blijven. Marc Anseeuw verdween naar… de CSC, waar hij een collega werd van Jan Mestdagh. Toen hij daar wegging (of moest weggaan, dat is niet helemaal duidelijk), nam ikzelf zijn plaats in.
Luc Vanackere (in gesprek met Marleen Spaepen op Radio 1): “Er is ondertussen heel wat veranderd. We hebben een nieuwe raad van beheer gekregen en vooral een nieuwe voorzitter. Ik wil er daarbij inderdaad op wijzen dat dit toch een parel van een voorzitter is. Ik weet immers uit ervaring bij dit orkest en ook bij het N.O.B. dat de rol van de raad van beheer en meer bepaald van de voorzitter van de raad van beheer van cruciaal belang. Het is natuurlijk een functie die zich afspeelt op de achtergrond en waar het publiek als dusdanig nooit mee te maken krijgt, maar wat daar gebeurt is essentieel voor de toekomst van een orkest. Onze nieuwe voorzitter is een man met een enorme eruditie, een geboren diplomaat en, dat heeft hij mij letterlijk gezegd, het is iemand die zichzelf heeft voorgenomen dat dit orkest carrière moet maken. Hij heeft zelf al zijn carrière gemaakt, hij heeft het orkest dus niet nodig om zichzelf te bewijzen. Ook de andere leden van de raad van beheer zijn mensen die stuk voor stuk zeer begaan zijn met wat er met het orkest gebeurt en zij hebben er ook een punt van gemaakt om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor het succes van het orkest, zodat ik me er bijna comfortabel door gesteund voel. Dat was vroeger niet het geval en dan kan je het vergeten! Dat heb ik in het verleden meegemaakt. Maar dat probleem is geëlimineerd en ik kan je niet vertellen hoe blij ik daarvoor ben. De hoofdactiviteit van het orkest zal zich te Antwerpen situeren omdat dit de ‘huisbaas’ is van het orkest. We hebben daar twee cycli, één in de Elisabethzaal en één in de Singel. De Elisabethzaal wil ik echt profileren als een prestigecyclus met zeer grote internationale solisten en dirigenten die aan het orkest iets te bieden hebben in het klassieke, romantische en laatromantische repertoire.. Aangezien de Singel zich meer richt tot een intellectueel publiek, zal daar uitsluitend het repertoire uit de twintigste eeuw aan bod komen, met uitzondering van de concerten onder leiding van Jos Van Immerseel.”
Met Van Immerseel streefde hij een verbintenis op lange termijn na, maar Jos weigerde: “Ik wil niet als Vladimir Ashkenazy worden, die een goed pianist was en nu een middelmatig dirigent is, maar geen pianist meer.”
Daarnaast startte men in ’93-’94 met een cyclus in de Bourlaschouwburg, waar vooral repertoire werd gespeeld uit het begin van de negentiende eeuw, de periode waarin het theater gebouwd werd. Vanackere: “Daarbij komt nog een belangrijk vocaal aspect en ook nadruk op de authentieke interpretatie. Ik vind dat de discussie over de verschillende interpretatiewijzen en -methodes opengegooid moet worden en dat ook de zogeheten traditionele filharmonische orkesten daarin iets te vertellen hebben. Ik denk b.v. aan wat het Concertgebouworkest doet met Nikolaus Harnoncourt. We moeten die segmentering doorbreken, want nu heeft men een beetje de neiging om ieder in zijn specialistenhokje onder te brengen. Voor mij moet dit orkest muziek spelen vanaf het einde van de achttiende eeuw tot nu. Dat is een heel breed scala, maar je moet daarin niet segmenteren, want de klassieke periode legde o.a. de basis voor de ‘sound’, zeker wat de strijkers betreft, van het orkest. Het is wel waar dat er heel weinig dirigenten zijn die iets te vertellen hebben over het globale aanbod van de muziekgeschiedenis. Daarom investeer je als intendant in dirigenten waarvan je vindt dat ze iets te vertellen hebben over hun specialiteit. Je hebt een Abbado die bijzonder goed is in romantische en laatromantische muziek, een Harnoncourt die zich meer in het laat-achttiende eeuwse, vroeg-negentiende eeuwse werk specialiseert. We moeten daarop inspelen. Hier geldt de regel: if you can’t beat them, join them. Je moet dus dirigenten engageren uit een soort – en dat klinkt misschien heel vreemd wat ik nu ga zeggen – opportunistische refleks: gebruik ze voor waar ze goed in zijn. Mijn systeem is dat er een chefdirigent komt die uiteraard het leeuweaandeel van de concerten voor zijn rekening zal nemen, maar die noodzakelijkerwijs niet het hele jaar door beschikbaar is, als het een goeie is. Daarom zou ik naast deze persoon een permanente gastdirigent willen engageren, die minimum vier of vijf belangrijke concerten voor zijn rekening zal nemen. En daarnaast denk ik dat we een heel weloverwogen selectie moeten maken van gastdirigenten. Het heeft geen zin om daarin vogelpik te gaan spelen, zoals maar al te vaak gebeurt: we nemen iemand van hier en iemand van daar, naargelang van de voorstellen die ons door de impressariaten worden gedaan. Want ook al gaat het maar om één week, met vijf of zes repetities en twee concerten, toch moet er van zo’n gastdirigent iets overblijven bij het orkest. Dat ligt helemaal anders bij een solist, die overal eens even zijn circusnummertje gaat opvoeren. Een dirigent heeft een culturele missie, ook op pedagogisch vlak. Als primeur voor België wordt er ook iemand van het orkest betrokken bij de artistieke raad. Dus niet enkel meer om praktische problemen op te lossen. Ons land heeft al te vaak orkestmusici als een onmondige massa beschouwd. Zij moesten maar spelen wat de directie of de chefdirigent heeft geconcipieerd. Dat zal bij ons niet langer het geval zijn. In de persoon van Piet Van Bockstael, eerste hobosolist, hebben we een ideale adviseur bij de programmatie gevonden. Hij zal wat dat betreft mijn rechterhand zijn. Een orkestmusicus die vanuit zijn eigen praktijk dirigenten en solisten zal kunnen evalueren en zeer waardevolle ideeën naar voren zal kunnen schuiven, wat de programmatie ‘naar de toekomst toe’ betreft. Ik denk dat dit een enorm belangrijke stap is in de bewustwording van het orkest als groep en ook in het verantwoordelijkheidsbesef van deze groep mensen met betrekking tot de artistieke politiek. Trouwens, in tegenstelling tot elders zijn onze musici geen vastbenoemde ambtenaren. Om het beste van zichzelf te blijven geven kunnen kunstenaars routine best missen,” voegt Vanackere er in “Talent” aan toe. “Nieuwe musici lopen hier eerst een proefjaar waarna zij een contract van onbepaalde duur tekenen.”
In 1995 werd ook een ‘composer in residence’ aangeworven, de Georgiër Gija Kantsjeli. Twee composities werden voorbereid, een celloconcerto en een vioolconcerto, die resp. door Mstislav Rostropovitsh en Gidon Kremer zouden worden gecreëerd. “Het orkest heeft zeker gedurende de laatste vijf jaar altijd al een tamelijk actieve creatiepolitiek gevoerd,” aldus nog Vanackere, “maar ik zou nu ook willen dat er met één bepaald kunstenaar een afspraak wordt gemaakt voor een langere periode, laten wij zeggen twee, drie jaar, gedurende dewelke er niet alleen bestaand werk van die componist wordt uitgevoerd, maar ook een aantal creaties. Het uiteindelijke doel van dit systeem is dat er een soort symbiose zou groeien tussen deze kunstenaar en het orkest, wat je natuurlijk nooit kan hebben met een eenmalige creatie die daarna in de archieven belandt. Ik wil dat de componist a.h.w. in de huid van het orkest kruipt en bijna op maat gesneden werken zal componeren.”
In “Talent” gaat hij nog wat verder: “Waarom zouden we bij gelegenheid niet de deuren openen voor het betere pop-repertoire? Voor een Frank Zappa met klassiek orkest. Of zelfs Bart Peeters en zijn Radio’s?”
Het seizoen 1995-96 stond bij het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen dan ook vooral in het teken van de vernieuwing. We konden zoals gezegd reeds kennismaken met de jonge chefdirigent Grant Llewellyn uit Wales, maar hij nam zijn functie eigenlijk pas op in september.
Daarnaast was er dus de Georgische “composer in residence” Gija Kantsjeli, waarvan de compositie voor cello en orkest “I Ya” in februari zou worden gecreëerd met niemand minder dan Mstislav Rostropovitsj als solist. De twintigste eeuw krijgt trouwens nog meer aandacht met verder nog o.a. Lutoslawski, Schnittke en Zimmermann. Men gooit echter niet het kind met het badwater weg: de gezonde traditie die wil dat men ook aandacht besteedt aan eigen componisten wordt verdergezet.
Op 30 april 1996 werd dan het verrassende bericht verspreid dat het BRTN-orkest en koor een “princiepsovereenkomst” hadden gesloten met I Fiamminghi. Uiteraard verwachtte Werthen dat hij dan ook de daaraan vastzittende subsidie in de wacht zou kunnen slepen. Maar waar zat dan de besparing? In een uitdunning van ons orkestenbestand? Het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen voelde meteen nattigheid en vroeg aan de Vlaamse regering of het wel nodig was dat er een tweede quasi-identiek symfonieorkest door de overheid in leven zou worden gehouden. Bovendien vroeg het KFOVV zich ook af of Werthens orkest dan preferentieel voor de BRTN zou mogen werken? Uiteindelijk bleek alles een storm in een glas water.
Voor het seizoen 1996-97 werd de Brit Robin Holloway (°1943) aangetrokken als “composer in residence” i.p.v. Kantsjeli. Holloway werd uiteraard aangebracht door Grant Llewellyn, die nog les van hem had gekregen. Zijn stijl wordt als “neoromantisch” omschreven.
Die chefdirigent van het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen was overigens een rare kwibus. Hij begon als jazzpianist en schakelde daarna over naar de cello, maar zonder al te veel ambitie op dat instrument. Hij speelde dan ook nog jazz in een groepje met Wayne Marshall op piano. “Toen al was ik meer met het orkest dan met mijn cello bezig,” zegt hij. Toch kreeg hij een studiebeurs in Italië en hij vertrok daarheen met zijn cello en… zijn voetbalschoenen. Als hij daar ter plekke meer kan verdienen al voetballend dan al cello spelend, ziet hij in dat een solistencarrière niet voor hem is weggelegd en gaat hij zich op het dirigeren toeleggen. Toch blijkbaar met niet zo heel veel succes, want toen hij in 1998 door Philippe Herreweghe werd vervangen, was dat fando audire tot grote opluchting van de muzikanten, die hem – technisch gesproken dan – een slechte dirigent vonden.
Enige tijd later werd Philippe Herreweghe dus benoemd als muziekdirecteur bij het KFOVV en nog een paar jaar later (op 2 oktober 2000 om precies te zijn) werd bekend gemaakt dat hij in samenspraak met de Raad van Bestuur beslist had Luc Vanackere als intendant te vervangen door de 41-jarige fluitist Jan Raes, tevens artistiek directeur van het Antwerpse conservatorium. Merkwaardig genoeg (want het is een publiek geheim dat het niet botert tussen hem en Herreweghe) blijft Vanackere “artistiek adviseur”. Raes en Herreweghe stelden in november 2001 Daniele Callegari, de slagwerker van de Scala van Milaan, aan als “complementaire chef-dirigent”.

Ronny De Schepper

(*) Waarover Greta Haenen nochtans schreef: “Op bepaalde momenten kon je je niet van de onaangename indruk ontdoen dat de muziek er maar voor spek en bonen bijliep. Emil Tchakarov werd voor het voldongen feit geplaatst dat een aria gecoupeerd werd en een andere verplaatst om zo meer te beantwoorden aan het post-freudiaanse dramatische concept van de Herrmanns.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.