Vandaag is het precies 35 jaar geleden dat ik mijn vijfde balletvoorstelling zag. Het was een gemengde voorstelling door het Ballet van Vlaanderen, iets wat Robert Denvers later “a mixed bill” zou noemen, maar in die tijd was Jeanne Brabants nog de directrice van het gezelschap. In de inleiding van mijn recensie voor De Rode Vaan steek ik een beetje de draak met “mijn collega Jan Draad”, terwijl ikzelf natuurlijk Jan Draad ben, of liever gezegd: was. Dat maakte nu eenmaal deel uit van het spel om de lezer met al die pseudoniemen af en toe op een verkeerd been te zetten…

Toen collega Jan Draad Jeanne Brabants, directeur van het Ballet van Vlaanderen, aan het lijntje had gehad (rv nr.36), had hij langs zijn neus weg beloofd even langs te lopen op de première in de Gentse Opera. Maar wie hebben we niet gezien ? Draad natuurlijk ! En daarom moest ondergetekende alweer het zaakje opknappen, al kan die in het geheel geen balletkenner worden genoemd omdat-ie daarvoor amper twee voorstellingen van het Ballet van Vlaanderen en twee van het gezelschap van Béjart had gezien.
Maar goed, toeval wil dat bij die schrale oogst ook de Boléro-versie van Béjart zat (met de magistrale Jorge Donn), zodanig dat het eerste onderdeel van het programma, eveneens Ravels Boléro maar dan in een choreografie van Sigurd Leeder, aan een referentiepunt kon worden getoetst. En dat viel jammer genoeg erg negatief uit voor het BVV. Van het bezetene, het exotische/erotische van Ravels meesterwerk (zoals dit b.v. tot uiting komt in de fameuze passage uit Jef Geeraerts‘ « Black Venus » als Mbala een dans improviseert op deze muziek) kwam niets over. Integendeel, de klemtoon werd gelegd op het anekdotische karakter, namelijk de Spaanse afkomst van de dans.
De tweede Belgische première voor die avond, « Symphony in three movements » van Stravinsky (muz.) en Christe (chor.), was al heel wat beter. Zowel de componist als de choreograaf wilden beelden oproepen die men met oorlog in verband brengt. En dat gebeurde zeer effectief, mede door het mooie, kil-blauwe kleurenspel van Keso Dekker in decor en kostuums.
Volgens insiders werd er ook in « Symphony » echter nog te veel « gesprongen » en « gelopen », zodanig dat we zouden kunnen stellen dat tijdens de rust er een gelijkspel op het bord stond. De tweede helft zou ons dus wegwijzer moeten maken.
En dat lukte al meteen. De herneming van « La Péri » (componist: Paul Dukas, choreografie: John Butler) wist ons dadelijk te bekoren. Primo omdat dit het eerste « verhalende » ballet van de avond was, een genre dat wij persoonlijk moeilijker vinden dan een « beschrijvend » ballet daar men er gemakkelijker in cliché’s vervalt. Maar die klippen werden omzeild en mede door een prachtige pas-de-deux van Mary-Celeste Hammel en Pavel Vokoun (*), in een verfijnde aankleding van Jean De Vuyst, werden wij ten zeerste beroerd. Een tweede reden was dan nog dat hier ook reeds een voorproefje werd opgediend van de erotische sfeer die de eigenlijke creatie, nl. de Venusberg-bacchanaal van Wagner, moest kenmerken.
Voor die creatie waren de verwachtingen hooggespannen maar ze werden toch ingelost. Ook hier weer droegen twee voordansers (Tatjana Berini en vooral David Krügel) het geheel, dat van een sprankelende zinnelijkheid getuigde. Conclusie : drie op vier. Dat is onderscheiding zeker ?Op 24 maart 1984 had dan de première plaats van « Coppélia », een ballet in twee bedrijven op muziek van Léo Delibes. Léo Delibes werd geboren te St. Germain-du-Val op 21.2.1836 en stierf te Parijs op 16.1.1891. De voornaamste kenmerken van zijn muziek zijn een gracieuze melodie, pittige ritmes en een intelligente en gevoelige orkestratie.
« Coppélia » is een ballet voor jong en oud. Het is één van de eerste, zoniet het eerste ballet, dat gebaseerd is op het thema van een pop, die tot leven komt. Het scenario combineert twee verhalen : dat van de liefde tussen Swanhilda en Franz en dat van de poppenmaker Dr. Coppelius wiens grootste wens het is een pop te maken met een ziel. Heel het verhaal wordt uitgebeeld in een kleurrijk en vrolijk ballet met een vlugge en afwisselende actie.
Wij vonden de choreografie van Hans Brenaa weinig inventief, zodat het geheel wel kleurrijk was doch weinig boeiend. Het Ballet van Vlaanderen en het stedelijke instituut voor ballet waren de uitvoerenden. Zowel de groep als de solisten vonden we technisch niet zo geslaagd. We misten een « professional touch ».
Het orkest o.l.v. Ernest Maes was meestal wel klankzuiver. De partituur van Delibes is mooi. Gezien de uitvoering waren we beter thuis gebleven om de muziek te beluisteren op onze stereo-installatie !
Hetzelfde kan je min of meer zeggen van de « Carmina Burana », nochtans een ophefmakende creatie van het Ballet van Vlaanderen. Wie de « Carmina » nog durft aanpakken na de meesterlijke verfilming van Jean-Pierre Ponnelle voor de Bayerische Rundfunk met grote namen als Hermann Prey en Lucia Popp in de voornaamste rollen, die krijgt echter geen gemakkelijke taak. En naast het feit dat het B.V.V. hier weer met banden werkt (uit financieel oogpunt begrijpelijk, maar artistiek minder interessant) moeten we nog aanstippen dat de gebruikte versie niet de beste is die we tot nu toe hebben gehoord en bovendien staat ze (zoals altijd) veel te stil zodat het geschuifel van voeten en het gekraak van ledematen storend werken. Bovendien is de opbouw van een B.V.V.-productie steeds zeer stereotiep (cirkelbeweging; telkens op en af, nooit eens gebruik maken van lichteffecten om een scheiding tussen twee onderdelen aan te geven enz.) en deze reeds van 1959 daterende choreografie van John Butler maakt daar geen uitzondering op.
Neen, dan hebben we meer genoten van de herneming van « Masque of Separation » met de verrassende muziek van Burt Alcantara en een iets minder traditionele choreografie van Robert Cohan. Het openingsstuk, « Concert Champêtre » (muziek: François Poulenc; choreografie: André Leclair), leek ons ook wel wat, maar helaas hebben we daarvan niet ten volle kunnen genieten omdat men in de Gentse opera nog tot bijna een half uur nadat de uitvoering is begonnen nog steeds mensen binnenlaat en die willen dan op de koop toe ook nog per se op hun plaats midden in de rijen gaan zitten. Over minachting voor de artistieke prestatie gesproken !

Referentie
Ronny De Schepper, Geef ons nog zo’n Bacchanalen!, De Rode Vaan nr.41 van 1983
P.T. & R.D.S., Stroef ballet, De Rode Vaan nr.15 van 1984

(*) Vijf jaar geleden kwam er een reactie van Beatrice Leonard Lomami, die naar eigen zeggen contact met hem had verloren in Antwerpen in 1987. Aangezien daarop nog steeds geen reactie is gekomen en ik graag mensen (terug) bij elkaar breng, geef ik nogmaals het mailadres waarop men haar kan contacteren: mediconsults@yahoo.fr

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.