De Lokerse striptekenaar Willy Linthout mocht in 2009 uit de handen van Bert “dit is geen topsport” Anciaux de Vlaamse Cultuurprijs in de categorie strip ontvangen. Echter niet voor zijn Urbanus-strips, die een jaar eerder nochtans hun 25ste verjaardag vierden (hiervoor kreegt hij op het einde van dat jaar wel de Bronzen Adhemar), maar wel voor “Het jaar van de olifant”, een stripreeks waarin Willy de zelfmoord van zijn zoon poogt te verwerken. Aan Line Callebaut van de Gazet van Antwerpen verklaarde hij: “Ik heb het in de eerste plaats voor mezelf gedaan. Mijn enige zoon benam zich van het leven toen hij pas 21 jaar oud was. Het stemt me gelukkig dat veel mensen er iets aan schijnen te hebben. De boekjes zijn niet zwaarmoedig, maar mensen zijn eindelijk in staat er opnieuw over te praten, en dat is belangrijk. Het verdriet opkroppen haalt niets uit.”
De reeks wordt nu al in verscheidene talen vertaald. “Ik ben er blij om, maar ik wil er eigenlijk helemaal niks aan verdienen. De culturele geldprijs van 12.500 euro schenk ik sowieso aan een tehuis in Katmandu.”

Toen De Rode Vaan in 1981 naar de Lemonnierlaan verhuisde, kwamen we in een pand terecht waaraan ook een winkelruimte was gekoppeld. We besloten die dan ook te benutten door er een boekenwinkeltje in te vestigen, uiteraard voornamelijk gespecialiseerd in politieke werken. Ik hoef u niet te zeggen, zeker, dat er niet bepaald een stormloop op volgde?
Om de een of de andere reden waren wij er echter wel als de kippen bij toen de eerste Urbanus-strips in 1983 op de markt kwamen. En dié hadden wél succes, zelfs in hartje Brussel.
Al is Urbanus zelf een fervent tekenaar, toch is niet hij maar Willy Linthout het brein achter deze reeks. In het vijfde nummer van 1985 haalde ik de tekenaar dan ook aan het lijntje in onze gelijknamige rubriek. Nu men volop aanstalten maakt om de 25ste verjaardag van de Urbanus-strips te vieren, is dit een uitstekend moment om dat vraaggesprek nogmaals af te drukken.
Na de felicitaties voor het draaiende houden van ons zakencijfer, was mijn eerste vraag: hoe komt een deftige Lokerse jongeman ertoe om in de huis van een Pajottenlandse komiek te kruipen?
Willy Linthout: Ik was reeds lang op zoek om een strip te beginnen, maar als je een eigen figuurtje moet lanceren vanuit het niets, dan duurt dat tien jaar. Dat is doodgewoon een vaststaand feit, kijk naar Jommeke, Nero, enfin eender welk stripverhaal, het mag nog zo goed zijn. Aangezien ik steeds een grote fan van Urbanus ben geweest, heb ik toen dat plan opgevat, omdat ik er zeker van was dat ik zijn humor goed kon aanvoelen. Vervolgens heb ik gewoon een paar platen getekend en die opgestuurd, waarna wij even zijn samengekomen en het onmiddellijk klikte. Aangezien Urbanus zelf ook tekent, steekt hij hier en daar wel een handje toe, bijvoorbeeld bij het ontwerpen van een personage of bij het schrijven van een scenario. Om helemaal zelf een stripverhaal te tekenen heeft hij echter de tijd niet.
– Het zou mij inderdaad verwonderen dat een figuur als Urbanus u zomaar ongemoeid zou laten, maar als ik het goed begrijp, kan men wel degelijk stellen dat het een product van u is, waaraan hij een paar wijzigingen aanbrengt?
Willy Linthout:
Neenee, de samenwerking is méér dan dat! Eigenlijk zijn we tenminste één keer in de week daar een ganse dag samen mee bezig, zodat het tot in de details een product van ons beiden is. Het scenario schrijven, dat is werkelijk samen aan de tafel zitten en verhaaltjes verzinnen. De ene heeft een idee, de andere speelt daarop in, het is een echte wisselwerking. De eerste twee verhalen, “Het frietkotmysterie” en “De hittentitten zien het niet meer zitten” heb ik wel volledig zelf gemaakt. Ik heb de indruk dat Urbanus eerst een beetje de kat uit de boom heeft gekeken, maar er dan toch uiteindelijk zin in heeft gekregen en is beginnen meewerken, at ertoe geleid heeft dat ze mijns inziens fel verbeterd zijn.
– Ze lijken me absurder geworden, zo af en toe wat naar de Kamagurka-stijl op?
Willy Linthout:
In de laatste (op dat moment natuurlijk, RDS), “De Pretparkprutsers”, heb je dat toch niet, vind ik. Maar u dacht misschien aan “Urbanus op Uranus”?
– Inderdaad.
Willy Linthout:
Het hangt natuurlijk een beetje van het verhaal af. Degene die ik nu aan het maken ben, “Urbanus tegen de Dikkenekken”, die heeft het bijvoorbeeld totaal niet. Die kun je meer vergelijken met een ouwe Nero van vóór twintig jaar.
– De naam is gevallen: u heeft inderdaad blijkbaar een grote bewondering voor Marc Sleen en opvallens is verder nog dat uw tekenstijl me ook doet denken aan de oude stijl van Willy Vandersteen. Zou men in die optiek kunnen spreken van een “Vlaamse” stijl? Of vindt u dat beledigend?
Willy Linthout (lacht):
Absoluut niet! Integendeel, die ouwe Suskes en Wiskes en Nero’s vind ik persoonlijk de beste. Ik vind het dus een eer als ik daarmee word vergeleken. Het is trouwens mijn bedoeling, hé, dat blijkt bijvoorbeeld ook uit de manier van drukken met dat blauw en dat bruin (ik was het al helemaal vergeten, maar de eerste Urbanus-strips waren blijkbaar nog niet in kleur, RDS). Nostalgie met andere woorden. Ik ben overigens al tien jaar stripverzamelaar, vooral van strips die dertig, veertig jaar oud zijn, dat heeft er dus allemaal wel iets mee te maken.
– U stipt het zelf al aan: strips is een zaak van volwassenen geworden, zowel wat verzamelen als wat lezen betreft. Anderzijds kan men ook bij de humor van Urbanus zelf vaststellen dat die zich vooral richt tot volwassenen, maar dat hij ook bij de kinderen blijkbaar aantikt. Hoe zit dat dan met de Urbanus-strips? Zijn die voor volwassenen of voor kinderen bedoeld?
Willy Linthout:
Oorspronkelijk dacht ik vooral respons te krijgen van volwassenen, maar als ik op een beurs zit of zo, dan blijken daar wel heel veel kinderen op af te komen. Waarschijnlijk snappen ze er maar de helft van, maar ik geloof toch dat het succes groter is bij de kinderen dan bij de volwassenen. Dat ondervindt u misschien ook wel in uw winkel?
Niet echt natuurlijk, aangezien in hartje Brussel het vrijwel uitsluitend pendelaars waren die deze strips kochten. En dan weten we niet of ze nu voor zichzelf of voor hun kinderen bedoeld waren. Wellicht deden ze net als ik: na ze eerst zelf gelezen te hebben, gaven ze ze aan hun koters!

Referentie
Stefan Laenen, Komiek viert zijn 150ste album: “Vroeger was ik de schrik van pedagogen, nu lijk ik er zelf één”, Gazet van Antwerpen, 10 oktober 2012

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.