Van 31 maart tot 23 april 1988 had in het Brusselse Sheratonhotel het SWIFT-schaaktornooi plaatst, dat dat jaar meteen ook de openingswedstrijd vormde voor de wereldbeker die nadien nog in vijf andere landen zou worden betwist.

Geen wonder dan ook dat, op uitzondering van wereldkampioen Gary Kasparov, heel de wereldtop aanwezig was (Karpov, Kortsjnoi, de Nederlander Jan Timman, enz.). Als gast mocht ook de Belgische speler Luc Winants aan het tornooi deelnemen, evenwel zonder in aanmerking te komen voor het klassement. De tweede speler van de Belgische hiërarchie, Michel Jadoul, verzorgde sedert begin 1988 een wekelijkse schaakrubriek bij « Le Drapeau Rouge ». Ter introductie had onze Franstalige collega Jean File dan ook een gesprekje met hem. Wij luisterden even mee…
— Hoe ben je eigenlijk schaakspeler geworden ?
Michel Jadoul:
Oorspronkelijk speelde ik uitsluitend voetbal. Op zestienjarige leeftijd liep ik echter een kniekwetsuur op en sedertdien ben ik me voor het schaken beginnen te interesseren.
— Zestien jaar… Dat is vrij laat…
M.J.:
Te laat om ooit nog wereldkampioen te worden, dat is waar, maar niet om tot een goede speler uit te groeien. Dat kan je op elke leeftijd. Denk maar aan Tsjigorine, die is pas goed beginnen spelen toen hij reeds de dertig gepasseerd was en toch heeft hij het bijna nog tot wereldkampioen gebracht.
— Ben je onmiddellijk in competitieverband opgetreden ?
M.J.:
Zeker niet. In het begin speelde ik enkel met een vriend. Keer op keer moest ik echter de duimen leggen en toen dit mijn keel begon uitte hangen, verklapte mijn vriend me dat hij schaakliteratuur doornam. Dat ben ik dan ook beginnen doen en op die manier maakte ik zoveel vorderingen dat ik op een tornooi werd opgemerkt door een club. Dat was echter al tegen de tijd dat ik mijn universitaire studies aanvatte en mijn spel stagneerde opnieuw. Het is pas daarna dat ik echt ben doorgebroken.
– Hoezo ?
M.J.:
Welja, het is niet leuk om te zeggen, maar dat kwam dankzij de twee jaar werkloosheid die ik na mijn studies heb doorgemaakt. Toen kon ik mij immers volop op mijn sport concentreren en heb ik het tot internationaal meester gebracht. Datzelfde werkloosheidsfenomeen heeft er zelfs toe geleid dat Groot-Brittannië op tien jaar tijd van de twintigste plaats op de internationale ranglijst naar de derde is opgeschoven.
— Hoe staat het op dat gebied met België ?
M.J.:
Lamentabel. Let op, ik wil hiermee niet met één pennetrek zestig jaar werking van de schaakfederatie schrappen, maar toch… De mogelijkheden worden niet voldoende uitgebuit. Kijk, mijns inziens is schaken 50% intelligentie en 50% creativiteit. Nu geef toe, wat dat laatste betreft zou België vooraan moeten staan : een staat vormen zonder eigenlijk een land te zijn, dat is toch geniaal ? Toch zijn er op dit moment maar drie spelers die op het punt staan grootmeester te worden (naast Winants en Jadoul is er nog Dutreeuw, red.), terwijl Nederland wel twintig grote spelers heeft…
— En volgens Botvinik, de « mentor » van Kasparov, moet het heil ook al niet van de vrouwen worden verwacht…
M.J.:
Opvattingen als die van Botvinik over de « biologische » superioriteit van de mannen op intellectueel vlak zijn totaal achterhaald. Eigenlijk is dat erger dan racisme. Maar anderzijds kan men niet om bepaalde vaststellingen heen. Het is echter geen biologisch, maar een cultureel probleem. Er zijn nog altijd twintig maal meer mannen dan vrouwen die schaak spelen. Bovendien laat men vrouwen meestal tegen elkaar spelen. Op die manier is er uiteraard geen enkele vooruitgang mogelijk. Vrouwen zouden tegen mannen in het strijdperk moeten treden.
— En tegen een schaakcomputer?
M.J.:
Tot op een bepaalde hoogte ben ik daar voorstander van, ja. Vooral om te leren schaken is het een uitstekend hulpmiddel. Wat ontbreekt is natuurlijk de psychologische component en daarom is de computer voorlopig maar tot op een bepaald niveau een waardige sparring-partner. Wat niet wegneemt dat het de toekomst van het schaken is, ook voor meesters en grootmeesters.
— Met als uiteindelijk doel: de onklopbare machine… ?
M.J.:
Ik geloof daarin, ja. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat de mens alle wedstrijden zal verliezen, er zullen ook veel « remises » bij zijn.
De mens zal één wedstrijd echter altijd blijven verliezen. Tenzij Dr.Lecompte zijn zin krijgt natuurlijk. Dan wordt er ook hier « remise » gespeeld…

Referentie
Jan Draad, Michel Jadoul aan het lijntje, De Rode Vaan nr.14 van 1988

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s