Emiel (maar iedereen noemde hem Mieleke) Janssens van de Gazet van Antwerpen was één van de beste vrienden van Lode De Pooter. Kort nadat we allemaal samen nog naar een stuiptrekkende Sovjetunie waren geweest (zie bovenstaande foto, Mieleke staat ongeveer in het centrum) stierven beiden bijna op hetzelfde ogenblik.

17 mieleke janssensKort daarvoor had Johan de Belie nog een recensie geschreven over zijn eerste roman, “De omheining”.
Een debuut van een 68-jarige; op zich reeds merkwaardig. Des te bevreemdender wanneer je weet dat de auteur van de roman « De omheining » zijn hele leven de pen hanteerde als journalist bij een grote Antwerpse krant en 25 jaar voorzitter was van de Vlaamse Televisie- en Radiopers. Na het lezen van het document wordt één en ander wel duidelijk. Emiel Janssens schreef hier een autobiografisch verhaal waarin hij niet alleen zichzelf erg blootgeeft, maar ook het milieu waaruit hij kwam en waarin hij leefde een niet zo gunstige achtergrond meegeeft. Want al weet hij sterk te relativeren, toch komen de frustraties van het hoofdpersonage Hugo, een boerenzoon uit de Kempen die te slim bleek voor het boerenbedrijf, voor rekening van opvoeding en katholieke achtergrond en hypocrisie van het werkmilieu. Sans rancune, lijkt het. Maar die rancune bouw je als lezer onvermijdelijk toch wel in. Mag Janssens het relativeren, de lezer heeft het daar mogelijk toch minder makkelijk mee.
Hugo komt in het vooruitzicht klaargestoomd te moeten worden voor het priesterschap terecht in een klooster in Wallonië. Met de « publieke zondaars, de Maria Magdalena’s » sympathiseert hij: « Geen enkele omheining is sterk genoeg om hen te beletten uit te breken! » (20). Een verzuchting van iemand die zich niet thuis weet in leven van orde en onthouding van lichamelijk genot. En het begin van een strijd die het beeld van de omheining doorheen de hele roman zal opdringen. Om symbolisch te resulteren in de intrede van een jeugdvriendin bij een kloosterorde die haar, die juist uit een « leven van verderf » komt, achter de tralies zal houden.
In het klooster blijft het beeld van zijn vriendinnetje Eda hem door het hoofd spoken. En de verwarrende aanwezigheid van de boerendochter Christiane die later nog in zijn leven zal opduiken, doet hem besluiten het klooster vaarwel te zeggen. De kiem van het schuldgevoel (niet te voldoen aan religieuze normen, tekortkoming t.o.v. ouders) dat Hugo’s hele leven zal overheersen wordt hier gelegd. Terug in het geboortedorp dient hij, zich schuldig voelend tegenover de hele gemeenschap, falend in hun verwachtingen, de afspraakjes met Eda stiekem te organiseren. « Hij voelt zich weer de renegaat, de afvallige » (39).
DE OPGEJAAGDE AHASVERUS
In bondige, journalistieke stijl waarbij zelfs filosofieën geen uitweiding maar een registratie worden, verhaalt Emiel Janssens over zijn debuut bij de Antwerpse krant. En hoe hij van alles en iedereen geïsoleerd blijft. In wezen wéér eenzaam in een druk schijnwereldje van journalisten, in een wereldstad waarin eenzaamheid contrasteert met de uitbundigheid van de losse contacten. « Het is als bevindt hij zich achter een omheining. En heeft hij die omheining misschien zelf opgetrokken ? Door zijn voortdurend gepreek over goed en kwaad ? Door zijn angst en zijn twijfels ? Maar leven niet alle mensen achter omheiningen ? Omheiningen door mensenhanden gemaakt. Er zijn er in het klooster, in de krant, in zijn dorp… « Breek uit… Maak ze kapot! Leef! Leef! » roept hij. Maar enkel de wind geeft antwoord op zijn kreet » (81). En even later zegt hij: « De meeuw Jonathan zit nog steeds op de omheining, klaar om weg te vliegen, maar waarheen ? Waarheen ? » (83).
Het beeld van de meeuw Jonathan (Livingstone Seagull) begeleidt Hugo doorheen zijn leven. De meeuw heeft de vrijheid die hijzelf in werkelijkheid en innerlijk moet missen. « Hugo houdt van Jonathan omdat hij een contestant is, op zoek naar volmaaktheid » (11). Jonathan is het « symbool van de zware weg die hij wilde gaan, maar die hij nu voorgoed heeft verlaten » en meteen staat de meeuw tegenover het beeld van de torenkauw die Hugo kortwiekte en temde. Hij ziet meeuwen die om voedsel vechten : « …en toch is er genoeg. Maar iets dat je gemakkelijk kunt krijgen, daar hecht je geen belang aan. En Jonathan is er niet bij… ».
Hijzelf is als de bende meeuwen : hij liet Eda gaan, ze stierf. Hij is één der ordinaire meeuwen, niet Jonathan. En wanneer hij met Adelfin, het hoertje, slaapt is de boodschap duidelijk « geen meeuw krijst ». Na een eerdere seksuele ervaring sloop hij uit de kamer weg, doolde door Antwerpen als « een opgejaagde Ahasverus » terwijl hij meent in de verte het gekrijs van de meeuwen te horen.
REACTIONAIR KATHOLIEK
Het drama van Hugo’s leven dat is de botsing tussen zijn behoefte aan genegenheid en de ingepompte ideeën over seksualiteit. Een traumatisch gemis dat hem gaat domineren is daarvan het gevolg. Hij slaagt er niet in genegenheid en seksualiteit over elkaar te schuiven tot één beeld. Na een prostituéebezoek vlucht hij. Hij slaapt naakt met een vriendin zonder lichamelijke reactie, wanneer ze weg is komt het orgasme plots.
« Schijnheiligheid is hem met zijn religieuze opvoeding ingeprent » (91). En het milieu waarin Hugo beroepshalve terechtkomt zal het hem niet eenvoudiger maken. Hij wil zich losmaken van de opgestapelde complexen en de hem omringende hypocrisie. De omgeving, het reactionaire katholieke bewind van de krant, vooral in de eerste naoorlogse jaren maar, na een korte periode van openheid, ook daarna weer strikter, dwingen hem in een keurslijf dat hem steeds meer benauwt. Collega’s wantrouwen elkaar, het systeem van zelfcensuur functioneert vlekkeloos. « Hugo kan goed zijn draai vinden op de krant, al ergert hij zich bijna dagelijks aan het conservatisme dat blijkbaar mee is ingemetseld toen het gebouw werd opgetrokken. De krant volgt een strakke lijn, een onzichtbare draad die vertrekt van op de hoge torenspits van de Lievevrouwkerk naar het dak van het grote huis waar hij werkt. Ook stuit hem de hypocrisie van velen tegen de borst. In schijn lopen ze braafjes mee met de kudde, maar eens de brede weg verlaten, leiden ze een wulps en immoreel bestaan ».
Wat Hugo op dat ogenblik als « wulps en immoreel » benoemt is de later geroemde vrijheid. Wat hij vooral ontmaskert, is de schijnheiligheid, het dubbelzinnige van de normen. Hij vervolgt: « Wat hem nog het meest grieft is de intolerantie van de katholieken uit die tijd; het zijn mensen die blijkbaar nooit van pluralisme hebben gehoord… Die onverdraagzaamheid is tot in de muren van het gebouw gekropen » (54).
Emiel Janssens laat zich vaak weinig vleiend uit over de « grote Antwerpse krant ». « Vaak ergert hij zich aan de politiek die de krant voert en allesbehalve consequent is. Ze verkondigt een deftige levenshouding maar doet in de praktijk net andersom… Zelfs in de dagelijkse verslaggeving worden sommige manifestaties genegeerd en nieuwe stromingen de kop ingedrukt, zowel op ethisch als politiek gebied » (91). Scherper kan je een kritiek nauwelijks formuleren! Hoe ver de oogkleppenmentaliteit wel ging blijkt uit het feit dat Hugo ieder jaar aan het bisdom dispensatie moest vragen om een socialistische krant, verboden lectuur dus, te mogen lezen !
Met « De omheining; een verhaal uit de tijd dat de zonde nog bestond » (Berghmans, Antwerpen, 1988; 124 blz., 250 fr.) schreef Emiel Janssens een documentair relaas over het leven in naoorlogs Antwerpen en over zijn grote krant, met de accuratesse van een goed journalist. Meteen schreef hij een prangende roman over gewetensconflicten die enkel kunnen voortkomen uit conflicten tussen schijnwaarden en oprechte behoeften.
82 emiel janssensAAN HET LIJNTJE
Enkele jaren daarvóór had ik Miel (die zoals alle mensen die je echt sympathiek vindt altijd met zijn verkleinnaam werd aangesproken) nog geïnterviewd voor de rubriek “Aan het lijntje” van De Rode Vaan, wat je hieronder kan lezen. Maar veel erger vind ik dat als je de naam Emiel Janssens of Emile Janssens of Miel Janssens intikt op Google dat je dan god en klein Pierke ziet passeren, maar de man zelf lijkt wel in cyberspace verschwunden (als je “Mieleke Janssens” intikt, vind je zelfs helemaal niets). Een heel leven lang gazettenpapier volschrijven en dan als je dood bent volkomen vergeten geraken, ik geef het toe, het is mijn ergste nachtmerrie!
In 1986 had de Vereniging van de Vlaamse TV- en Radiopers haar tweejaarlijkse verkenning van het Nederlandse medialandschap afgewerkt. Daarbij bewees « De Brakke Grond » nog eens « goede diensten », zoals dat dan heet (al had men anders wel een ander etablissement gevonden, dat minder miljoenen van de Vlaamse gemeenschap verslindt), aangezien de gelegenheid werd aangegrepen om er hulde te brengen aan Emiel Janssens, redacteur van de « Gazet van Antwerpen » die onlangs de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, nadat hij zich 25 jaar voorde Vereniging heeft ingezet. Terecht werd hij hiervoor in de bloemetjes gezet door de kersverse voorzitter Roland Rentmeesters (TV-Express) en tal van andere sprekers. Wij sloten ons discreet bij deze hulde aan door hem ’s morgens op zijn hotelkamer uit bed te bellen. Als je goed luistert, hoor je op de achtergrond een kater miauwen…
— De Vereniging van de Vlaamse TV-en Radiopers werd in 1960 opgericht, maar daar zal wel wat geschiedenis aan vooraf zijn gegaan ?
Emiel Janssens :
Ik ben zo oud als de televisie. Daarmee bedoel ik : net als de omroep ben ik in 1953 met TV-kritiek begonnen. Ik kende iets van televisie, vooral omdat ik een week naar de BBC was geweest. De eerste medewerking bestond eigenlijk uit niets méér dan programma’s geven. Maar zelfs dat was toen reeds een hele opdracht, want « Radioweek » bestond toen nog en de omroep wilde dat dus allemaal voor zich houden. O.m. ook door de komst van « Humo » is dat monopolie dan doorbroken. De eerste fundamenten van de Vereniging werden echter gelegd in 1957. Ook dan was dat nog een beetje als reactie tegen het toenmalige NIR, omdat vooral de weekbladen zelfs toen nog altijd slechts met mondjesmaat informatie en fotomateriaal kregen doorgespeeld. Dat was geen kwaaie wil van de omroep, maar men zag daar gewoon het nut niet van in.
— Daar is dan wel vlug verandering in gekomen, want als ik even diep in mijn geheugen spit, dan herinner ik me dat ongeveer tot halfweg de jaren zestig de relatie tussen pers en omroep plotseling heel passioneel werd. In zoverre zelfs dat perslui de vaste dienst uitmaakten in panels en jury’s e.d.
E.J. :
Zeker. Eens de eerste stap was gezet, kwam de omroep zeer vlug naar ons toe en was er een wisselwerking in de meest vriendschappelijke sfeer. Zoals het nu nog is trouwens.
— Dat zal wel. Zelfs in die mate dat een aantal Nederlandse confraters niet konden nalaten daarop te wijzen bij uw huldiging. « Wij moeten in jullie ogen wel veel bokkiger overkomen », zo luidde het. Maar ook Vlaanderen heeft nadien toch kwajongens voortgebracht ?
E.J. :
Dat wil ik gaarne toegeven : wij, van de oudere generatie, waren te braaf. Maar toch — en dat bewijst juist het nut van de Vereniging — konden die jongeren op onze steun rekenen. Er was dus helemaal geen sprake van concurrentie, wij gaven hun met plezier alle informatie en tips om eraan te geraken. En ook dat is nu nog steeds het geval, want ondertussen is er alweer een nieuwe generatie opgedoken. Wij zijn inderdaad vooral een « club » — want syndicalistisch betekent onze Vereniging niets — die elkaar iedere woensdag ontmoet op de persvisies. Wat overigens een verworvenheid van onze strijd is, want oorspronkelijk bestond dat alleen maar voor gelegenheidsprogramma’s. Wij wilden dat dit voor iedere uitzending zou gebeuren en in weerwil van de Raad van Beheer hebben we dat na een paar jaar kunnen doordrukken.
— U zei het al : er staat ondertussen alweer een nieuwe generatie klaar. Ik heb ook die indruk en meer bepaald vind ik dat deze wel erg flirt met de commercialisering van het medium…
E.J. :
Dat is inderdaad een zeer groot gevaar dat in de nabije toekomst — ik schat binnen anderhalf jaar — aan de realiteit zal kunnen worden getoetst (*). Dat proces is trouwens ook versneld met het openstellen van de kabel. Tot midden de jaren zeventig hadden alle bladen b.v. elke dag een kritiek. Door het overweldigende aanbod is dat stilletjesaan weggevallen en in de plaats daarvan lijkt men een beetje de publicitaire toer op te gaan. En eens de commerciële televisie een feit zal zijn wordt dit dubbel gevaarlijk. In dat commerciële circuit zullen de ethische waarden — van welke filosofie ook — immers totaal verdwijnen. En daar huiver ik voor.
En wij dan ! Vooral als we zien dat het eerste programmapunt van de Vereniging in 1960 was : Nederlandstalige onderschriften op de RTBf. Op dat punt staan we alvast geen stap verder. De vraag is dan ook of men met vriendschap alleen de verloedering van de televisiekritiek zal kunnen tegengaan…
Na publicatie kreeg ik van Miel volgend lief briefje:
00
Van die viering van Lode De Pooter kan ik me niet veel meer herinneren. Misschien heeft ze zelfs niet plaats gevonden, tenslotte zijn zowel Lode als Miel niet zo heel lang na dit stukje overleden. Miel zelf heeft blijkbaar wel nog een tweede maal afscheid kunnen nemen, want ik vond ook nog dit ongedateerd en niet ondertekend stukje uit een Nederlands televisieblad:
Het was Emiel Janssens niet aan te zien, dat er bij een eerdere gelegenheid ook al afscheid van hem genomen was. Dit bleek achteraf op een slordige datumfout te berusten, zodat er alle reden was om het nog eens dubbel op dunnetjes over te doen. Hij kijkt niet op een afscheidje meer of minder. Zodoende vloeiden hem opnieuw rijkelijk geschenken toe, waarmee hij zelf ook gul was ten overstaan van de mensen met wie hij altijd te maken had. Niemand hoefde wat hem betreft zwaar aan zijn vrijgevigheid te tillen, omdat hij aan al wat hij weggaf zei goedkoop te hebben kunnen komen.
Over hem doen de nodige anekdotes de ronde. Een Nederlandse persvrouw (**) belde hem bij een bezoek aan Antwerpen op met de vraag in welk restaurant zij voor een goede hap terecht kon. Zulks neemt Emiel niet licht op, een gewetenszaak. Hij beloofde binnen het uur terug te zullen bellen. In die tijd tastte hij alle Antwerpse gelegenheden ter versiering van de innerlijke mens op zijn merites af. Een uur later belde hij terug met de naam van het meest kleurrijke etablissement met de meest billijke prijs en de smakelijkste hap.
Hij moest eens naar een persconferentie van een Nederlandse omroep, ergens in Nederland in een kasteel terwille van de lokale kleur van het betrokken tv-spel. Emiel kon het nergens vinden. Tenslotte zakte hij neer op een terras in de buurt. In afwachting van Emiel – men wenste niet zonder hem te beginnen – werd hij op dat terras ontdekt. Toen nodigde hij allen uit zich bij hem te voegen, net als hij achter een glas. Nadat allen een pint hadden gevat, begon de persconferentie alsnog een uur later.
Wie hem opvolgen bij de Gazet en in zijn functie bij de Vlaams/Nederlandse tv-journalisten geven toe hem nimmer te zullen kunnen evenaren in woord en gebaar en levenslust. Daarom zal Emiel gaan souffleren in zijn nieuwe rol als erevoorzitter. Want hij blijft naar Hilversum komen.

Referenties
Jan Draad, Emiel Janssens aan het lijntje, De Rode Vaan nr.25 van 1986
Johan de Belie, Tussen mystiek en aardse geneugte, De Rode Vaan nr.17 van 1988

(*) Miel geeft hier natuurlijk een hint naar de op til zijnde lancering van wat uiteindelijk VTM zal worden.
(**) Ik ben er praktisch zeker van dat hiermee Everdina Van De Riet (foto) wordt bedoeld. Als ik me vergis, moet men mij maar tegenspreken…
14 everdina van de riet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.