Tien jaar geleden is de Britse filmregisseur Anthony Minghella op 54-jarige leeftijd overleden in het Londense Charing Cross Hospital. Minghella ging er binnen voor een routine operatie in zijn nek (*), maar kreeg na de operatie een fatale hersenbloeding (IMDb). Hij laat een vrouw en twee kinderen na.

Zijn eerste werk (1975) was een toneelversie van Mobius the Stripper van Gabriel Josipovici. Toch duurde het tot de publicatie van zijn stuk Whale Music in 1985 voor zijn carrière echt van de grond kwam. Zijn debuut als regisseur maakte hij met de stukken Play en Happy Days van Samuel Beckett. In de jaren 80 werkte hij voor de televisie, eerst als runner voor de serie Magpie, vervolgens als tekstschrijver voor de kinderseries Grange Hill en The Storyteller. Hij werkte ook mee aan afleveringen van Inspector Morse. Als filmregisseur debuteerde hij in 1990 met Truly Madly Deeply, maar hij brak vooral door in 1996 met The English Patient. In 1999 was er The Talented Mr.Ripley, waarvoor hij samenwerkte met componist Gabriel Yared.
Enkele jaren geleden was Gabriel Yared persoonlijk aanwezig tijdens het Gentse filmfestival. In de Rode Pomp kwam hij toen tekst en uitleg geven bij zijn samenwerking met de Canadese regisseur Jean-Jacques Annaud. Deze laatste was trouwens ook aanwezig en ontpopte zich als een geboren verteller.
Geboren in Beiroet (Libanon), was Gabriel Yared een volledige autodidact op het vlak van muziek, tot hij naar Frankrijk trok om er lessen te gaan volgen bij Henri Dutilleux. Daarna kon hij aan de slag als arrangeur voor mensen als Charles Aznavour, Enrico Macias, Mireille Mathieu, Johnny Hallyday en ook Françoise Hardy. Toen haar echtgenoot Jacques Dutronc in 1974 werd gevraagd voor “Sauve qui peut la vie” van Jean-Luc Godard, suggereerde deze dan ook Yared als componist voor de filmmuziek. Ondertussen heeft hij reeds 53 films op zijn palmares, waaronder “La lune dans le caniveau”, “37°2 le matin”, “Camille Claudel” en “L’amant”, deze laatste precies van Jean-Jacques Annaud, die hem in contact bracht met Hollywood. Daar veroverde hij al meteen een oscar voor “The English Patient” en verder werkte hij nog aan “The Talented Mr.Ripley”, “City of Angels”, “Message in a bottle” en “Autumn In New York”. Met Annaud werkte hij ook nog aan “Wings of Courage”.
RUZIE
Alhoewel ze nu in de Rode Pomp weer vredig naast elkaar zitten, deed Jean-Jacques Annaud voor “Seven days in Tibet” toch een beroep op John Williams. Waarom, wou iemand uit de zaal weten. Annaud wond er geen doekjes om: “Omdat we ruzie hadden.”
“Ik zou toch niet de geschikte persoon geweest zijn voor die film,”
voegde Yared er vergoelijkend aan toe. “In tegenstelling tot bijvoorbeeld een Federico Fellini, wiens films altijd dezelfde sfeer uitademen, zodat hij steeds een beroep kon doen op Nino Rota, maakt Jean-Jacques telkens heel verschillende films, die beter gediend worden door verschillende componisten.”
Meteen was dat voor Annaud de aanleiding om de zeer precaire verhouding tussen regisseur en componist te verduidelijken. “De componist is de eerste die het volledige product, zij het in onafgewerkte staat – met name dus het ontbreken van de muziek – te zien krijgt. Dat is iets wat ik niet zou kunnen,” gaf Annaud ootmoedig toe. “Ik heb reeds films van collega’s in die staat gezien en ik vind dat een vreselijke ervaring.”
Anderzijds is de grootste nachtmerrie van Annaud (en van elke regisseur scheen hij te impliceren) de confrontatie met dat grote orkest. “Een subtiel thema gespeeld op een piano kan helemaal verknald worden door over-orkestratie.”
Annaud gaf wel toe dat hij een Pietje Precies is. Als hij kon, hij zou het allemaal zelf doen. “Drie mensen hebben een film in handen,” zei hij. “De schrijver, de regisseur en de componist.” Schrijven kan hij zelf ook, maar componeren… Daarom overstelpt hij de componist met informatie. Zo kreeg Gabriel Yared voor “L’amant” niet enkel een boel informatie over de Chinese muziek uit de jaren dertig over zich heen, maar ook alle foxtrots die destijds populair waren.
Daar bleek Yared niet om te malen, zo zei hij zelf. Die zijn frustratie was eerder dat een thema dat op één-twee-drie ineengeknutseld is, vaak op veel meer sympathie kan rekenen dan een compositie waarop hij dagenlang heeft zitten wroeten.
TEMP MUSIC
Waar beiden het dan weer roerend over eens waren, is de almacht van de zogenaamde Temp Music of Temp Track, afkorting voor temporary track, dus een tijdelijke soundtrack. Dit procédé bestaat erin dat regisseurs voor bepaalde scènes een muziekfragment kiezen waarvan zij vinden dat het erbij hoort en dan vragen ze aan de componist om iets in hetzelfde genre te schrijven. Maar omdat ze tijdens het draaien die Temp Music zo vaak hebben gehoord, kunnen ze er geen afstand meer van nemen en kan de componist in hun ogen geen enkel valabel werkstuk afleveren. Annaud klopte zich op de borst en gaf zelf als voorbeeld de openingsscène van “The name of the rose”. Hiervoor had hij de “Cantus antiquus” van de hedendaagse Finse componist Rautavaara gebruikt en elk voorstel van filmcomponist James Horner werd afgewezen.
Daarom stellen zowel Annaud als Yared voor om de componist van bij de aanvang bij de productie te betrekken. Op die manier kunnen er reeds demo’s worden opgenomen die tijdens het draaien kunnen worden gebruikt. Een techniek die Sergio Leone en Ennio Morricone reeds in de jaren zestig toepasten.
“Is dat geen verschrikkelijk duur procédé?” was een niet onverstandige vraag uit het publiek. “Neen, tenminste zo lang je je prijs niet opdrijft,” antwoordde Yared met een gevoel voor droge humor. Hij voegde eraan toe dat de prijs voor het componeren van de filmmuziek in Hollywood wordt berekend op een arbeidstijd van twaalf weken (en de toppers beuren dan zo’n half miljoen dollar). Zelf besteedt hij uit eigen beweging tot drie maanden aan een film, zei hij grootmoedig. Het klonk ook indrukwekkend op het moment zelf, maar nu ik erover nadenk is drie maanden eigenlijk niet zo heel veel langer dan twaalf weken…
WALL TO WALL
Een andere nachtmerrie die Annaud en Yared deelden was de huidige mode van de zogenaamde wall-to-wall soundtrack, muziek van het begin tot het einde. Ze waren daar geen voorstander van, omdat de functie van de muziek dan eigenlijk wegvalt. Men hóórt ze niet meer. Soms letterlijk niet, aangezien ze meestal onder luidruchtige actiescènes zit, maar op de duur merkt men ze ook elders niet meer op. “Terwijl stilte nochtans soms de mooiste soundtrack kan zijn,” aldus Annaud. Iets wat ook Yared beaamde. Die ergerde zich vooral aan het feit dat er nu ook altijd plaats dient te worden ingeruimd voor een streepje popmuziek, vooral met de bedoeling dat dit een hit zou worden en op die manier voor extra-publiciteit voor de film zorgen. Yared heeft daar zoals iedere componist een hekel aan, maar als het dan toch moet, laat de maker van de soundtrack het dan asjeblief zelf schrijven, smeekte hij. En we nemen aan dat dit niet enkel omwille van de royalties was…
Omdat alle goede dingen uit drie bestaan, hadden ze ook nog een gezamenlijke afkeer tegenover “het eigen vocabularium” van filmmuziek. Bij die bepaalde scène hoort dat soort muziek. “Dat wordt zelfs zo aangeleerd op school!” riep Gabriel Yared uit. “Hoe deed Max Steiner het? Terwijl ze veel beter Bach zouden bestuderen, dan zouden ze nog iets leren. Filmcomponisten hebben niets uitgevonden, niets!” Al haastte hij zich om eraan toe te voegen dat hij Bernard Herrmann op dezelfde hoogte plaatst als Igor Stravinsky, want tegelijk is hij ervan overtuigd dat filmmuziek een zeer belangrijke functie heeft in de huidige maatschappij. “Het is de brug tussen popmuziek en klassieke muziek.” En Annaud bevestigde: “De kans is heel groot dat filmcomponisten de enige componisten uit de twintigste eeuw zullen zijn die latere generaties nog zullen kennen. De andere eigentijdse componisten verdwijnen wellicht in de anonimiteit.” Yared draagt alvast zijn steentje bij: “Hoe de CD van een film wordt samengesteld, trek ik me niet aan, maar wat ik wel doe is mijn partituren opsturen naar orkesten.”
PUBLICITEITSFILMS
Dat bij een regisseursopleiding er geen vak is voorzien waarbij de impact van de muziek op een film wordt belicht, maakt Jean-Jacques Annaud anderzijds dan weer radeloos. Hijzelf heeft het vak geleerd als reclamefilmer (met Pierre Bachelet, de latere componist van de soundtrack van “Emmanuelle”, als muziekmedewerker) en nu draagt hij zijn kennis op dat vlak over op de jongere generatie, onder andere door die techniek toe te passen. Hoe de reclameboodschap wijzigt, telkens men er een andere soort muziek onder plaatst. Hij maakt trouwens ook nu nog steeds publiciteitsfilmpjes (hij heeft er ondertussen een vijfhonderdtal gedraaid) omdat dat een manier is om nieuwe medewerkers uit te testen. “Ook componisten!” voegde hij er stellig aan toe.
Als lid van de Academy (je weet wel: die van de oscars) krijgt Annaud van overal soundtracks toegestuurd. “Een deel ervan gaat meteen de vuilnismand in,” geeft hij eerlijk toe. De rest speelt hij “blind” (dus zonder te weten van wie de muziek is) in de wagen of bij huishoudelijke klusjes en als er dan één op de vijf is, waarbij hij toch even de oren spitst en zich afvraagt wie dat wel mag hebben geschreven, is hij al heel blij. Daarom vindt hij dat componisten (en ook andere mensen die het in de filmwereld willen maken) niet mogen neerkijken op publiciteitsfilmpjes. “Vergeet niet dat negen films op tien grandioos floppen, terwijl iedereen wel die reclamefilmpjes te zien krijgt!” (Zie ook John Powell en Hans Zimmer in “Moving Music”, respectievelijk p.48 en p.56)
Toch vormen componisten “de culturele elite van Hollywood” zoals Jean-Jacques Annaud het in een one-liner formuleerde. In dit geval bedoelde hij ermee dat het grote probleem van de huidige filmindustrie bij de scenaristen ligt: “Die lezen geen boeken meer, die kijken alleen nog televisie!”
De filmcomponisten daarentegen, de goede toch, zijn meestal klassiek geschoold en hebben nog altijd artistieke aspiraties. “James Horner is een leerling van Gyorgy Ligeti,” aldus Annaud. “Zijn grote ambitie is een ballet schrijven voor een klein gezelschap. Het hoeft niet eens veel te kosten.” Ik hoop dat ze dit lezen bij Rosas of bij het Ballet van Vlaanderen…

Ronny De Schepper

(*) Volgens Wikipedia was het een operatie voor kanker aan de lymfeklieren van keel en amandelen. Dus allerminst routine

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.