« Nu vraag ik mij af wat er plezieriger is dan op een winteravond een boek te lezen. Buiten giert de sneeuwstorm, de kachel in mijn kamer snort en ziet roodgloeiend… Ik zou u geen gunstiger raad kunnen geven: lees zoveel mogelijk en zorg er dan voor dat je rust hebt, ik bedoel gemoedsrust, want zonder dat is genieten niet mogelijk… Om goed te kunnen lezen heb je nodig: de winter, een goed verwarmde en gezellige studeerkamer, gemoedsrust, een rustig en fraai uitzicht, een pijp die nooit hapert, af en toe een klein glaasje whisky ».

Deze zinnen komen uit het begin van een verhaal van J.M.A.Biesheuvel wiens twaalfde bundel vertellingen nu uit is. Biesheuvel heeft jaren geleden wegens een geloofsidentiteitscrisis in een gekkenhuis gezeten. Over belevenissen in het dolhuis, en daarmee ook over de sleutel van zijn leven, heeft Boudewijn Büch (foto) een roman geschreven, en met een compleet maf verhaal debuteert toneel- en filmregisseur Alex van Warmerdam. Te dolle boeken van drie Nederlanders. Boeken, die zo heerlijk knus weg lezen.

De rasechte verteller J.M.A.Biesheuvel heeft een tijd in een psychiatrische inrichting gezeten omdat hij moeite had met het strenge calvinisme waarin hij was opgegroeid en dat hij van zich af wilde schudden. Het lukt ‘m, dat wel, maar twijfels blijven bestaan. En daar doet hij ons in zijn verhalen kond van. In zijn laatste bundels gaat het nog zelden over geloof – in de nieuwste bundel « De angstkunstenaar » al praktisch helemaal niet meer – maar gaat het over het alledaagse leven dat veel twijfels zaait. (De titel « De angstkunstenaar » doet al direct aan « De hongerkunstenaar » van Kafka denken).
Kleine persoonlijke ervaringen worden beschreven, in een absurde contekst geplaatst of tot het absurde toe uitgebeend. Maar het blijft leuk. Af en toe mijmert hij er wat te veel op los, in zijn korte anekdotes vind ik hem op zijn best. Kernachtig geformuleerd, niet te veel uitwijdingen, recht toe naar het einde, zoals in een sprookje, maar nu dan in een verhaal dat echt is of toch echt lijkt of lijken kan. Zoals het verhaal « Roulette » over een boer die graag met zijn vrienden kaart, maar het echte geluk toch elders zoekt. Hij gaat te rade bij een oude vrouw, voor geluksgetallen voor het roulettespel. Hij wint en, hoewel direct daarna al zijn geld gestolen wordt, moet hij zich aan zijn belofte om met de oude vrouw te trouwen, houden. Als ze eindelijk gestorven is, blijft hij als een oude gebroken man achter, niemand wil nog iets met die idioot te maken hebben.
Er zijn de minder sprookjesachtige verhalen over hemzelf, zijn vrouw Eva, zijn dromen en nachtmerries, waarin angst centraal staat. Een tragische existentiële angst, die met humor dan wel niet overwonnen dan toch gerelativeerd wordt. Eenzaamheid, angst, twijfel om te leven, zijn de steeds terugkerende thema’s bij Biesheuvel. Het klinkt weliswaar aardig om bij de borrel voor de zoveelste keer te herhalen dat Biesheuvel zichzelf herhaalt, maar toch gaat die vlieger niet (helemaal) op. Biesheuvel schrijft zijn twaalfde bundel verhalen inderdaad in dezelfde gekende stijl, volgens hetzelfde stramien en vaak over dezelfde thema’s, maar dat deed Carmiggelt ook. Biesheuvel is op zijn eigen manier een kei in verhalen vertellen. Hij doorprikt de Hollandse kneuterigheid, hij relativeert zijn geluk: het verhaal waaruit de knusse citaten in het begin kwamen, eindigt met name nogal griezelig. Hij zet de lezer tot weifelen aan, op een prettige manier: « Het kon toch best dat niet iedereen zo somber was als ik? Je kunt van alles doen op een winteravond, bijvoorbeeld een tekening maken, of een beetje whisky drinken, of voor jezelf uitmaken wat nu eigenlijk filosofie is ». Of, en dat raad ik het meeste aan, een bundel van Biesheuvel lezen. Natuurlijk moet je al die verhalen niet allemaal achter elkaar verorberen, want dan krijg je een indigestie, maar zo één à twee per dag, dan wordt het deze winter toch nog gezellig.
Van een heel ander kaliber is « Het Dolhuis» van de wel bekende Boudewijn Büch. De jachterige, drammende en hijgende toon waarmee hij zijn boeken- en kunstprogramma op de TV presenteert, is ook te vinden in zijn nieuwe roman. Die gaat over Winkler Brockhaus, een gerenommeerd geograaf (hij zelf heeft een encyclopedische naam en zijn broers heten Brit, Laroux en Meyer, de zin ervan ontgaat mij echter). Maar deze welbespraakte en graaggelezen wetenschapper lijdt zwaar. Hij zit met een jeugdtrauma. Zijn abnormale belangstelling voor het geflirt met de dood, zijn onkunde om een relatie aan te gaan en zijn seksuele frigiditeit zouden te verklaren zijn door zijn jeugdbelevenissen.
Om het andere hoofdstuk zijn er flashbacks, waardoor de sluier beetje bij beetje opgetild wordt. Als tienjarig jongentje werd hij naar een gekkenhuis gestuurd, het dolhuis. Tegenwoordig heet zo iets psychiatrische inrichting, maar in de jaren ’50 sprak men gewoon van gesticht. Ontroerend is de passage als Winkler vanuit een station in een Noord-Brabants dorpje helemaal alleen te voet moet gaan (de bussen staken) naar de R.K.Krankzinnigeninrichting Huize Kindervrede. « Patiëntje Brockhaus » wordt er gedrild tot gehoorzaamheid, de nonnen hanteren het « we-taaltje », waardoor tegenspraak onmogelijk is, en verder de koude douche en het donkere kelderkot. Winkler vertoeft er tussen halve en hele debielen en gestoorden, maar weet zich te handhaven. Zijn vriendje Tom belandt, als ze voor straf aardappels moeten schillen, door toedoen van de kok in een ketel kokend water en sterft. Zoals te verwachten was, praatten de nonnen Brockhaus een serieus schuldgevoel aan. Na een jaar mag hij terug naar huis. Hij koopt voor zijn moeder een chocoladereep. Het mens heeft als enige reactie: « Je weet toch dat ik niet van puur houd ». En zo zijn er nog van die schrijnende toestanden. De kille drilsfeer van het gesticht en de emotieloosheid van de nonnen komen in het boek zeer goed tot uiting. Dat zijn dan ook de sterkste fragmenten. De passages met de volwassen Brockhaus, zijn onmogelijke relaties en zijn drinken in het drankpaleis « Tevredenheid » zijn hol en potsierlijk. Ook het tweede deel in het boek had korter gekund. Daarin krijgen we de verklaring voor zijn opname in het dolhuis. Zoals in het eerste deel al gesuggereerd wordt, moet er een incestueuze verhouding geweest zijn tussen de vader en de kleine Winkler. De volwassen Brockhaus zoekt tot op het sterfbed van zijn moeder uit wat voor een ploert zijn vader wel was…
De tekst is helaas onvolledig, zodat de recensie van het boek van Alex van Warmerdam u zelfs onthouden wordt. Ook de ondertekening is uiteraard weggevallen, maar ik ben er toch vrij zeker van dat het alweer mijn nijvere vriend Johan de Belie betreft in De Rode Vaan nr.6 van 1988.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.