Het is vandaag 125 jaar geleden dat de opera “Manon Lescaut” van Giacomo Puccini in première ging in het Teatro Regio, Turijn. Manon Lescaut was de derde opera van Puccini en de eerste die hem internationale faam zou brengen.

Aan het libretto is gewerkt door niet minder dan vijf librettisten en niet te vergeten de componist zelf. Dit kwam de theatrale kwaliteit niet ten goede, wat er toe leidde dat de opera nogal eens als een ‘studiewerk’ wordt beschouwd, ter voorbereiding van zijn ‘betere’ opera’s. Muzikaal gezien echter is Manon Lescaut reeds van zeer hoge kwaliteit. De themakeuze was niet zonder risico. Jules Massenets opera Manon had al sinds 1884 groot succes. Puccini kende dit werk of in elk geval van de pianobewerking ervan. “Massenet interpreteert Manon zoals een Fransman dat doet; ik zal dat doen als een Italiaan, met passie en vertwijfeling” zei hij over zijn keuze.
Uiteraard is deze opera gebaseerd op het werk “l’Histoire du chevalier des Grieux et de Manon Lescaut” van Antoine François Prévost, beter gekend als abbé Prévost (1697-1763).Het verhaal valt uiteen in twee delen. In het eerste deel vertelt Prévost dat hij enkele jaren geleden Chevalier des Grieux ontmoette, terwijl hij (des Grieux dus) een konvooi van meisjes van lichte zeden volgde, die op het punt stonden naar Amerika te worden verscheept. Eén van hen was zijn geliefde, Manon Lescaut. Hij was ten zeerste bedroefd omdat hij geen geld meer had om de soldaten om te kopen om eens met haar te kunnen praten. Prévost geeft hem daarop een aanzienlijke som.
Twee jaar later zien zij elkaar weer in Calais en des Grieux vertelt nu zijn wedervaren. Toen hij zeventien jaar was en nog totaal onschuldig, ontmoette hij voor het eerst Manon. Zij werd naar een klooster gevoerd “om haar neiging naar het aardse genot tegen te gaan”. Hij ontvoert haar en gedurende enkele weken leven ze samen op een appartemetn in Parijs. Dan wordt hij echter aangehouden en teruggebracht naar zijn vader. Daar verneemt hij dat Manon, wanneer hun geldkist leeg was, een aardige “bijverdienste” had door haar diensten aan te bieden aan Monsieur B. Het is deze persoon die na een drietal weken jaloers was geworden op des Grieux en ervoor gezorgd heeft dat men hem kwam weghalen.
Des Grieux besluit dan, op aanraden van zijn vriend-priester Tiberge, om in het seminarie te gaan. Een jaar later ontdekt Manon echter dat hij daar verblijft en berouwvol keert ze naar hem terug. Nogmaals vluchten ze samen weg en deze keer nemen zijn zich voor een beetje zuiniger te gaan leven in Chaillot, een dorpje in de nabijheid van Parijs.
Alle goede voornemens vallen echter in het water als Manons broer komt opdagen. Om haar niet opnieuw kwijt te spelen, laat des Grieux zich door Lescaut introduceren bij diens vrienden die een flinke stuiver verdienen door vals te spelen. Na één van hun avondjes in Parijs, blijkt hun bezit echter te zijn gestolen door hun knecht en dienstmeid. Des Grieux vist weer achter het net, want Manon is er op aanraden van haar broer vandoor gegaan met de oude Monsieur de G… M…
Wanneer des Grieux dit te weten komt, kan hij haar overhalen daarvan af te zien en zij slaat op de vlucht niet na bij de G… M… een grote som geld te hebben ontvreemd. Deze komt hen echter op het spoor en zorgt ervoor dat ze worden opgepikt door de politie. Zo komt des Grieux terecht in Saint-Lazare en Manon in L’Hôpital. Des Grieux gedraagt zich voorbeeldig en komt in de gunst van de priester die voor zijn bekering instaat. Zo slaagt hij erin in contact te komen met Lescaut, die hem een revolver bezorgt, zodat hij kan ontsnappen.
Twee dagen later begeeeft des Grieux zich naar Monsieur de T…, de zoon van één van de hooggeplaatste personaliteiten die l’Hôpital beheren. Op die manier kan hij Manon weerzien. Haar bediende is bereid haar te helpen ontsnappen, wat ‘s anderendaags reeds gebeurt. Ondertussen is Lescaut (de broer dus) gedood in een twist die niets met het verhaal te maken heeft.
Het eerste deel eindigt op een happy end: de priester van Saint-Lazare heeft bekomen dat er geen vervolging zal worden ingesteld tegen des Grieux, Manon wordt verondersteld te zijn gevlucht met haar bediende en Monsieur de T… en Tiberge hebben voor de nodige financiële hulp gezorgd.
Het tweede deel begint als des Grieux twintig jaar is (en Manon dus negentien) en in hun sinds geruime tijd gelukkig leven de zoon van G… M… opdaagt. Deze wordt verliefd op Manon en weet haar te verleiden door aanzienlijke bedragen en bezittingen. Des Grieux wordt ervan op de hoogte gesteld door M. de T. en hij tracht Manon te overhalen ervan af te zien. Zij antwoordt dat het haar enkel om het geld te doen is. Zij zijn van plan de zoon de dupe te maken van de straffen die zijn vader hen heeft aangedaan door er met zijn geld vandoor te gaan.
Op het moment van de afspraak daagt Manon echter niet op. Zij beweert dat zij nog zovele andere bezittingen ook niet kon laten schieten en zij had Monsieur de G… M… kunnen overhalen om des Grieux met een andere maîtresse bij hen te laten inwonen. Des Grieux weigert en zijn staan net op het punt toch hun vroegere plan uit te voeren, als de oude G… M… (uit zijn huis weggelokt door vrienden van des Grieux), op de hoogte gebracht door een lakei, met de politie binnenvalt.
Weer worden ze beiden gevangen gezet. Des Grieux roept de hulp van zijn vader in en deze weet zijn zoon vrij te krijgen, maar hij dringt erop aan dat Manon naar Amerika zou worden verscheept. Wanneer des Grieux dit hoort, verlaat hij het ouderlijk huis en wil met enkele kornuiten het konvooi aanvallen, waarmee het boek is begonnen. Op het kritieke moment laten zijn “vrienden” hem echter in de steek, vandaar dat hij er zich mee vergenoegt om Manon naar Amerika te volgen.
Ze doen zich voor als een gehuwd koppel en zo komt het dat Manon in New Orleans niet wordt weggeschonken aan één van de kolonisten aldaar. Zij leven een tijdje gelukkig en krijgen zelfs enig aanzien tot het moment dat des Grieux besluit ook effectief met Manon in het huwelijk te treden. Hij vraagt de toestemming aan de gouverneur, maar deze heeft een neef, Synnelet, die verliefd is op Manon. Tot hiertoe had hij zijn avances achterwege gelaten omdat hij dacht dat ze getrouwd was, maar nu dat niet zo blijkt te zijn, krijgt hij haar toegewezen vanwege de gouverneur. Des Grieux daagt hem echter uit voor een duel en steekt hem neer. Manon en hij slaan op de vlucht, maar Manon sterft in de onherbergzame streek. (In de opera van Puccini wordt dit altijd in een woestijn gesitueerd, maar hebben we het hier eigenlijk niet over de bayou?)
In navolging van Mascagni (“Cavalleria Rusticana”) laste Puccini een muzikaal intermezzo in (wat Verdi een gruwel vond) en ook dat droeg bij tot het onmiddellijke succes bij de première op 1 februari 1893. Nochtans opperen sommigen dat het oorspronkelijke libretto dat toneelschrijver Marco Praga hem had bezorgd (nadat Puccini reeds een libretto van Leoncavallo had afgewezen, omdat die te dicht bij de versie van Jules Massenet uit 1884 was gebleven), zeker vanuit een theatraal standpunt ontoereikend was. De eigenlijke idylle tussen Manon en Des Grieux komt immers – op de ontmoeting na – niet aan bod en waarom ze in het derde bedrijf in de woestijn rondzwerven wordt in de opera zelf niet duidelijk (omdat Des Grieux dacht dat hij de neef van de gouverneur van Louisiana had gedood namelijk, nadat deze te zeer geïnteresseerd was in Manon).
De voortreffelijke Puccini-cyclus die Clémeur heeft opgezet, begon in januari 1991 met een opvoering van deze “Manon Lescaut”. In het weekblad “Panorama” verklaarde Gerard Mortier destijds: “Giacomo Puccini is voor mij het summum van slechte burgermanskunst uit de negentiende eeuw. Wat kunnen mensen op het einde van de twintigste eeuw nog opsteken van een opera als Madama Butterfly? Die hele handel moet de vuilnisbak in!” Aan deze uitspraak hebben we het te danken dat Marc Clémeur met zijn geruchtmakende Puccini-cyclus is gestart. “Vanaf dat ik hier kwam heb ik dingen willen doen die in de Munt niet gebeuren. Zo koos ik voor Puccini, Mortier haat Puccini en het is mijn stokpaardje.”
Zoals àlle Puccini-opera’s werd “Manon Lescaut” gebracht in een enscenering van de jonge Canadees Robert Carsen. Alhoewel hij eigenlijk een acteursopleiding heeft gekregen (aan de Bristol Old Vic Theatre School) is hij toen hij amper twintig was reeds als assistent-operaregisseur aan de slag gegaan tussen 1980 en 1985 aan de Glyndebourne Festival Opera. Toen hij in 1986 als assistent van Giancarlo Menotti in Genève “La Bohème” kwam instuderen, werd hij door directeur Hugues Gall (vanaf 1995 directeur van de Bastille tot de komst van Gerard Mortier) opgemerkt en mocht hij in 1988 zijn eerste eigen regie doen. Het was meteen raak: “Mefistofele” mocht hij nadien met Samuel Ramey overdoen in San Francisco, Houston en Chicago. De productie werd ook opgenomen voor televisie en zo werd hij ontdekt door Marc Clémeur, die hem naar Antwerpen haalde, maar niet exclusief: in 1989 regisseerde Carsen “Lucia di Lammermoor” in Zürich, “La Finta Giardiniera” in Frankfurt en Lausanne, “A night at the Chinese opera” van Judith Weir in Santa Fe, “Le Nozze” in Long Beach. In 1990 volgde “Lady Windermere’s fan” voor de Bristol Old Vic, een Franse “Salomé” (met Karen Huffstodt, die later in de Vlaamse Opera zijn Tosca zou worden) voor de opera van Lyon, “Ariadne auf Naxos” voor Santa Fe (hier ontmoette hij Miriam Gauci, die de titelrol in “Manon Lescaut” zou zingen) en “I Capuletti ed i Montecchi” voor Genève.
Toen zijn zeer expliciete weergave van Manons hang naar luxe en rijkdom hier en daar wat stof deed opwaaien, reageerde Clémeur gevat: “Het rare is dat de internationale pers daar enorm enthousiast over is. De verdeeldheid bij de binnenlandse pers daarentegen is volgens mij te wijten aan de heel vreemde traditie dat over opera doorgaans uitsluitend door muziekrecensenten wordt geschreven. En dan heb je er altijd die hun naturalistische ideeën over Puccini niet kunnen opzij zetten en vragen stellen in de zin van ‘waarom is er geen herberg in het eerste bedrijf?’ of ‘waarom is er geen woestijn in het vierde bedrijf?’. In het buitenland wordt echter ook heel vaak door theaterrecensenten over opera geschreven en die zijn natuurlijk veel meer vertrouwd met de vernieuwende tendenzen in het gesproken theater. Zo heeft het toonaangevende Franse tijdschrift ‘Opéra International’ een hele fotoreportage aan ‘Manon Lescaut’ gewijd en als aanhef staat er dat deze productie belangrijker is voor de vernieuwing op het gebied van opera-regie dan alle producties van Peter Sellars samen.”
Carsen krijgt trouwens ook lof toegezwaaid vanuit een heel onverdachte hoek, namelijk van diezelfde Gerard Mortier. Toen hem ter gelegenheid van zijn afscheid nogmaals voor de voeten werd geworpen dat ‘hij niet van belcanto hield’, repliceerde hij: “Ik hou integendeel heel veel van belcanto, maar je kunt het alleen maar doen met schitterende zangers en die staan dan gewoonlijk onvoldoende ter beschikking voor repetities. En je moet er ook zeer goede regisseurs voor hebben. Ik denk dat Robert Carsen, die nu in Antwerpen Puccini ensceneert, ook heel goed belcanto zou kunnen brengen, omdat het iemand is die truuks vindt om bepaalde opera’s toch een modern cachet te geven. Het gaat niet altijd op, maar hij had wel een goede ‘Lucia di Lammermoor’, een enscenering die men in Brussel misschien eens kan afkopen.”
Manon Lescaut kreeg bij de herneming (op 11 juni 1993) een heel nieuwe cast, alleen de hoofdrol werd opnieuw gezongen door de Maltese sopraan Miriam Gauci, die zich wel in Puccini lijkt te specialiseren, aangezien ze met het BRTN-orkest o.l.v. Alexander Rahbari zowat alle Puccini-opera’s heeft opgenomen. Op de herneming van “Manon Lescaut” vertelde Anthony Ward me dat het een misvatting is te denken dat hij een vast duo vormt met Robert Carsen (hij hàd trouwens al een vriend…). Het is toeval dat de enige twee producties van Carsen die wij te zien kregen er juist twee met Ward waren. Carsen werkt met zowat een viertal decorateurs en omgekeerd werkt Ward ook met andere regisseurs (o.a. met The Royal Shakespeare Company waar hij “King Lear” heeft gedaan met dezelfde regisseur die Kenneth Branagh in “Hamlet” heeft geregisseerd – daar heeft Ward trouwens blijkbaar een hekel aan Branagh overgehouden), maar het is wel wààr dat Ward niet werd gevrààgd voor “Turandot”. Hij is niet zeker of hij zou hebben toegestemd of niet. Voor “La Bohème” daarentegen is hij ook niet gevraagd, maar daar heeft hij niets op tegen want hij heeft nog maar pas een “Bohème” gedaan in Engeland met een andere regisseur en Puccini begint hem stilaan de keel uit te hangen. Voor “Madama Butterfly” werkt Carsen dan ook met een nieuwe decorateur, namelijk Paul Steinberg, die ook de kostumes voor zijn rekening neemt.
Voor de herneming van “Manon Lescaut” had Ward overigens (op vraag van Carsen) twee wijzigingen doorgevoerd: in het eerste bedrijf werd de kleurrijke kledij van de studenten vervangen door een soort van gazettepapier dat dan wel pruiken en bijpassende barokkledij opriep en in het fameuze derde bedrijf waren de fameuze “bootjeskapsels” wel behouden, maar deze keer stoorden ze niet meer, integendeel, het kreeg een zeer aangrijpend aspect, aangezien de hoertjes deze keer niet uitgedost waren zoals de sjieke bourgeois-bootjesdames, maar wel met verwarde haren en kledij die van vergane schoonheid getuigde. De totaal nieuwe cast was trouwens een grote verbetering (op uitzondering van Jeffrey Reynolds als Edmondo; geef mij dan toch maar Donald George!) met vooral een speciale vermelding voor Fabio Armiliato die mij tot nu toe toch altijd een beetje op mijn honger had gelaten. De enige die was mogen blijven was zoals gezegd Miriam Gauci, die een opvallend sterke acteerprestatie neerzette. Toch vond Ward haar de vorige keer beter, omdat ze toen nog onzeker was in zo’n moeilijke rol en die onzekerheid ook de kwetsbaarheid van Manon goed vertaalde. Nu bewonderde ook hij haar acteerprestatie, maar Miriam is nu heel wat zekerder van zichzelf, dat was ook te merken op de receptie achteraf. Desondanks bleef ze nog altijd erg vriendelijk.
Naast de “Manon” van Massenet bestaat ook nog een “Manon Lescaut” van Daniël François Esprit Auber. In het begin van de jaren negentig werd deze uitgevoerd door La Sinfonietta (het orkest van het departement Picardië) o.l.v. Pierre Jourdan. De regie was in handen van David Freeman (schreef ook additionele dialogen) en Elisabeth Vidal zong Manon en Alan Gabriel Des Grieux. Muzikaal is deze opera veel ‘luchtiger’ dan die van Giacomo Puccini, wat misschien niet helemaal gepast is bij het onderwerp, maar op zich is de muziek best genietbaar. De plot wijkt ook enigszins af van de meest bekende versie, vooral in het derde bedrijf waarin plotseling nevenfiguren opduiken (Monsieur de Saint-Gervais en zijn kersverse bruid en een zwarte slavin – alhoewel dat “zwarte” ook aan de regisseur kan te wijten zijn, want het was een soort black-and-white-minstrel zwartje), die de dramatische hoofdlijn een beetje gaat overschaduwen. De regisseur aarzelt ook een beetje te veel tussen een naturalistische (wat het acteren betreft) en een symbolische (dat fameuze laatste bedrijf speelt zich af achter vijf koorden die blijkbaar prikkeldraad voorstellen, maar ook reminiscenties aan een notenbalk oproepen en vooral na verloop van tijd geweldig op de zenuwen gaan werken) aanpak.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s