Op het twintigjarige jubileum van het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek spreekt Jan Dewilde o.a. over Eva Dell’Acqua, een Brusselse componiste en zangeres, waarvan ik nog nooit had gehoord, maar die blijkbaar toch een zekere populariteit geniet op YouTube.

Ze was de dochter van de Italiaans-Belgische kunstschilder Cesare Dell’Acqua en Carolina van der Elst en schreef operettes (La Bachelette, Le tambour battant, Le Prince Noir, Fiançailles de Pasquin), opéra-comiques (Feu de Paille, Une ruse de Pierrette) en salonliederen (Pourquoi rêver?, Chazel, Villanelle, Menuet, Quand même, Reproche, Prière d’amour, Chanson provençale, Chanson du rouet, Ritournelle, Amour défunt, Les songes, Reviens, C’est une fauvette, Ne cherchez pas, Noël d’enfants, Le coffret). Quasi niets van haar oeuvre hield stand. Alleen de Villanelle (“J’ai vu passer l’ hirondelle…”), een hoogstandje voor coloratuursopraan, staat nog op het repertoire en is dan ook in diverse versies terug te vinden op YouTube (Bella Rudenko, Amelita Galli-Curci, Edita Gruberova, Natalie Dessay, Victoria Ivanova en Mado Robin). Maar daarnaast is er toch ook Antonina Nezhdanova te vinden met een interpretatie van haar Menuet uit 1912.
Jan Dewilde schrijft: “Via leven en werk van twee componistes wil deze paper de situatie van de componerende vrouw in Belgie schetsen tijdens het fin de siècle en de eerste decennia van de 20ste eeuw. Eva dell’Acqua (1856-1930) en Maria Matthijssens (1861-1916) manifesteerden zich als zich als componistes van charmante salonmuziek, daarbij meedrijvend op de 19de-eeuwse dichotomie tussen intimiteit/vrouwelijke sfeer en publieke ruimte/mannelijke sfeer. Het was voor dell’Acqua en Matthijssens quasi onmogelijk om orkestwerken uitgegeven en uitgevoerd te krijgen. Werken met een sterke thematische ontwikkeling (genres als sonates, symfonieën en concerto’s) werden als masculien en viriel beschouwd en dus voor een componerende vrouw als tegennatuurlijk. Niettegenstaande ze professionele musiciennes waren profileerden ze zich om strategische redenen als echtgenotes en huismoeders die salonmuziek schreven. Dit kreeg een picturaal equivalent in de vele portretten van vrouwen aan de piano van de Brusselse schilder Alfred Stevens (1823-1906). Als hun muziek toch in het openbaar werd uitgevoerd, was dat meestal tijdens exclusief vrouwelijke concerten, zoals in het ‘Palais des femmes’ tijdens de Wereldtentoonstelling in 1913 in Gent. Er wordt ook aandacht besteed aan het hoger muziekonderwijs. Zo studeerde Matthijssens aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium in Antwerpen, de eerste hogeschool in België die vrouwen toeliet, zij het in aparte klassen.”
Zie ook: “Vrouwen en muziek: voor het zingen de kerk uit“.
En over Maria Matthijssens: een biografie door Jan Dewilde.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s