Bygmester Solness (Nederlands: Bouwmeester Solness) is een toneelstuk geschreven door Henrik Ibsen. Het werd voor het eerst gepubliceerd in december 1892. Het toneelstuk werd gezien als een van zijn belangrijkste, maar is in het Nederlandse taalgebied slechts weinige keren uitgevoerd. Het stuk beleefde zijn première niet in Noorwegen, maar in het Berlijnse Lessingtheater op 19 januari 1893. Een maand later was het te zien in Londen en vervolgens pas in Noorwegen op 11 juni 1894.

Plaats van de handeling was het theater in Bergen, alwaar Johan Halvorsen muzikaal leider, dirigent en huiscomponist was. Het toneelstuk liep van 11 juni tot en met 2 juli, alleen de eerste vier opvoeringen werden begeleid door muziek. Halvorsen koos voor muziek van Franz Schubert, Carl Reinecke en Per Lasson (Feestmars). Johanne Dybwad, een van de toen bekendste actrices, verzorgde gastoptredens.
Op 20 januari 1910 moest Halvorsen opnieuw een muzikale omlijsting voor het toneelstuk verzorgen; plaats van handeling is dan het Nationaltheatret in Oslo. Halvorsen koos vervolgens voor muziek van Ludwig van Beethoven (Coriolanus Ouverture), Felix Mendelssohn Bartholdy (De Hebriden) en Jules Massenet (Cortège fantastique). Hij voegde er echter ook enig eigen werk aan toe (o.a. een feestmars), dat verder onbekend is gebleven.
“Bouwmeester Solness” is één van de latere, “symbolische” en “bijgevolg” nog weinig opgevoerde stukken van Ibsen. Het werd in een gezamenlijke regie van Herman Gilis en Jos Verbist in 1985 opgevoerd in het NTG. Van Verbist was dit de eerste regie die ik zag en aangezien ik dus op dat moment geen referentiepunten had, kon ik enkel stellen dat hij ofwel helemaal in de lijn werkt van Herman Gilis ofwel zichzelf er totaal aan ondergeschikt heeft gemaakt. Want dit was zonder meer een Gilis-stuk, ten voete uit.
Het begint trouwens al met de keuze. In laatste instantie is deze Ibsen immers in de programmatie opgenomen ter vervanging van de “Goddelijke woorden” dat in het kader van Europalia zou worden gemonteerd, maar dat werd afgevoerd omwille van een aantal problemen met de decorateur. Maar waarom dan déze Ibsen? Als Verbist nog de moeite doet naar een zuinig antwoord te zoeken, antwoordt Gilis gewoon: “Anders was het een ander stuk geweest, dat ik ook niet gelezen had”. Het lijkt een boutade, maar als je z’n aanpak ziet, zou je nog gaan geloven dat het waar is ook. Zelden hebben we een regisseur zijn misprijzen voor een auteur dusdanig op scène zien etaleren. Zolang hij dat parodiërend doet (bijvoorbeeld vóór de pauze) gaat het nog (vergelijk: de “grappige” montering van “Nora” in Arca vorig seizoen door eeneiïge tweelingsbroer Pol Dehert en met Gilis zelf in een belangrijke rol), maar als hij -vooral onmiddellijk nà de pauze en op het einde – de hoogdravendheid nog gaat onderlijnen door ze te contrasteren met alledaagse rituelen die in een evenredige mate worden beklemtoond (de stoelen opstapelen, het licht ophangen, de bloemen wateren…), dan wordt het toch echt vervelend. Nee, méér. Irriterend.
In het atelier van Halvard Solness werken drie mensen, wier levens niet alleen op het professionele vlak met elkaar verbonden zijn. Zo is er Knut Brovik, ooit zelf architect en zelfs leermeester van Halvard, maar nu een ziekelijke man die zijn oude dag slijt als assistent van zijn oud-leerling. Hem rest nog de hoop te mogen beleven dat zijn zoon Ragnar, die ook op het atelier werkt, het kan maken als architect. Ragnar heeft trouwens zopas de plannen voor de bouw van een villa voltooid en wacht nog slechts op een goedkeurend woord van de bouwmeester alvorens op eigen vleugels te vliegen. Maar Halvard, die vreest dat hij ooit plaats zal moeten maken voor de jeugd, lijkt weinig bereid de jongen een kans te geven. Hij heeft trouwens meer aandacht voor Kaja Fosli, het boekhoudstertje van het bedrijf.
Begonnen onderaan de maatschappelijke ladder heeft Halvard zich door zijn talent en ijzeren wil langzaam opgewerkt. Toch had hij echter nooit de top bereikt als het lot hem niet gunstig gezind was geweest. Zij het dan op een heel speciale manier, want het is precies door het afbranden van het ouderlijke huis van zijn vrouw Aline dat zijn carrière een hoge vlucht heeft kunnen nemen. Op die manier heeft hij immers zijn grootse plannen kunnen verwezenlijken: de grond werd verkaveld en op dat terrein heeft hij een soort van sociale woningen gebouwd.
Op een dag krijgt Halvard bezoek van een jonge vrouw, Hilde Wangel, die hem eraan herinnert dat hij precies tien jaar geleden op de toren van een door hem gebouwde kerk klom en daar een krans om de spits hing. Later, tijdens het grote inwijdingsfeest heeft hij haar een belofte gedaan, die zij nu komt opeisen: zij wil de prinses zijn van een koninkrijk dat hij voor haar zal bouwen.
Halvard voelt zijn oude idealisme weer opflakkeren en wil zijn droom alsnog waarmaken. Maar zal hij erin slagen de toren van het nieuwe huis te beklimmen, hij die ondertussen hoogtevrees heeft gekregen?
Onnodig eraan toe te voegen dat die toren een hoogst erotische betekenis heeft en dat de “hoogtevrees” te maken heeft met de faalangst van de ouder wordende minnaar tegenover de jongere geliefde…
Men moet namelijk weten dat de 67-jarige Ibsen op dat moment smoorverliefd was op de 27-jarige pianiste Hildur Andersen. Hij zou het uiteindelijk echter toch niet aandurven te scheiden van zijn vrouw, Suzanne Thoresen.
Zoals gewoonlijk in een regisseursstuk (zijn er nog wel andere de laatste tijd?) worden de acteurs gebruikt net zoals de stoelen, de lampen, de dweilen. Het doet dan ook gek aan de directeur himself, Jef Demedts dus, zich als de overmoedige bouwmeester naar de grillen van het regisseursduo te zien schikken (wat wel pleit voor Demedts als acteur). Ook een talentrijke actrice als Chris Thys wordt in een ondraaglijk keurslijf gestoken als het boekhoudstertje Kaja, terwijl Raf Reymen en Mark Willems als vader en zoon om beurten een huilbui mogen krijgen. Magda Cnudde moet een jong wicht spelen dat ze helaas niet meer kan waarmaken (waar is de tijd van “Tim”, hé Magda?), terwijl Chris Boni de meeste kansen krijgt om zich in de kijker te spelen als de heespratende mevrouw Solness. Cyriel Van Gent tenslotte, die is als dokter zoals steeds Cyriel Van Gent. Ik heb hem nog nooit anders gezien.
Maar mag ik eens eindigen met een pluimpje voor het werkvolk van het NTG? De machinisten en de decorbouwers dus. Santiago Del Corral heeft net als bij “Blindeman” immers weer een monumentaal decor ontworpen dat deze keer echter verplaatsbaar is. Wat de prestatie van de mensen achter de schermen er alleen maar groter door maakt. Eerlijk gezegd, de enorme decorwisseling in een tamelijk vlug tempo tussen het tweede en derde bedrijf was het enige dat mij paf deed staan.
Wordt al dat gepraat (gezwam, stond er bijna) over het bouwen van torens terecht Freudiaans geïnterpreteerd door Gilis-Verbist en is er in “Bouwmeester Solness” dus zeker een flinke scheut erotiek aanwezig, dan is dit zeker niet het geval in het theater als eredienst van de verveling.

Referentie
Ronny De Schepper, Misprijzen geëtaleerd, De Rode Vaan nr.44 van 1985

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s