Van Irène Smets verscheen als BRT-uitgave « Liszt en zijn tijd » (394 blz., 398fr.): een uiterst interessant tijdsdocument en uiteraard een biografie van de Hongaarse componist en pianovirtuoos. Smets schreef al eerder het uitstekende « Mozart en zijn tijd » samen met Lippeveld.

Het leven van Franz Liszt speelde zich af tussen 1811 en 1886: een cruciaal tijdperk in vorige eeuw. “Het Communistisch Manifest”, de opstanden van 1848 en eerder de val van Napoleon (die evenwel plaatsgreep vooraleer Liszt tot de leeftijd des onderscheids was gekomen), een ware revolutie in de muziek en de uitbanning van Abbé Lammenais staan opgetekend in de levenspartituur van dit « monstre sacré ». De galante kant van Liszts leven is al wel eerder aan bod gekomen in sleutelromans, die zijn ex-lieven schreven, of in het oeuvre van Balzac, en natuurlijk na zijn dood in enkele min of meer geslaagde biografieën. Zo las ik op vrij prille leeftijd met rode oortjes een Liszt-biografie van ene Guy de Pourtalès; ik heb er niet veel meer van onthouden dan een hartstochtelijk sofa-tafereel en Liszts onverdroten promotie voor de muziek van zijn tijdgenoten, vooral dan van Richard Wagner.
Irène Smets wekt de indruk het leven van Franz Liszt zeer accuraat te beschrijven met veel gevoel voor nuances en wars van idolatrie. Bovendien situeert ze deze figuur in de soms nogal wilde vaart van zijn tijd met een bewonderenswaardig gevoel voor geschiedenis. Haar « wedersamenstelling » is zeer minutieus, met een speciale aandacht voor relevante details en de maatschappelijke achtergrond. Eén van haar basisgegevens is de uitvoerige correspondentie van Liszt. Uit haar biografie komt Liszt niet te voorschijn als een halfgod maar als een man van vlees en bloed (en hij heeft het vlees niet te kort gedaan!) en vooral als een libertijn met bigotte trekjes…
Liszt wordt acoliet (geen priester of zelfs geen diaken) in de roomse kerk, die zijn goede vriend Lamennais heeft geëxcommuniceerd omdat hij de arbeiders verdedigde, en leeft bij de gratie van adellijke grondbezitters, wier uitbuiting van de landarbeiders hij afkeurt (hij sympathiseert met de opstandelingen van 1848, zij het voorzichtig). Liszt is ook een barslecht vader, die wel klaar staat met krokodillentranen en romantische inzinkingen als een kind van hem iets overkomt, maar zich verder slechts oppervlakkig om hen bekommert. Tegenover deze toch wel erg kwalijke trekjes staat dan weer de tolerantie van deze man tegenover roddels en boze of zelfs kwaadaardige reacties van voormalige vrienden, vriendinnen en beschermelingen, maar bovenal zijn generositeit die blijkt uit zijn talloze liefdadigheidsconcerten en uit zijn belangeloze, harde en doorgedreven inzet voor het werk van andere componisten.
In onderhavig boek wordt Franz Liszts compositorisch werk ook naar waarde geschat. Liszt is wel wat meer voor de muziek geweest dan een druktemaker op folkloristische thema’s. Er is nogal wat tijd overheen gegaan, vooraleer men de moeite nam achter het imago van de salonvirtuoos te kijken en zijn oeuvre grondig te analyseren. Zelfs als men geen uitgesproken liefhebber is van romantische muziek, kan men « Liszt en zijn tijd » nog altijd lezen als een tijdsdocument en zelfs als een zedenschets van de adel en de bourgeoisie in de 19de eeuw. Al blijft natuurlijk de lectuur van « La Comédie humaine » van Honoré de Balzac nog altijd aanbevolen…
Geen Liszt op het zogenaamde Winterprogramma van het Ballet van Vlaanderen, al put men daar graag uit het romantische en neoromantische repertoire. Men opende trouwens met Brahms, overigens uitstekend vertolkt door Robert Groslot, voor het in 1979 gecreëerde « klassiek abstracte » ballet van Violette Verdy, « Variations». Zeker een verademing na het museumstof dat op het BVV was gaan rusten, maar toch ongelukkig als opener. Verdy’s choreografie is speels, misschien zelfs té, zeker in deze erg losse, « goedkope » aankleding. Dat maakte dat de aandacht van het Gentse publiek (toch al berucht om zijn gebrek aan discipline) slechts heel geleidelijk werd getrokken. Te lang bleef men het ongeconcentreerd en afstandelijk bekijken. Het eerste applaus kwam slechts los voor Mehdi Manglunki en Eugenio Buratti (vooral voor deze laatste zeer terecht) en dan nog wellicht uitgelokt door BVV-mensen in de zaal.
Naar het einde toe wordt het ballet wel ernstiger, meer uitgediept, wat bewijst dat het fout was om het begin zo verloren te laten gaan. Al moeten we wel toegeven dat de dansers op deze manier individueel goed aan het publiek worden voorgesteld. Druipnat waren de jongens na deze lange opening en onder hen ook Pierre Bos (*), die nochtans onmiddellijk daarna opnieuw aan de slag moest en dan nog met de opkomende ster Maria Teresa del Real in “Verdorbene Zeit” van huischoreograaf Luk de Layress. Toch kregen we hier het hoogtepunt van de avond. Op een zeer gevoelige wijze dansten del Real en Bos meesterlijk het archetypische gegeven van de vrouw die de man verleidt tot hij zelfs de dood wil tarten. Prachtige muziek van Mahler ook, uitstekend vertolkt (een klein glijdertje niet te na gesproken) door het Gentse orkest onder de leiding van Arie van Lysbeth. Hier past ook een kleine hulde aan scenograaf Beni Montresor die met een sobere, rustige belichting een adembenemende sfeer wist op te roepen.
Montresor had ook voor het decor gezorgd voor « De les », een choreografie van de Deen Flemming Flindt op muziek van Georges Delerue, die we enige tijd geleden nog in levende lijve aan het werk hadden gezien in diezelfde opera van Gent bij de vertoning van « Casanova » tijdens het Internationaal Filmgebeuren. Dit ballet is uiteraard gebaseerd op het stuk van Ionesco en vertelt dus een verhaal, meestal niet de sterke kant van het huidige BVV. En inderdaad, Annemie Rombaut als de pianiste en Paul Lewis als de dansleraar bezondigen zich alweer aan over-acting. Het was op zich al verwonderlijk dat laatstgenoemde voor zijn rol in « Don Quichote » een promotie had gekregen. Die was ook te beurt gevallen aan Hilde Van de Vloet die hier met veel gloed het leerlingetje mag vertolken.
Dat de promotie voor haar terecht was, konden we ook nog merken in het laatste onderdeel, « Napoli-divertissement » van Auguste Bournonville op muziek van vier Deense componisten. Voor de rest was het hier echter opnieuw met gekrulde tenen toekijken. Dit was weer museumballet tot en met. In hun 19de eeuwse kledij leken de dansers wel poppetjes van een muziekdoos die vooraf waren opgewonden. Toch lijkt juist dit « ballet à papa » aan te slaan bij « het grote publiek ». « En vondet schuene ? » vroeg de vestiaire-madam aan mijn vergrijsde buurman. « Joa ik, surtoe da loatste » was zijn antwoord.
Het didactische aspect van vier, zelfs vijf verschillende stijlen te brengen (het divertissement eindigt met een volksdansachtige Tarantella), is natuurlijk ergens lovenswaardig, maar komt anderzijds de homogeniteit niet ten goede. Het « Winterprogramma » is vanaf 28 januari 1988 te zien in Antwerpen.

Johan de Roey & Ronny De Schepper

(*) Tot onze grote ontsteltenis vernamen we enkele uren na het schrijven van deze kritiek dat Pierre Bos is omgekomen in het tragische luchtvaartongeval te Bordeaux op 21 december 1987. « Wegens onvoorziene omstandigheden » waren enkele vertoningen in Gent weggevallen en de Franse danser met de Nederlandse naam wilde van de gelegenheid gebruik maken om de eindejaarsfeesten met zijn familie door te brengen. Het noodlot kan soms hard toeslaan.

Referentie
J.d.R. & R.D.S., Een libertijn met bigotte trekjes, De Rode Vaan nr.2 van 1988

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.