Toen graaf Lodewijk van Nevers aan het begin van de Honderdjarige Oorlog tussen koning Filips VI van Frankrijk en de Engelse koning Edward III partij koos voor zijn Franse soeverein, verbood Edward III op 12 augustus 1336 de uitvoer van wol en kort daarna ook van levensmiddelen. Deze maatregelen hadden in Vlaanderen werkloosheid en verpaupering tot gevolg, waartegen het volk in opstand kwam. Jacob van Artevelde bleek de meest toonaangevende figuur op de volksvergadering van 28 december 1337 te Gent en op 3 januari 1338 werd een revolutionair bewind van vijf ‘hoofdmannen’ aangesteld (Willem van Vaernewijk, Gelnoot van Lens, Willem van Huse en Pieter van den Hoeven), waarvan hij als ‘opperhoofdman’ de feitelijke leiding in handen had. (Wikipedia)

Waarom wordt Gent zozeer geassocieerd met Jacob Van Artevelde of beter nog: waarom wil Gent zo graag geassocieerd worden met een figuur waarover eigenlijk bitter weinig bekend is? Laten we stellen dat het een overblijfsel is uit de negentiende eeuw toen de romantici wanhopig op zoek gingen naar historische figuren die de eenheid van een volksgemeenschap konden symboliseren (het beeld van Artevelde op de Vrijdagmarkt werd op 14 september 1863 ingehuldigd).
Nochtans is Artevelde geen onbesproken figuur wat dat “eenheidsbrengen” aangaat. Hij kon weliswaar Gent, Brugge en Ieper op één lijn krijgen door op een neutraliteitspolitiek aan te sturen in de oorlog tussen Frankrijk en Engeland, waarvan Vlaanderen respectievelijk politiek en economisch afhankelijk was. Door die neutraliteit begon Engeland opnieuw wol te leveren zonder dat dit tot represailles van de Franse koning (in de figuur van Lodewijk van Nevers, graaf van Vlaanderen) moest leiden. Toch zou Artevelde nadien wat te veel toenadering hebben gezocht tot de Engelse koning Edward III, wat hem mogelijks het leven kan hebben gekost, maar ook het conflict tussen de volders en de wevers heeft hij nooit goed kunnen beheersen. Ook dat heeft hem misschien uiteindelijk de kop gekost of zou Barbara Tuchmann (“De waanzinnige veertiende eeuw”) het toch bij het juiste eind hebben en had hij zich in al die conflicten te zeer persoonlijk verrijkt? Volgens Patricia Carson (“Jacob van Artevelde”, Leuven, Davidsfonds, 1996, 159 blz.) was hij gewoon op zijn tijd vooruit omdat hij de middeleeuwse feodaliteit wilde ruilen voor een meer “economisch” tijdperk. Wij zouden zeggen: hij was een kapitalist. Zodat Tuchmann misschien toch gelijk had… Hieronder de geschiedenis van mijn geliefde stadje op basis van vele documenten (*).
DE BIJLOKE
In de Middeleeuwen was Gent één van de grootste steden in Noordwest-Europa. Dit blijkt niet alleen uit de kerken, de ruïnes van de Sint-Baafsabdij of het machtige Gravensteen, maar ook uit de honderden stenen burgerhuizen die van in de 12de eeuw het stadsbeeld bepaalden. Het eerste hospitaal in Gent was in die tijd gevestigd aan de zuidkant van de Sint-Michielskerk, langs de Leie. Voor het steeds maar uitdeinende Gent werd het hospitaal weldra te klein. In 1228 besloot men te verhuizen. Het nieuwe hospitaal verschoof een stukje stroomopwaarts van de Leie, naar een terrein dat de “Bijloke” heette, wat “omheind stuk grond” betekent. Naast een hospitaalgebouw werd ook een vrouwenklooster opgetrokken van de orde van Citeaux, dat in de persoon van de abdis zou instaan voor het beheer van het ziekenhuis, al dient gezegd dat al van bij de aanvang ook tal van lekenzusters de dienst uitmaakten. Bij het begin van de zestiende eeuw werd een tweede, kleinere ziekenzaal bijgebouwd. Die kreeg de benaming “kraakhuis”.
Van 1873 tot 1878 realiseerde Adolphe Pauli zijn imposant neogotisch hospitaalgebouw op de site van de Bijloke. De Bijloke werd als ziekenhuis gesloten in 1982 en in oktober 1995 werden de gebouwen definitief opgedeeld tussen de hogeschool (die in de constructie van Pauli terecht kon) en de stadsconcerten, die eerst de oude ziekenzaal (1172 vaste stoelen, mogelijke aanvulling tot 1324 plaatsen), daarna het 19de eeuwse anatomisch theater en tenslotte in 2000 ook het Kraakhuis inpalmden. Het is overigens onduidelijk waarvoor deze naam staat. Sommigen denken dat het een verbastering is van “krankhuis”, anderen zien een verband tussen “kraken” en “sterven” (een zaal voor de ergste gevallen zouden we kunnen zeggen). Alleszins is het een benaming die ook buiten de Arteveldestad voorkomt.
SINT-MICHIELS
In het milleniumjaar 2000 werd in de Sint-Michielskerk een tentoonstelling georganiseerd. Twintig jaar eerder gebeurde dit ook reeds en toen was dat naar aanleiding van het einde van de restauratiewerken. In 2000 was er geen echte aanleiding, maar pastoor Flamand oordeelde dat het gewoonweg weer eens tijd was om de schatten van de zolder (maar meer nog uit de kelder) te halen en alle Gentenaars in staat te stellen mee te genieten van de kerkelijke edelsmeedkunst en het religieuze borduurwerk. Pronkstukken waren de zogenaamde reliekhouders. Deze komen niet vaak aan de oppervlakte omdat ze zo duur zijn om te verzekeren. Het schrijn met de heilige doorn (uit de doornenkroon van Christus) werd enkele jaren geleden bijvoorbeeld uitgeleend aan Antwerpen voor de Van Dijck-tentoonstelling en toen diende het voor meer dan drie miljoen te worden verzekerd! Dat maakt dat zo’n tentoonstelling, zelfs met eigen bezittingen, toch een dure aangelegenheid is.
De opening gebeurde door vicaris-generaal Paul Van Puyenbroeck, Philippe Gombault en Luc Serneels van de kerkfabriek en professor emeritus De Schrijver, die heel de geschiedenis van de kerk nog eens oprakelde. De eerste steen van de huidige kerk werd immers in 1440 gelegd, maar daarvóór stonden er reeds diverse houten kapellen (zo vanaf 1060). God keek blijkbaar niet goedgunstig neer op deze blijken van religiositeit, want het duurde tot 1650 vooraleer de kerk onder dak stond. De werken liepen enorme vertraging op door geldgebrek, stabiliteitsproblemen en natuurlijk de beeldenstorm. Het was overigens na deze beeldenstorm dat de meeste kunstschatten werden verzameld door de energieke pastoor Breydel, niet voor niks een afstammeling van de Brugse beenhouwer. Het marmeren altaar kon hij echter niet redden, tenzij dit tijdens de Franse Revolutie werd vernietigd (daarover bestaat nog altijd geen studie). Als de kerk toen werd omgedoopt (!) in de Tempel van de Rede, kon het orgel worden gered door iemand die de “slopers” enkele tonnen drank aanbood. Veel bracht het niet op, want later werd het toch vernietigd. Vandaar dat er nu een orgel van Pieter Jan De Volder (1767-1841) staat.
Daarnaast waren dan nog eens de problemen in verband met de toren, die oorspronkelijk (in 1632) op 134 meter was voorzien (na de Antwerpse kathedraal zou het dan de hoogste van Vlaanderen geweest zijn), maar men is (in 1825) slechts tot 46,70 meter geraakt. Voor de spits werden nog tot in 1919 plannen getekend en maquettes ontworpen (te zien op de tentoonstelling), maar het is er nooit van gekomen.
Om terug te komen op het schrijn: dat werd aan Antwerpen uitgeleend omdat het van dezelfde periode is als de kruisafname die Van Dijck voor de Sint-Michielskerk heeft geschilderd. Op dit schilderij staat Maria Magdalena overigens mooier (want gebruinder) afgebeeld dan op een gelijkaardig schilderij in Antwerpen. Wie echter meer geïnteresseerd is in de relikwie zelf, komt er bekaaid vanaf. Niet alleen doet de kerkelijke overheid daar zelf niet kinderachtig meer over (indien al die doorns écht uit de doornenkroon van Christus zouden komen, dan had die zowat een heel woud op zijn hoofd staan), er valt bovendien niets van te zien. Hij is, net als de stukjes van het kruishout, tot stof en as vergaan. Een lot dat ons overigens allemaal te wachten staat. Amen.
ARCHITECTUUR ALS DECOR VOOR HET SOCIALE LEVEN IN DE 18DE EEUW (**)
De 18de-eeuwse architectuur is bij uitstek een “theatrale” architectuur: ze functioneert immers in een maatschappij waarin het leven van de adel en de hogere burgerij (groothandelaars en nijveraars) een subtiel spel is, bepaald door de ongeschreven regels van rang en stand. De architectuur wordt hierbij ingezet als een belangrijke troef.
De gevels van de hôtels-de-maître omkaderen zo de flanerende dames en heren. Bijgevolg is de Kouter dé plaats om te zien en gezien te worden. Het plein is omzoomd door verschillende modieuze gevels, zoals deze van het Hotel Falligan en de Hoofdwacht. Op de Kouter of place d’armes vindt de wapenschouwing plaats, worden schutterswedstrijden georganiseerd en worden vele vuurwerken ontstoken. Ook het theatergebouw van de Sint-Sebastiaansgilde zorgt ervoor dat de Kouter zich in de 18de eeuw ontwikkelt tot het nieuwe centrum van het society-leven.
Het Franse ideaal entre cour et jardin, waarbij het hoofdgebouw of corps-de-logis gelegen is tussen een voorkoer en een tuin, blijkt in Gent door plaatsgebrek niet haalbaar. De herenhuizen moeten immers ingepast worden in het reeds vrij hechte stadsweefsel. Dikwijls worden verschillende oudere panden gebruikt als basis voor nieuwe, brede hotels.Toch zijn de 18de-eeuwse woningen veel ruimer van opzet dan tot dan toe gebruikelijk. Van de smalle huizen, hoog opgebouwd en bekroond door een trapgevel, stapt men – indien de financiële middelen het toelaten – over op in de breedte uitgebouwde woningen, waarvan de gevel vlak afgeboord wordt door een kroonlijst. Voor kleinere woningen worden klok- en halsgevels gebruikt. Van skeletbouw evolueert men naar gebouwen met bredere muurdammen, waarop de versiering evenwichtiger kan worden aangebracht. Franse houten vleugelramen vervangen de stenen kruisvensters.
Hét voorbeeld is inderdaad Frankrijk, waar de absolute monarchen, Louis XIV, XV en XVI het culturele leven sterk monopoliseren en domineren. Achtereenvolgens komen de classicerende barok, het rococo en het classicisme tot ontwikkeling. Via modelboeken, zoals deze van Blondel en De Neufforge, wordt de Franse invloed ook in onze contreien verspreid. De Franse bezettingen in 1700/06, 1708 en 1745/49 zijn hierbij eveneens een belangrijke factor. Globaal gezien breken de nieuwe stijlen bij ons door met een kwarteeuw vertraging. In plaats van de Franse witte natuursteen wordt in Gent meestal geopteerd voor een (minder dure) bepleisterde baksteengevel, die zacht groen, blauw, roze, grijs of gebroken wit geschilderd wordt.
De invloed van de Lodewijk XIV-stijl (1700-1740) komt in Gent echter zeer weinig voor. Eén van de vroegste voorbeelden is het Waepen van Zeelant uit 1702 op de Korenmarkt. Gent gaat pas echt door de knieën voor het rococo (1740-1770), een speelse en frivole stijl. Het stabiele en economisch gunstige Oostenrijks bewind in deze periode leidt tot een ware bouwwoede in onze streken. Er komt een typisch Gents rococo tot ontwikkeling dat zeer uitbundig en plastisch van vormgeving is. Mooie voorbeelden zijn het Hotel Falligan (1755), de Hoofdwacht (1738), en de voorgevel van het Hotel d’Hane-Steenhuyse (1768).
Ook het classicisme (1770-1790) kent in Gent succes. Hierbij wordt dan wel sterker het Franse model gevolgd. Eén van de vroegste voorbeelden hiervan is de achtergevel van het Hotel d’Hane-Steenhuyse (1771).
De straatgevel vormt het visitekaartje naar buiten toe en vertolkt dus de sociale status van de bewoner. Toch wordt het echte sociale spel achter de gevel gespeeld, en dit spelen is dikwijls letterlijk te nemen, want in de 18de eeuw vormt de speeltafel een belangrijk element in het sociale contact, vergelijkbaar met de eettafel in de 19de-eeuwse diner-cultuur. Dammen, schaken, tricktrack, kaarten en het lottospel behoren tot het favoriete tijdverdrijf.
Het interieur van de woning is een actief element in het tonen, behouden en eventueel verhogen van de status. De aankleding van het interieur is er dus op gericht de bezoekers te imponeren. Toch mag men de regel van de bienséance of welvoeglijkheid niet overtreden: de inrichting moet gepast zijn, in overeenstemming met de reële status. Wie zijn woning boven zijn stand decoreert, is al gauw de risée van de hogere kringen… Wie zijn woning echter té spaarzaam inricht, mag eveneens rekenen op verontwaardigd gefluister achter de paravents…
Toch zijn bepaalde regels in Gent soepelder dan in Frankrijk. Zo is in Frankrijk de kleur-combinatie rood/wit/goud het privilegie van het vorstenhuis. In Gent laat graaf d’Hane-Steenhuyse echter zonder scrupules zijn slaapkamer in deze kleuren decoreren…
In de hall vertolkt de grootte van de plavuizen de rijkdom van de bewoner. De ontvangst-kamers of de appartements de parade et de société worden bij voorkeur in enfilade aaneengeschakeld, dit is met de deuren zijdelings in elkaars verlengde. Bij de ontvangst van belangrijk bezoek worden alle deuren opengelaten: de diepte van de zo geboden doorblik is één van de parameters voor de welvaart van de bewoners. Een zogenaamd Chinees salon, gedecoreerd met exotische wandschilderingen op papier of zijde, is bijna verplicht als teken van welstand, verfijning en kosmopolitisch denken.
Maar de architectuur vertolkt niet alleen de status van de bewoners; ze wordt ook gebruikt om de status van de bezoeker te benadrukken. Zo is de plaats waar men ontvangen wordt van groot belang. Hierbij spelen twee elementen : tot hoever komt de gastheer om de bezoeker te verwelkomen? En tot hoever mag de bezoeker vervolgens in het woonhuis doordringen: wordt hij te woord gestaan in de antichambre, in de chambre, of wordt hij toegelaten tot in de persoonlijke vertrekken?
Eveneens pionnen in het sociale spel zijn de bedienden, die prominent aanwezig zijn in het receptieve gedeelte van de woning. De meubilering in de ontvangstruimten bestaat immers nog voor een groot deel uit verplaatsbaar meubilair. Zo worden de chaises courants en de verschillende soorten tafels door de bedienden opgesteld waar en wanneer men ze nodig heeft. Pas aan het eind van de 18de eeuw zullen kamers met een vast omschreven functie en permanent opgesteld meubilair, zoals salons en eetkamers, opgang maken.
Toch is er in de 18de eeuw een stijgende aandacht voor comfort en privacy in de woning. Diensttrappen en dégagements zorgen voor een discrete verplaatsing van de bedienden. Vooral in de privévertrekken, de appartements de commodité, wordt gestreefd naar intimiteit en gerieflijkheid. De ruimten zijn hier niet té groot en dus goed te verwarmen, logisch geschikt ten opzichte van elkaar, en voorzien van comfortabel meubilair.
Dit samengaan van aandacht voor representatie enerzijds en streven naar gerieflijkheid anderzijds is kenmerkend voor de architectuur van de 18de eeuw. Het sociale spel wordt gespeeld vóór het (architecturale) decor, maar achter de coulissen komen de acteurs in alle comfort en privacy tot zichzelf.
In september 1996 hield het veilinghuis Loeckx zijn eerste veiling in het Hotel Van Goethem in Ingelandgat, dat door hen werd aangekocht en op die manier van de ondergang gered.
Het zag er inderdaad niet goed uit voor dit prachtige pand uit de achttiende eeuw dat een twaalftal jaren eerder door de stad Gent werd aangekocht met de bedoeling er een meubelmuseum van te maken. Men kon echter niet aan de nodige fondsen geraken en daarom werd het doorverkocht aan de Vlaamse Gemeenschap die het huis in 1985 uitriep tot beschermd monument maar het evenwel verder liet verkrotten. Uiteindelijk werd de woning op nieuwjaarsdag 1993 gekraakt, wat er uiteraard ook geen goed aan deed, maar Peter Loeckx legt er de nadruk op dat de grootste vernielingen daarvóór zijn gebeurd.
Toen hij met zijn Oostendse partner Cecile Govaert in maart 1994 voor ongeveer elf miljoen frank het huis kocht, vlogen de krakers aan de deur en kon de restauratie beginnen. In 1996 stond de gevel nog in de steigers en werd ook nog niet geraakt aan de bovenverdiepingen, maar het gelijksvloers werd goedschiks kwaadschiks in gereedheid gebracht om er reeds veilingen te kunnen laten plaatsvinden, aangezien het vorige veilinghuis in de Ajuinlei gesloopt werd. De enige noodzakelijke wijziging was het overkoepelen van de binnenkoer, die toch niets waardevols bevatte.
Tot dan toe werden reeds voor zeven miljoen restauratiewerken uitgevoerd (schouwen, plafonds met stucwerken), maar het zullen zeker niet de laatste zijn. De eerste verdieping is een schitterende locatie voor tentoonstellingen en op de grote zolder kunnen wellicht ook kamerconcerten plaatsvinden. Maar dat is dan letterlijk en figuurlijk toekomstmuziek. Subsidies heeft men tot nu toe niet ontvangen, maar ook niet gevraagd zo blijkt, aangezien deze werken dringend noodzakelijk waren en een subsidieaanvraag ze zodanig zou vertragen dat er wellicht onherstelbare schade zou optreden.
Het hotel Van Goethem werd in het midden van de 18de eeuw gebouwd in opdracht van J.B.Van Goethem, administrateur van de Oostendse compagnie. De bekende schilder Pieter Norbert Van Reysschoot werd aangezocht om met enkele werken het huis op te vrolijken en deze horen dan ook bij de verkoop. In afwachting van een veilige expositieruimte worden ze nu echter nog bewaard in het Museum voor Sierkunst. In de zogenaamde Chinese kamer moet ook nog een “grisaille” (monochrome, ruwe muurschildering) gerestaureerd worden. Nadien ging het huis over in de handen van de familie Macquaert-Ter Linden, gevolgd door de familie Morel, notaris Timman, tot het tenslotte de familie Brunin was die het huis overliet aan de stad.
Belangrijke acteurs in die 18de eeuw waren de jezuïeten. Om het aanzien van Gent te verhogen waren ze met heel veel geld aangetrokken door het stadsbestuur. Zij vestigden zich in de Volderstraat.
Het samengaan van die twee aspecten blijft ook in de volgende eeuw nog een feit. Zo is Gent op 1 september 1827 de eerste stad na Brussel om met 313 gaslantaarns uit te pakken. De gas werd overigens geleverd door de Imperial Continental Gas Company, gevestigd op wat nu de Waalse Krook wordt genoemd, een oliegasfabriek van de Engelse ingenieur Drory en de Gentse stadsarchitect Louis Roelandt (1786-1864), de ontwerper van o.a. het operagebouw, het Justitiepaleis, de Aula van de universiteit, het slachthuis en het pakhuis, maar ook van de Stapelhuizen in Antwerpen en de O.L.V.Kerk in Sint-Niklaas.
Gent was nogal orangistisch gezind (met aan het hoofd burgemeester Joseph Van Crombrugghe). In 1815 waren in Ledeberg zelfs een heel leger Russische soldaten gekazerneerd, omwille van de Slag van Waterloo (vandaar de naam van de wijk “Moscou”). Misschien daarom dat men hier nog uitbundig de verjaardag van Willem I vierde toen in Brussel al de opstand woedde. Zelfs op 26 september 1833 was er nog een opstootje in de opera omdat een minderheid de uitvoering van het volkslied eiste. Let echter wel op: dit had niets met de taal te maken (de Gentse bourgeoisie was even verfranst als al de rest), maar wel met de economische opbloei onder Willem I. Enerzijds uit dankbaarheid voor de speciale gunsten die hij Gent had toegestaan (de universiteit!), maar anderzijds ook uit platte commerciële overwegingen, namelijk Holland als afzetmarkt. De orangistische beweging werd vooral geïnspireerd door de Gentse vrijmetselarij met aan het hoofd Hippolyte Metdepenningen (1799-1881), wiens standbeeld aan het Justitiepaleis prijkt.

Ronny De Schepper

(*) Meestal afkomstig van het stadsbestuur maar dan zonder vermelding van de auteur. Bovendien werden al die teksten door elkaar gehaspeld en ook nog eens met eigen brouwsels vermengd. Ik wil hier zeker geen pluimen op mijn hoed steken die mij niet zouden toekomen, daarom wil ik vooraf duidelijk stellen dat men er mag van uitgaan dat alle “serieuze” teksten van overheidswege zijn, de grappen en grollen daarentegen zijn van ondergetekende. Ieder zijn stiel!
(**) Hiervan is de auteur wél bekend. Het betreft Leen Meganck.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.