Vandaag zou de Italiaanse dirigent en Rossini-kenner Alberto Zedda negentig jaar geworden zijn, maar ik zie nu dat hij op 6 maart van vorig jaar is overleden (bovenstaande foto VitVit via Wikipedia).

Alberto Zedda studeerde orkestdirectie in Milaan bij Antonino Votto and Carlo Maria Giulini en daarnaast musicologie aan de universiteit van Urbino. Hij debuteerde in 1956 als dirigent met Il barbiere di Siviglia en was in 1957 winnaar van het dirigentenconcours van de Italiaanse omroep. Dit leidde al snel tot gastdirecties in vele operahuizen, zowel in als buiten Italië. In de jaren 1961-1963 werkte hij (speciaal voor Italiaans repertoire) bij de Deutsche Oper Berlin en in 1967-1969 bij de New York City Opera. Hij was ook festivaldirecteur in Martina Franca en van 1980 tot 1992 had hij de artistieke leiding van het Rossini Opera Festival in Pesaro. In het seizoen 1992-1993 was Zedda artistiek leider van La Scala van Milaan.
Als musicoloog deed hij onderzoek naar de muziek van Rossini. Hij bezorgde de kritische editie van diens verzamelde opera’s in samenwerking met de Amerikaanse muziekwetenschapper Philip Gossett. Hij brak ook een lans voor Rossini’s minder geliefde werken, zoals de opera Adelaide di Borgogna die hij in 1984 dirigeerde op het festival van Martina Franca. Ik heb hiervan ook een concertante uitvoering gehoord in de Opéra de Wallonie. Ongelooflijk wat deze man gedaan kreeg van dit anders zo amechtige orkest, dat hij echter wel kent, want hij heeft er vroeger reeds “Il barbiere” en “La gazza ladra” gedirigeerd.
Wegens zijn verdiensten voor de kennis en interpretatie van Rossini werd hij erepresident van de Deutsche Rossini-Gesellschaft. In 2012 publiceerde hij een boek over deze componist. Hij verzorgde ook edities van werk van andere componisten, onder wie Vivaldi, Händel, Donizetti, Bellini en Verdi. Hij deed ook onderzoek naar de authentieke uitvoeringspraktijk en naar muzikale ornamentiek. Alberto Zedda begon zijn titanen-arbeid toen hij in 1956 toevallig Rossini’s “Barbier van Sevilla” als eerste opera-opdracht kreeg toegewezen (zou hij toen ook al een pianoforte i.p.v. een klavecimbel hebben gebruikt voor de recitatieven?). In de gangbare romantische traditie baseerde men zich tot dan toe zoals gezegd kritiekloos op zogenaamde Ricordi-partituur. Maar Rossini heeft twee jaar voor zijn dood een poging gedaan om zijn eigen origineel opnieuw in handen te krijgen voor een Franse uitgever. Dat is hemzelf niet meer gelukt, maar aangezien door testamentaire beschikking na zijn dood al zijn handschriften in het bezit kwamen van de ‘Fondazione Rossini di Pesaro’ en Alberto Zedda daar op dat moment het hoofd van is, was het voor Zedda wel mogelijk om de originele versie te vergelijken met dat wat men er in de loop der jaren van had gemaakt.
1956, dat betekent dus dat hij gelijkaardige arbeid verrichtte als Nikolaus Harnoncourt in Wenen, wat de oude muziek betreft. Gelijkaardig, maar niet gelijk, want in het streven naar ‘authenticiteit’ gaan de beide bewegingen noodzakelijkerwijs enigszins uit elkaar. In het geval van Rossini en zijn tijdgenoten is de meest ‘authentieke’ versie immers niet noodzakelijk de beste. Ze is zelfs vaak niet eens volledig van de hand van de componist. Zo liet Rossini de recitatieven en minder belangrijke aria’s vaak over aan een collega-componist en daarnaast stelden de zangers en zangeressen vaak ook eigen eisen. Zedda wil dus de authenticiteit van de eerste opvoering benaderen, maar zonder die toegevingen, die uiteraard in een huidige enscenering hoegenaamd geen belang meer hebben.
Alberto Zedda stelt dan ook terecht: “Het gaat ons niet om de correcte notentekst, maar veeleer om de geest van de partituur. Een kritische partituuruitgave begrenst de mogelijkheden van de interpreet niet, maar levert een basis waarmee deze aan de slag kan. Ik ben de mening toegedaan dat de muziekwetenschap de uitvoerend kunstenaar moet dienen, en niet omgekeerd.” Naast het orkest van de Luikse opera, heeft Zedda ook ooit met een Vlaams orkest gewerkt, namelijk het Collegium Instrumentale van Patrick Peire. Dat was voor een opname van een andere Rossini-opera “Tancredi”. Nu kreeg Zedda deze keer toch wel een orkest in handen dat zijn kwaliteiten reeds had bewezen.
Bovendien waren ook de solisten niet min: de titelrol werd gezongen door Ewa Podles, die rond die tijd ook te horen was in “Serse” in de Vlaamse Opera, en Amenaide werd gezongen door niemand minder dan de uitmuntende Mozart-vertolkster Sumi Jo. Een aanrader dus, te meer daar deze eerste studio-opname van “Tancredi” werd uitgegeven bij Naxos, wat betekent dat ze destijds voor een prikje (645 fr. voor 2 CD’s) te verkrijgen was. (Rossini – Tancredi – Collegium Instrumentale Brugense o.l.v. Alberto Zedda – Naxos 8.660037-8)

alberto-zedda

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s