Lut de Block, de dichteres uit Hamme, viert vandaag haar 65ste verjaardag.

De poëzie van Lut de Block blijft het rouwproces van een dichteres die zich gevangen weet tussen het kind-zijn en het moeder-zijn. Johan de Belie maakt ons met de luciditeit hem eigen, deelachtig aan vaak weerbarstige gedichten.
Na “Vader” (1984, Yangprijs) en “Landziek” (1989) is “Entre deux mers” de derde poëziebundel van Lut de Block. Een titel die een mooie vondst inhoudt, gevangen tussen twee zeeën bevindt de dichter zich hier ook tussen het kind-zijn en het moeder-zijn, tussen oude wonden en gestold genot. Al is de eigen moeder niet echt betekenisvol aanwezig zoals dat wel is: haar vader die zij zelf levenloos aantrof op de keukenvloer toen zij tien jaar was. Deze gedichten blijven een rouwproces, weze het minder manifest dan de vorige bundels.
Een titel stoelend op een vondst. Helaas blijven een aantal van dergelijke woordvondsten in “Entre deux mers” te gezocht. “Alles draait, draait om het spit in de oven” is er zo één, en “… de gloed van haar nageslacht, de nagloed van haar geslacht” klinkt eveneens te opzettelijk. Al is het subtieler dan in haar tweede bundel waar ik onder meer lees “geen mal de mer, enkel een malle zee”. Soms ontkomt Lut de Block evenmin aan een zekere banaliteit in die taalspelletjes: “Je bent een blinde op een uitkijktoren”. En in het titelgedicht gaat zij zich te buiten aan voorspelbare tegenstellingen: bloedeloze tegenover rode, moedeloze en eindeloze, vuur en water, vliegen en zandbijten, winnaars en verliezers… De poëtische impact van dit gedicht gaat hierin grotendeels verloren.
De depreciatie van “vondsten” is natuurlijk bijzonder subjectief. Zo kan ik dan wel waardering opbrengen voor een zin waarmee het einde van een relatie gesitueerd wordt in leven én in taal: “Het was al dicht, nogmaals gedicht”. En net op de rand van het gezochte: “De aarde baarde vaders maar de vaders/baarden niets, gebaarden van niets”. Terwijl soms het beeld geofferd wordt aan logica: “Ik lig in je armen als een rivier/in haar meander – zonder besef van haar verval”.
Er zijn ook de ronduit sterke gedichten in deze bundel zoals de laatste tekst van de cyclus “Nabeelden” waarin het einde van de relatie gesymboliseerd wordt in het afscheid van een stem, van de woorden. Of elders de indringende, wanhopige vraag “Hoe kan ik hem verleren?” terwijl zij beseft “dat ik van steen ben en verweren moet,/tot brosse aarde zal verteren”. Hoe fundamenteel een relatie kan zijn tekent Lut de Block met “Ik slib in je vast”.
Met al dergelijke pregnante zinnen wordt de bundel tenslotte best leesbaar. Afscheid, gemis, pijn en passie, het zijn de hoofdlijnen die in de eerste cycli uitgezet worden. In de reeks dierengedichten (Klein Bestiarium) verwijst de fauna nauwelijks naar zichzelf maar vooral naar de emoties van de dichter, naar haar pijnen en passies; en brengt zij met één tekst hulde aan Christine d’Haen, de Persephone van de zee die haar pen als een octopus in eigen inkt, in eigen bloed doopt. De bundel eindigt met een cyclus waarin haar dochter centraal staat, teksten die sterk psychologisch en filosofisch onderbouwd zijn. Het opgroeien, het loswikkelen van moeder en dochter… het blijkt dat de dichter de adolescentie niet bepaald als een positief gegeven ervaart maar veeleer als een aanloop tot een volwassenheid waarin men verraden wordt, waarin “het ijs al kraakt”; een onrustige aanloop waarin zij “zich bezeert aan de strik om haar enkels”, een verraderlijke geschenkverpakking.
Uit de evolutie in de drie eerste bundels van Lut de Block die over bijna vijftien jaar verspreid liggen, blijkt dat zij zoniet een meer sobere beeldtaal dan in ieder geval een strakkere verwoording verkiest. Dit wordt vooral duidelijk in de wijze waarop zij met de erotiek en de passie omspringt. En in het verdwijnen van doorzichtige humor. Een gedicht als “How to eat them”, uit de eerste bundel waarin de lezer op het verkeerde been gezet wordt (nu ja) en de dichter suggereert het over de penis te hebben terwijl het laatste zinnetje onthult “mm! mispels”, nee zo’n gedicht hoef je in “Entre deux mers” niet te verwachten.

Johan de Belie

Referentie
Lut de Block, Entre deux mers, Arbeiderspers. Amsterdam, 1997, 47 blz.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s