In 1767 schreef de elfjarige Wolfgang Amadeus Mozart twee symfonieën (beide in F), KV.42a en 43, waarvan de eerste nr.43 wordt genoemd, omdat zelfs het auteurschap niet voor 100% vaststaat (al is dat dan niet omwille van het feit dat het begin van de finale erg lijkt op een populaire gavotte uit “Temple de la gloire” van Rameau), en de tweede nr.6.

De trage beweging van deze laatste symfonie is eigenlijk een transcriptie van het duet “Natus cadit” uit zijn in april geschreven opera “Apollo et Hyacinthus”. Ze moet ontstaan zijn in Olmütz of Olomouc tussen 26 october en 23 december 1767, toen de familie Mozart daarheen was gevlucht om aan een pokkenepidemie te ontkomen. Verloren moeite, zowel Nannerl als Woolfie hadden ze te pakken, maar gelukkig herstelden beiden.
Op de terugweg geven de twee kindsterretjes een recital in Brno en het is hier dat de fameuze passage komt die in “Suske en Wiske” is terug te vinden, namelijk dat de kleine Woolfie geen trompetten kon luchten en zeker niet als men er vals op speelde, zoals de brave amateurs uit Brno, die voor de gelegenheid een geïmproviseerde orkestje hadden samengesteld, deden.
Later zou Mozart een uitdrukkelijke voorkeur voor blazers ontwikkelen, wat dan wordt toegeschreven aan zijn belangstelling voor anale seks. (Dat gaf dan weer voedsel aan speculaties over het “demonisme” bij Mozart: coïteerden de heksen immers ook niet op die manier met de duivel?)
Het grappige is overigens dat in de manuscripten die men nu nog bezit van deze symfonie er… geen trompetten in voorkomen! Die heeft hij tot dan toe immers maar in drie werken gebruikt: een pastiche op een klavierconcerto (KV.40), een offertorium (KV.34) en een concertaria (KV.33i of 36). Het is zeer onwaarschijnlijk dat één van deze drie werken die avond is uitgevoerd, wellicht werd dus één van zijn symfonieën gespeeld met “optionele” trompetten. Maar dan toch ook weer niet KV.43!
In 1768 schrijft de kleine Mozart in Wenen vier symfonieën: in D (KV.45), in Bes (KV.45b), in D (KV.46a of 51, eigenlijk trouwens een herwerking van KV.45) en in D (KV.48). Bij B & H staan ze achtereenvolgens bekend als de 7de, de 55ste, de ouverture van “La Finta Semplice” en de 8ste. Alhoewel de twee Mozartjes, op de terugweg naar Salzburg, in Wenen voor Maria-Theresia en de pas keizer gekroonde Jozef II optraden, is de KV.45 wellicht pas voor het eerst te horen geweest op het concert georganiseerd door de Russische ambassadeur, Prins von Galitzin, want bij Maria-Theresia was er geen orkest aanwezig. De finale is gebaseerd op een populaire melodie, die in het Londen van 1800 de naam had van “Del Caro’s Hornpipe” en die door Leopold ook werd gebruikt in de opening van zijn “muzikale slederit”. Deze symfonie werd dan herwerkt als ouverture van de komische opera “La Finta Semplice”, die Jozef II tijdens hun bezoek had “besteld”.
In 1764 had Salvatore Perillo voor de San Moisé van Venetië reeds als eerste muziek op “La finta semplice” (“De zogenaamd onnozele”) van Carlo Goldoni gezet. Donna Giacinta wil de officier Fracasso trouwen en haar meid Ninetta denkt aan Simone, de sergeant van Fracasso. Tegen beide huwelijken wordt bezwaar gemaakt door Giacinta’s broers, de halfwijze Don Polidoro en de vrek, brompot en vrouwenhater Don Cassandro. De gelieven nemen hun toevlucht tot een list en vragen aan Rosina, de zuster van Fracasso, ervoor te zorgen dat de twee oude mannen op haar verliefd worden. Dat is voor het mooie kind geen enkele moeite en dus komt alles nog in orde.
De personages handelen maar hun gedachtengang wordt niet geanalyseerd. De muziek begeleidt en sommige personages zijn nogal zoetgevooisd in de traditie van Paisiello, de componist die het sentimentele in de opera buffa introduceerde.
Door het schrijven van deze opera waren de Mozarts al ferm over tijd, wat het “verlof” betreft dat de aartsbisschop van Salzburg aan Leopold had toegestaan en van dan af werd dan ook zijn loon ingehouden. Op de koop toe werd de productie vertraagd door jaloerse Weense componisten die beweerden dat het Leopold was die de opera had geschreven. Het is typisch voor Leopold die altijd op zijn strepen stond dat het hem niet kon schelen wat het hem zou kosten, maar dat hij de waarheid wou zien zegevieren. Uiteindelijk zal het toch vruchteloos blijken: de opera werd in Wenen niet uitgevoerd (wel in Salzburg op 1 mei 1769), maar Mozart kreeg wél een officiële bestelling voor de inwijding van een nieuwe kerk.
Op de terugweg passeren ze in januari langs het klooster van Lambach, waar een vriend van vader Mozart, Amand Schickmayr, tot abt was benoemd. Er ontstaan daar twee symfonieën, allebei in G, maar één (KV.45a, de zogenaamde “Alte Lambach”) is van de hand van Wolfgang, terwijl de andere (G.16) aan vader Leopold wordt toegeschreven als de zogenaamde “Neue Lambach”. Aangezien de “Alte” ook inderdààd conservatiever, zeg maar oubolliger is, opperde Anna Amalie Abert in 1964, dat het auteurschap wel eens omgekeerd zou kunnen zijn. Toch is dit niet echt bewézen, net zoals er nog zeven andere symfonieën zijn die door de ene aan Wolfgang en door de anderen aan zijn vader werden toegeschreven, omdat Wolfgang nog maar een debuterend componist was en dus nog geen echt persoonlijke stijl had ontwikkeld.
“Bastien und Bastienne” (KV.50) is een nieuwe muziek voor een opera die niemand minder dan Jean-Jacques Rousseau reeds had gecomponeerd en die veel ophef had veroorzaakt omdat het herderinnetje Bastienne net iets te veel van haar charmes had laten zien. Merkwaardig is dat voor een latere Duitse versie Beethoven een “Einlage” heeft geschreven, terwijl de openingsnoten van Mozarts versie bijna identiek dezelfde zijn als die van Beethovens “Eroica”!
In 1769 schrijft Mozart (wellicht in Salzburg) opnieuw drie symfonieën: vijf delen uit de achtdelige serenade in D (KV.62a), de symfonie in C (KV.73) en die in a (KV.16a, de zgn.”Odense”). Bij B & H krijgt enkel KV.73 een nummer: de 9de. Wat die serenade aangaat, deze werd geschreven in de zomer en bestaat uit negen delen: een mars, allegro, andante, menuetto, allegro, menuetto, andante, menuetto en allegro. De mars heeft een afzonderlijk KV-nummer gekregen (62) en de derde tot en met de vijfde beweging (andante, menuetto, allegro) vormen samen drie bewegingen van een sinfonia concertante voor hobo en hoorn. Het zijn dus de vijf overige bewegingen die als symfonie worden aanzien. Het slot lijkt verbazend veel op het populaire “Am Abend” dat wordt toegeschreven aan ene K.Schulz. Dit zou dan wel eens tenor Karl Schulz kunnen zijn, die dat jaar debuteerde in de kathedraal van Salzburg en er nog tot 1787 (met een onderbreking tussen 1779 en 1783) zal blijven. Deze symfonie bestaat in een uitvoering van Hogwood, de hele serenade daarentegen door de Camerata Academica uit Salzburg op een CD gewijd aan de gelijknamige stad, samen met de Cassation nr.1 die hij daar ook in het voorjaar schreef.
Op 13 december 1769 vertrekt hij samen met zijn vader (maar zonder de rest van de familie) naar Italië, waar hij toch wel optreedt als een soort van “freak-show”. De toeschouwers mochten, mits betaling, immers ook muziekstukken meebrengen, die Wolfgang “op zicht” moest spelen en er liefst ook nog wat bij improviseren. ’t Strafste in dit genre was wel in Verona, waar hij een gedicht in z’n pollen kreeg gestopt, waarop hij ter plekke een melodie moest verzinnen, die hij zelf zong, waarbij hij zich begeleidde aan het klavecimbel! Maatschappelijk gezien, valt ook hier weer op dat Leopold zich beklaagt over te weinig inkomsten, maar deze keer terecht, omdat het merkwaardig genoeg het “gewone” volk is dat moest betalen, terwijl de vooraanstaande burgers, de edellieden en de militairen niet hoefden te betalen! Alhoewel… is dit nu nog altijd niet een beetje zo? Zeker op premières!
In 1770 wordt Mozart in Rome op 5 juli niet alleen in een soort van ridderorde verheven door de paus, maar hij schrijft ook drie symfonieën in D, alle drie gegroepeerd onder KV.73 met als onderverdelingen l, m en n. Bij B & H wordt dat dan resp. de 44ste, de 47ste en de 45ste, omdat zij het auteurschap toeschrijven aan Leopold. Dat zou ook het geval kunnen zijn voor de symfonie in D (KV.73q), die zij dan weer wél als zijnde van Wolfgang tellen (want ze noemen het de 11de) al zou die zelfs van Dittersdorf zou kunnen zijn! Er bestaan drie manuscripten van, die worden bewaard in Wenen, Berlijn en Praag en die daar resp. aan Wolfgang, aan Leopold en aan Dittersdorf worden toegeschreven. Hoe dan ook, Rossini heeft zeker goed naar de finale geluisterd voor het verbale gespetter van zijn barbier.
KV73l draagt de kenmerken van de populaire Milanese componist Giovanni Battista Sammertini. Het slot wordt “caccia” (jacht) genoemd.
De finale van KV73m vertoont onmiskenbaar gelijkenissen met de eerste beweging van Beethovens zevende symfonie, maar aangezien Beethoven deze Mozart-symfonie niet kende, kan er enkel maar sprake zijn van toeval of van een tot nog toe ongekende gezamelijke inspiratiebron.
In Milaan zelf, waar hij kennismaakte met de befaamde contrapuntist padre Giambattista Martini, schreef Mozart ook twee symfonieën: in G (KV.74) en opnieuw in D (KV.74a), omdat Leopold daarvan hield. Bij B & H wordt KV.74 de tiende genoemd. Alhoewel de finale een “rondeau” is (de Franse vorm wijst erop dat het eigenlijk een contredanse is), is dit deel vooral opvallend omdat voor de eerste keer Woolfie’s fascinatie voor Turkse muziek tot uiting komt. Later zal dat nog het geval zijn bij de balletmuziek voor “Lucio Silla” (KV.135), het vioolconcerto KV.219, de pianosonate KV.300i/331, natuurlijk “Die Entführung aus dem Serail” (KV.384) en de aria “Ich möchte wohl der Kaiser sein” (KV.539). Natuurlijk is dit (buiten de invloed van de Janitsarenmuziek die op het einde van de 17de eeuw was ontstaan) geen échte Turkse muziek, veeleer de interpretatie die hun Hongaarse zigeunerburen eraan gaven. Die noemden dergelijke muziek trouwens “Törökos”, “alla turca” zou men kunnen zeggen…
De andere Milanese symfonie is eigenlijk de ouverture van “Mitridate, re di Ponto”, die op 26 december 1770 in première ging, en krijgt dan ook geen nummer. Het libretto van de opera was een bewerking van het stuk van Racine door Vittorio Amedeo Cigna-Santi. Het gaat terug op de historische figuur van Mithridates VI Eupator (111-63 B.C.), die Cappadocië en andere provincies tot aan de Krim had veroverd, maar uiteindelijk werd verslagen door de Romeinen, aangevoerd door Sulla en Pompeius, zodat hij terugkeerde naar zijn koninkrijk Pontus aan de Bosporus, waar hij zelfmoord pleegde in de veronderstelling dat zijn vrouw Aspasia en zijn zonen hem hadden verraden, de ene (Farnace) omdat hij met de Romeinen heulde, nadat Aspasia hem had afgewezen (zijn vader die hem Ismene als oorlogsbuit meebracht staat dus mooi voor aap), de andere (Sifare) omdat die wél de liefde van zijn stiefmoeder opwekt. Toch laat Mozart (in tegenstelling tot Racine) het stuk nog op een verzoening rond het sterfbed eindigen, doordat Sifare de Romeinen verslaat en Farnace wroeging krijgt.
“Mitridate” is één van de eerste “opera seria”, die de barokopera met zijn vele personages moest vervangen. De personages worden nu doorgaans herleid tot zes en aria’s en recitatieven worden heel duidelijk gescheiden. Die aria’s waren voornamelijk “da capo aria’s”, driedelige aria’s, waarbij het derde deel een versierde herhaling is van het eerste. Inhoudelijk moest zo’n aria een “affect” oproepen of vaak ook een vergelijking (de zgn. “simile-aria”), waarbij de zanger zich vergelijkt met een dier. In de barok moest de componist zich tot één affect per muziekstuk beperken en zelfs Mozart houdt zich hieraan nog in zijn aria’s van zijn ernstige opera’s (elders doorbreekt hij dat). Nadien volgt steevast een muzikaal naspel dat de zanger van zo’n bravoure-aria in staat moet stellen het podium te verlaten en tegelijk het applaus in ontvangst te nemen.
Met deze symfonieën zit hij wel in het “traditionele” genre, want de Italiaanse theaters speelden volop in op de smaak van het publiek en gingen alle vernieuwing uit de weg. Voor muzikale vernieuwingen moest men dan paradoxaal genoeg op het oksaal van de kerk zijn, want hier was het dat werd geëxperimenteerd met dubbele en “triple” fuga’s, met twee koren en zelfs met twee orkesten. Vandaar dat de Duitse school met Gluck, Stamitz en de zonen van Bach de Italianen voorbijstak. Zelfs Gossec had in Duitsland gestudeerd!
Al deze symfonieën worden dan ook “Italiaanse” symfonieën genoemd, maar dat betekent daarom niet dat ze geen menuet hebben, zoals dat inderdaad bij symfonieën die doorgaans “Italiaans” worden genoemd het geval is. Bij Mozart betekent het eerder dat ze in Italië werden geschreven, want hij wilde juist het menuet introduceren bij de Italianen. Typisch is ook dat concerten in Italië meestal in “arenavorm” werden gegeven, m.a.w. het publiek zat helemaal rond het orkest, dat ook groter was dan elders.
Op 28 maart 1771 is hij opnieuw in Salzburg, waar hij “La Betulia liberata” schrijft (KV.118), geen echte opera maar een “action sacrée”, op een tekst van Metastasio uit 1734, waarvan de ouverture in d (KV.74c) door Hogwood als symfonie wordt geteld. Het gekke is dat alhoewel Mozart aan dit werk was begonnen op vraag van Don Giuseppe Ximenes Prins van Aragon in Padua op 13 maart, zijn versie nooit in Padua werd uitgevoerd (wel die van een lokale componist, Giuseppe Calegari). Niet toevallig is de ouverture in dezelfde toonaard geschreven als die van “Alceste” (1767) van Gluck. Sedert februari 1768 voerden de Mozarts immers correspondentie met deze componist.
Hogwood telt ook de “54ste” in Bes (KV.74g), en de “42ste” in F (KV.75) als een symfonie, maar alleen de twaalfde in G (KV.75b) is een “officiële”. Terwijl de eerste en de derde beweging duidelijk de invloed dragen van Joseph Haydn, is de tweede beweging een “romance”, nogal in de stijl van de symfonie van Gossec uit 1761. Het slot is zoals gewoonlijk een exotisch dansje (een gavotte of een contredanse).
In die tijd waren symfonieën zeker geen “ernstige” werken. Ze dienden bij concerten gewoon als “opwarmer” voor de vocale stukken, waar het publiek op uit was. Vandaar dat het onderscheid met een opera-ouverture zo gering is.
Op 13 augustus 1771 is hij opnieuw in Milaan, waar hij “Ascanio in Alba” schrijft, waarvan de ouverture in D (KV.111) door Hogwood als een symfonie wordt geteld. “Ascanio” werd geschreven t.g.v. het huwelijk van de Oostenrijkse aartshertog Ferdinand met prinses Maria Ricciarda Beatrice van Modena. Toch ging hij dus in Milaan in première op 17 oktober, in een choreografie van Noverre, dé grote naam uit die tijd. Daarom dat het andante eigenlijk als het ballet van de Gratiën is bedoeld. In de finale werden ze zelfs verondersteld van te zingen, samen met de Geesten, zodat de negende symfonie van Beethoven toch ook weer niet zo origineel is. Trouwens, mindere goden als Winter en Machek hadden ook reeds vocale muziek in hun symfonieën verwerkt.
In Milaan schrijft Mozart ook zijn “46ste” symfonie in C (KV.111b), de 13de in F (KV.112) en het divertimento nr.1 in Es (KV.113). De eerste twee bestaan in een uitvoering van Hogwood, het divertimento door de Camerata Academica uit Salzburg op de gelijknamige CD.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s