Het is al vijf jaar geleden dat de wereld zou moeten zijn vergaan. Volgens sommige interpretaties zouden de Maya-indianen in Midden-Amerika immers voorspeld hebben dat op 21 december 2012 de wereld zou vergaan (de MIA’s, zoals Jan Becaus zou zeggen). Hun kalender houdt namelijk die dag op met tellen. Maar er gebeurde niets. Kijk, dat had ik nou weer kunnen voorspellen!

Toch trokken duizenden naar het dorpje Bugarach in de Languedoc (foto). De streek vlakbij de grens met Spanje vormt al eeuwen een vruchtbare basis voor verhalen over energievelden, spiritualiteit en lichtverschijnselen. Schrijver Dan Brown gebruikte de legende van het dorpje Rennes-le-Château, niet ver van Bugarach, als inspiratie voor zijn wereldwijde bestseller De Da Vinci Code. De nazi’s stuurden archeoloog Otto Rahn naar het gebied om er de Heilige Graal te zoeken, wat dan weer de inspiratie gaf voor The Raiders of the Lost Ark, de succesfilm van Steven Spielberg. De jongste verhalen gaan eerder over ufo’s. Ruimteschepen van buitenaardse wezens zouden kind aan huis zijn in Bugarach en Rennes-le-Château: foto’s op internet ‘bewijzen’ het. Er zijn verhalen dat de 1.200 meter hoge berg bij Bugarach zal opensplijten, waarna een ruimteschip naar buiten komt en aardbewoners zal meenemen. The chosen few. Een thema dat al jaren terugkeert in tal van rampenfilms…

In zekere zin wordt dat thema ook aangeraakt in de intelligente rampenfilm “Children of men” van Alfonso Cuarón uit 2006, maar aangezien het zoals gezegd een intelligente rampenfilm is, komt het hier aan bod bij religieuze fanatici die in het licht van het algehele kataklysme natuurlijk aan aanhang winnen. “Children of men” heeft als thema dat de mens – het wordt niet gezegd waarom, maar men suggereert omwille van de milieuverontreiniging – in de nabije toekomst (2027) onvruchtbaar zal zijn. Op dat moment is de jongste mens trouwens al achttien jaar oud, dus eigenlijk zou het opduiken van onvruchtbaarheid al in 2009 moeten zijn geweest. Voor de film lag dat jaar nog drie jaar in de toekomst, maar voor ons ligt het, net als 1984 en 2012, al achter de rug. Oef!

In “Children of men” wordt ene Theo Faron (Clive Owen) opgedragen om een zwart meisje, Kee (Clare-Hope Ashitey), aan boord van een boot, niet toevallig de Tomorrow genaamd, te brengen. Eerst weet hij niet waarom, maar in de loop van hun vlucht, zowel voor de regering als voor rivaliserende bendes, wordt duidelijk dat zij op miraculeuze wijze toch zwanger is. De religieuze fanatici denken natuurlijk onmiddellijk aan een maagdelijke conceptie, maar uiteraard weet ze gewoonweg niet wie de vader zou kunnen zijn, omdat er meerdere in aanmerking komen. Toch slagen zij erin hun doel te bereiken nadat de baby is geboren, aangezien deze een soort van goddelijke eerbied afdwingt in een goddeloze pandemie.

Uit hetzelfde jaar dateert ook “Déjà vu” van Tony Scott, waarin op zo’n typische veerboot à la “Proud Mary” een bom ontploft, waarbij meer dan vijfhonderd slachtoffers vallen. Denzel Washington is de man die mag oplossen wie achter deze terroristische actie zit.
Rampenfilms floreren dus meer dan ooit, al had John Irving voorspeld dat ze nooit meer dezelfde zouden zijn na “9/11”. Hij formuleert het in zijn boek “Until I find you” (2005) als volgt: “Later that year, after the terrorist attacks on September 11, it would be too difficult to find financing for a film about the Halifax Explosion – even with a movie star in it. Suddenly, disaster movies weren’t all that appealing. (This feeling would persist for a whole year or more.)” (p.838) Dat “a whole year or more” ligt natuurlijk al lang achter de rug en voor de filmindustrie zijn de rampenscenario’s voor de opwarming van de aarde ondertussen gefundenes Fressen.

9/11

Uiteraard is de film waarover Irving het heeft (over de zogenaamde Halifax Explosion, een aanvaring tussen een Noors en een Frans schip op 6 december 1917 in de haven van het Canadese Halifax, waarbij de Franse boot die geladen was met munitie voor de oorlogvoerende troepen vuur vatte en een enorme explosie veroorzaakte, met als gevolg bijna tweeduizend mensen gedood en negenduizend zwaar gekwetst) nooit gemaakt, maar Irving heeft zich blijkbaar wel laten inspireren door de gedramatiseerde documentaire die in 2003 werd gedraaid door Bruce Pittman.

Op het eerste gezicht heeft Irving trouwens ongelijk want er zijn wel degelijk een aantal films gedraaid over “9/11”, sommige zelfs bijna onmiddellijk na de ramp. Maar wat Irving bedoelt is dat deze films niet aan de clichés van het genre “rampenfilm” beantwoorden. Sommige van die films zijn “documentaristisch” bedoeld (“World Trade Center” van Oliver Stone uit 2006 of “United 93” van Paul Greengrass, eveneens uit 2006, over het gekaapte vliegtuig dat in een veld in Pennsylvania terechtkwam), andere willen een complottheorie ondersteunen, nog andere willen de politieke denkbeelden die aan de oorsprong van de aanslagen liggen verspreiden of bestrijden (al naargelang van het standpunt), maar geen enkele van deze films valt te catalogeren onder de rubriek “disaster movies” met als voornaamste kenmerk “with a stars spangled cast”
Het ultieme disaster in bijbelse termen is uiteraard “Armageddon” en een film uit 1998 van Michael Bay tracht dat ook waar te maken. Met de nadruk op tracht. Want al van bij de aanvang wil de film bigger dan al wat voorafging zijn wat vernietigingen betreft (door een meteorietenregen, voorafgaand aan de inslag van een gigantische asteroïde die de aarde uit elkaar zal doen spatten), maar zoals zo vaak: overdaad schaadt. Maar de film gaat in overdrive (van gewoon slecht naar kotsmisselijk) als de Russische kosmonaut in beeld komt. Vanaf dat ogenblik is het werkelijk één walgelijke ranzigheid tot het onverbiddelijke einde (dat uiteraard juist geen einde is). Maar wel met Bruce Willis als ultimate hero, of wat had je anders gedacht in een film als deze. Nu, wat stars betreft, heeft de film wel een aantal verrassingen in petto. Of had jij soms ooit Billy Bob Thornton of Steve Buscemi in een dergelijke film verwacht? (By the way, aangezien deze film op de valreep nog voorafging aan 9/11 krijgt ook één van de Twin Towers een smeet van een meteoriet te verwerken.)
TITANIC
Als er echter geen nieuwe rampenfilms als zodanig meer zullen worden gedraaid, dan zal dé rampenfilm bij uitstek dus voor eeuwig en altijd de ondergang van de “Titanic” (overigens via de begraafplaats van Halifax gelieerd aan “the Halifax Explosion”, p.839) blijven. Dit spreekt immers zo tot de verbeelding omdat het zinken van dit “onzinkbare” schip meestal als symbool wordt gezien als de teleurgang van de negentiende eeuwse westerse maatschappij, ook gezien de datum 1912, dus vlak voor de Eerste Wereldoorlog. Het is echter moeilijker om aan te duiden welke film nu juist het beste die sfeer weergeeft. De jongste versie (James Cameron, 1997) is zeker de meest spectaculaire maar die “Untergang des Abendlandes” vind ik daar juist helemààl niet in terug. In mijn persoonlijke herinnering was “A night to remember” (Roy Ward Baker, 1958) het meest aangrijpend, maar het kan zijn dat die herinnering vertekend is door het feit dat ik nog erg jong was toen ik de film zag. Het was ook een ongelooflijk romantische verfilming die ver verwijderd was van de gruwelijke realiteit zoals die o.m. door Dirk Musschoot in zijn boek “De Vlamingen op de Titanic” (2000) wordt beschreven: “Wie gered werd, heeft in elk geval vreselijk voor zijn leven moeten vechten. Vanuit sloepen werd op hen geschoten en met bijlen werden de vingers afgehakt van drenkelingen die zich aan een bootje vastklampten.”

Herbert Selpin draaide tijdens de Tweede Wereldoorlog “Titanic”, nadat er in 1929 al een stille versie was gedraaid met “Atlantik” van Ewald André Dupont. Met Selpin had dus ook nazi-Duitsland “zijn” versie van het Titanic-drama. De film zelf was trouwens ook een drama, aangezien regisseur Selpin nog voor het einde van de film werd gearresteerd omwille van een “te sombere visie” (let op de tijdsomstandigheden!). Selpin stierf tijdens zijn gevangenschap. De film werd verder afgewerkt door Werner Klingler maar bleef toch verboden. Later (in 1953) zou Walter Reisch een nieuwe versie schrijven van “Titanic” voor Jean Negulesco, maar dan wel in Hollywood. De allereerste verfilming komt echter uit Italië (Pier Angelo Mazzolotti, 1915). In 1939 tekende Hitchcock een contract bij Selznick om in Hollywood de ondergang van de Titanic te draaien, maar deze versie is er helaas nooit gekomen.

POSEIDON

Na de Titanic is de Poseidon ongetwijfeld het tweede grootste rampenschip. Het eerste verschil is natuurlijk dat het hier om pure fictie gaat. Daarnaast is de originaliteit van het verhaal vooral gebaseerd op het feit dat dit schip niet zinkt (het is daadwerkelijk “unsinkable”) maar dat het omgekeerd komt te liggen. Dat is vooral voor de decorateurs een weergaloos feest!

Over feesten gesproken, typisch voor een rampenfilm is dat het tijdstip van de ramp niet willekeurig is gekozen, maar wel op het moment dat alles juist cumuleert in een hoogtepunt (denk aan “alhoewel we ons aan de rand van de afgrond bevinden…”). Dat is zo in “Towering inferno” en ook het ongeluk met de Poseidon gebeurt net op het moment dat men aan boord van het schip oudejaarsavond viert. In de oorspronkelijke versie uit 1972 geeft dit aanleiding tot het zingen van een meewarig liedje dat achteraf zelfs een redelijke hit zou worden (“There will be no morning after”) waarvoor de film zelfs een oscar zou krijgen. Die ging echter niet naar filmcomponist John Williams maar naar Joel Hirschhorn (1937-2005), die samen met Al Kasha (ook geboren in 1937, bij mijn weten nog steeds in leven) voor het schrijven van de song instond. Dit duo zou trouwens levenslang samenwerken, o.a. voor Disney’s “Pete’s Dragon” en voor twee afleveringen van The Simpsons (“The wettest story ever told” en “A streetcar named Marge”). Het weze trouwens voor eens en voor altijd gezegd dat niet actrice Carol Lynley dat nummer zingt (al playbackt ze het wel ontroerend), maar Renée Armand, al wordt die naar Hollywood’s slechte gewoonte niet op de aftiteling vermeld.

De regisseur van “The Poseidon Adventure” was Ronald Neame, maar de actiescènes komen op rekening van Irwin Allen, de maker (tien jaar eerder) van “Voyage to the bottom of the sea”, de ultieme duikbootfilm, waarin de duikboot in kwestie steeds daalt of opstijgt in een hoek van 45°. Dat moet daar plezant geweest zijn aan boord!

De kapitein van de “originele” Poseidon was overigens Leslie Nielsen. Geen wonder dat het met zijn schip slecht moest aflopen!

Rampen met onderzeeërs waren al lang voor de “Koersk” natuurlijk ook “gefundenes Fressen”, zo b.v. “Grey Lady down” van David Greene uit 1978 met in de hoofdrol de onvermijdelijke Charlton Heston. Een ander vast gegeven van een rampenfilm (cfr. het reeds genoemde “Towering inferno”, maar ook “Airport”) is immers dat er een resem oude acteurs aan deelnemen, die in de film dan meestal allemaal een heldhaftige dood sterven. In de film van Ronald Neame zijn dat o.a. Ernest Borgnine, Red Buttons en vooral Shelley Winters. De echte held van het verhaal is evenwel Gene Hackman, die dan nog aan het begin van zijn carrière stond en het zou dus leuk geweest zijn mocht hij in de remake van Wolfgang Petersen uit 2006 nog even de “oude” held had mogen uithangen. Helaas vond Petersen blijkbaar dat hij deze gouden regel van de rampenfilm aan zijn laars mocht lappen…

Deze film is trouwens geen “echte” remake van “The Poseidon Adventure”, want buiten het feit dat de boot ook omkeert na een “tsunami” – al wordt deze reuzegolf zelfs in de remake van 2006, dus drie jaar na de échte tsunami (*), nog altijd niet zo genoemd – blijft er niet veel meer over van het oorspronkelijke boek van Paul Gallico. Ofwel had de versie uit 1972 destijds weinig met de originele roman te maken (ik kan het niet weten aangezien ik het boek niet heb gelezen), maar daar twijfel ik sterk aan. De versie uit 1972 was immers veel sterker op het vlak van psychologisering (de rol van “predikant” Gene Hackman en die van zijn tegenhanger, de politieman Ernest Borgnine; diens vrouw, het ex-hoertje, rol van Stella Stevens; om nog te zwijgen van de sterfscène van Shelley Winters) en dat duidt toch allemaal op “literaire” beïnvloeding. Daar was in de nieuwe versie niks meer van over. Eigenlijk is zelfs geen enkele rol mij bijgebleven, tenzij het feit dat Kurt Russell een ex-burgemeester van New York speelt met nogal veel noten op zijn zang. De tegenwind komt in dit geval van een drankorgel, die echter op de kortste keren in de vlammenzee verdwijnt. Aan de rol van Richard Dreyfuss zat wat meer vlees, maar deze acteur (nochtans niet van de minste) kreeg bijna geen kans om zijn personage uit te diepen. Alleen de scène met de keukenhulp die hij moest “afstoten” om zelf in leven te kunnen blijven (ondanks het feit dat hij vlak vóór de tsunami nog zelfmoord wilde plegen) was aangrijpend.

Ondanks het feit dat regisseur Wolfgang Petersen een mooi palmares kan voorleggen (“Das Boot”, “Die unendliche Geschichte”, “Enemy mine”) had ik mij hier wel aan verwacht. Ik keek dus vooral voor de special effects en de production design. Die special effects (bijvoorbeeld de tsunami zelf!) stelden me wel wat te leur. Men ziét als het ware dat het om een schaalmodel gaat. De production design (de omkering van het schip is natuurlijk een prachtige uitdaging) van William Sandell daarentegen was weer prachtig. Bij mijn weten heeft de man er geen prijs voor gekregen, maar dat had van mij best gemogen.

GROOT BUDGET

Typisch is ook dat rampenfilms meestal ook een groot budget vergen. Vele van hen draaien in de realiteit dan ook op echte “rampenfilms” uit, in de betekenis dat productiehuizen er nogal eens plegen mee overkop te gaan. Het bekendste voorbeeld is dat van “Raise the Titanic” van Jerry Jameson uit 1980 die aan de oorsprong lag van het tot zinken brengen van het filmimperium (Britse commerciële televisie, The Muppets, The Saint…) van de Britse Lord Lew Grade (1906-1998). Met typisch Brits flegma reageerde deze dan ook met “it would have been easier to lower the Titanic…”

Ook het startsein op 12 augustus 1974 voor de verfilming van de ramp met het luchtschip Hindenburg was bijna het genadeschot voor Universal-producties. “The Hindenburg” van Robert Wise zou het orgelpunt worden van een groots opgezette rampentrilogie waarvan “Airport ’75” (of “Jumbo 747”) en “Earthquake” de andere delen vormden. Tegenslag volgde immers op tegenslag en toen de filmploeg voor “Jaws” ondertussen tegen 40.000 toenmalige Belgische frank per uur nagenoeg werkloos op zee zwalpte, kwam de afwerking van het Hindenburg-project in het gedrang. Kilometers pellicule bleef in de montagekamers steken tot het Jaws-mirakel gebeurde en het geld begon binnen te stromen. De Hindenburg kreeg het licht op groen. In totaal werd zeshonderd miljoen frank aan de film gespendeerd, meer dan het dubbele van de haaien van Spielberg. Maar dat betekent helaas niet dat de film dan ook twee keer zo goed zou zijn…

Universal had trouwens geen geluk met haar rampenfilms. Het toppunt was wellicht “Concorde – Airport 1979” van David Lowell Rich uit… 1979 (**). The film was laughed off the screen during its initial screening for industry members and press at the Universal Studios lot. So when American audiences greeted the film with derisive laughter, Universal decided to market it as a comedy, with the tagline: “Fasten your seatbelts, the thrills are terrific… and so are the laughs!” No wonder it’s listed among The 100 Most Enjoyably Bad Movies Ever Made. The picture was a critical and commercial failure at the box-office with the lowest financial take of the four “Airport” movies. George Kennedy and Monica Lewis are the only returning actors from the “Airport” movie series to appear in the movie. Kennedy’s continuing character of Joe Patroni appeared in all four “Airport” pictures.

Een andere mogelijkheid is natuurlijk juist de special effects uitschakelen. Zo is er in “The Ark” van Kenneth Glenaan uit 2015 nauwelijks iets te zien van de beesten aan boord van de ark en van de zondvloed helemaal niets. Men ziet Noach na wat donder- en lichteffecten gewoon met een politiek correcte zwarte god praten op de top van een berg (Ararat?) en that’s it. Less is more, maar hier is less as good as nothing.

“Alive” van Frank Marshall is de verfilming van het ophefmakende waar gebeurde verhaal van de overlevenden (leden van een rugbyploeg) van een vliegramp in het Andes-gebergte, die op de duur gedwongen zijn het vlees van de overledenen op te eten.

Het succes van “Twister” heeft ervoor gezorgd dat er een hele reeks rampenfilmps op ons afkwam: “Daylight” (van Rob Cohen met Sylvester Stallone en Amy Brenneman), “Deep rising” (met Treat Williams), “The flood” (van de Mississippi door Mikael Salomon met Morgan Freeman, Christian Slater en Randy Quaid). De (ongewild) grappigste “Twister”-film is echter “Sharknado” van Anthony C.Ferrante uit 2013. Met een scenario dat een beetje aan dat boek van Murakami doet denken, waarin het op een bepaald moment vissen regent, en ook wel aan “It’s raining men” van The Weather Girls, gaat het hier over een tornado die een kolonie haaien uit de zee heeft gevist en die laat neerkomen op Los Angeles. Het grappige daarbij is dat die haaien als eerste zorg blijkbaar hebben hun honger te stillen i.p.v. hun hachje te redden. In het “voorbijgaan” (voorbijflitsen eigenlijk) bijten zij dan ook diverse lichaamsdelen af van mensen die ze op hun passage aantreffen. En zonder een spoiler weg te geven kan ik toch wel zeggen dat de ontknoping met de “held” die met een kettingzaag letterlijk in een haai duikt ontzettend hilarisch is. Je raadt immers nooit waarmee hij naar buiten komt… Maar goed, men kan ermee lachen maar ondertussen (2016) zijn er toch al niet minder dan drie sequels op gemaakt!

En natuurlijk mogen we “Titanic” van James Cameron niet vergeten. En “Independence Day” was uiteindelijk ook een rampenfilm, zij het dan geen natuurlijke ramp zoals een vulkaanuitbarsting, die door niet minder dan drie filmstudio’s tegelijk werd uitgebracht (“Dante’s peak” door Universal, “Volcano” door Fox en “Ring of fire” door Disney).

Maar als we het dan toch over vulkaanuitbarstingen hebben, geef mij op dat gebied dan maar de klassieker “Krakatoa: East of Java” van Bernard Kowalski uit 1969. Naast Maximilian Schell en Brian Keith zijn daarin immers de op dat moment reeds overjaarse tieneridolen Sal Mineo en John Leyton te zien. Toch kapseist de film (in tegenstelling tot de boot The Batavia Queen die de hoofdrol speelt) volledig omdat te veel verhaallijnen door elkaar lopen (de muiterij, de Ama-meisjes, het zoeken naar een verloren zoon, enz.). Op dat vlak pakt “Dante’s peak” (Roger Donaldson, 1997) dat veel beter aan. Daarin komt een kleine “sideline” voor van een jong koppeltje dat naakt wil gaan zwemmen in een meertje. Op een paar minuten tijd komen we te weten dat ze dit reeds vaker gedaan hebben als opwarming voor een stomende vrijpartij. Weten zij veel dat ondertussen de lava van Dante’s peak dit meertje heeft bereikt en dat het water zo stomend heet is als zijzelf. We zien ze in het water springen en heel terecht toont de regisseur niet hoe ze als gekookte kreeften weer komen boven drijven…

Als men dit alles zo bekijkt, dan valt het echter eigenlijk nog wel mee. Ik had bijvoorbeeld veel meer rampenfilms over de opwarming van de aarde verwacht. In 1973 was er wel reeds een Japanse film die een soortgelijk scenario had. In “Nippon chinbotsu” van Shiro Moritani wordt “de verzwelging van Japan” (zoals de titel ongeveer betekent) evenwel veroorzaakt door de versnelde continentendrift.

In 2004 was er natuurlijk wel “The day after tomorrow” van specialist Roland Emmerich, maar het voor het medium film nu eenmaal noodzakelijke feit dat je een evolutie van honderden jaren tot een paar dagen moet reduceren, levert wel mooie beelden op, maar de geloofwaardigheid schiet er natuurlijk niet mee op. Bovendien kan Dennis Quaid moeilijk als “Grote Naam” gelden. De combinatie van het persoonlijke verhaal van de redding van zijn zoon en diens vrienden met het feit dat hij tegelijk ook de bedenker van het rampenscenario is, is ook niet echt gelukkig.

In 2007 volgde “Flood” van Tony Mitchell, waarin zowat heel Londen verzuipt (wat mij eraan herinnert dat “Help de dokter verzuipt” ook een soort van rampenfilm is, maar dan in een heel andere betekenis). De grote “fout” van deze productie was echter ook hier dat er veel te weinig “grote namen” aan deelnamen (tenzij u Tom Courtenay en David Suchet tot “grote namen” rekent). Anderzijds werd de hoofdrol vertolkt door Robert Carlyle, waarvan je – zeker gezien het feit dat hij meestal onder water moet “acteren” – alle momenten verwacht dat hij een “full monty” zal laten zien. Het meest onthutsend is nog Nigel Planer (de gewezen hippie uit “The young ones”) in een rol die door de eerste de beste boekhouder zou kunnen worden gespeeld.

In 2008 was er dan de Duitse film “Lost City Raiders” van Jean de Segonzac. In Humo kreeg de film terecht amper anderhalve ster, dus misschien is die “Jean de Segonzac” (nu niet bepaald een Duitse naam) een pseudoniem voor een regisseur die zich achteraf schaamde voor zijn product (***). En inderdaad, slecht geregisseerd, slecht geacteerd en de vrouwen lopen er constant bij met de borsten half bloot. Kortom, een héérlijke film, die de opwarming van de aarde zowaar koppelt aan een Da Vinci Code-achtige zoektocht naar de scepter van Mozes. De staf waarmee deze de Rode Zee deed splijten, moet toch immers ook wel de stijging van de zeespiegel kunnen beletten, zeker? Allé, dat we daar nog niet éérder opgekomen waren!

Op de één of andere manier ging de vorige film ook terug op Pangea, het al dan niet mythologische continent waaruit de aarde zou hebben bestaan vooraleer de continenten uit elkaar gingen driften. De omgekeerde beweging, dus de continenten die weer naar elkaar toegroeien, vormt de basis voor alweer een andere rampenfilm “10.5: Apocalypse” van John Lafia uit 2006. De 10.5 slaat op de sterkte van een aardbeving in Californië op de schaal van Richter en daarmee begint de film inderdaad ook, maar het botsen van de tectonische platen veroorzaakt vooral tsunami’s en vulkaanuitbarstingen, alleszins komt dit meer aan bod in deze film waarin de obligate oudjes een gastrol vertolken (Beau Bridges als de president van de VS, Frank Langella als de “mad scientist” die het allemaal had voorzien maar niet werd geloofd). Ik ben er zeker van dat het op de een of andere manier allemaal wel in orde komt (het driften van hele continenten tegengaan, dat moet toch maar een kleine moeite zijn, nietwaar?), maar hoe dat weet ik niet, want Scarlet liet het weer eens afweten wat opnemen betreft…
MAATSCHAPPIJKRITIEK

Na de Tweede Wereldoorlog zag men in dat de atoombom in staat was om de hele mensensoort uit te roeien en onwillekeurig legde men het verband met het verdwijnen van de vroegere heren der schepping. Zo kwam men tot films waarin dinosauriërs onder invloed van atoomproeven weer tot leven werden gewekt. Eerst was er Hydra in “Reptilious”, kort daarna “The beast from 20.000 fathoms” van Eugene Lourie uit 1953. Ook al is de rhedosaurus die uit het ijs vrijgekomen tengevolge van de grote hitte-ontwikkeling na een atoomproef in het Noordpoolgebied volgens prof.Nesbitt (Paul Christian) alleen maar klein te krijgen met een radioactieve granaat. Paula Raymond zorgt voor de “love interest”, terwijl Kenneth Tobey en Lee Van Cleef vinden dat hij aan hallucinaties lijdt…

Diezelfde Lourie duikt in de jaren zestig opnieuw op, maar dan als “production designer” voor “Crack in the world” van Andrew Marton. Hierin tracht een mateloos ambitieuze geleerde tot het magma onder de aardkorst door te dringen met de hulp van een atoombom. Om subsidies los te weken, liegt hij voor dat de mensheid hierdoor ongelimiteerde bronnen van erts en energie kan aanboren, in werkelijkheid wil hij alleen een jongere collega voor zijn om die de nobelprijs af te snoepen. Aangezien ze allebei achter dezelfde vrouw aanzitten, komt er ook nog een “love interest” aan te pas, maar die wordt dan toch zeer onhandig aangebracht: ondanks het feit dat de vrouw eveneens kernfysicus is, stopt zij b.v. de sokken van haar jonge minnaar. Deze heeft het uiteraard bij het rechte eind als hij veronderstelde dat het gebruik van de atoombom een “scheur in de wereld” zou veroorzaken. Via een tweede atoombom wordt deze scheur omgebogen, zodat uiteindelijk slechts een stukje aarde de lucht wordt ingeschoten als een nieuwe maan. De oudere geleerde zit daar nog op, zodat de legende van “het mannetje op de maan” ook meteen nog wordt verklaard…

Het “mannetje op de maan” speelt ook een belangrijke rol in de tweedelige televisiefilm “Impact” van Mike Rohl uit 2009. Dat zeg ik met een knipoog natuurlijk, ook al omdat deze film zichzelf véél te serieus neemt. Het gaat hier ook over atoombommen die de redding van de wereld betekenen, maar dan niet op de aarde zelf, maar op de maan. Om een botsing met de maan te vermijden, moet heel de wereld samenwerken. Dat is een boodschap die we reeds eerder meekregen in dergelijke films, maar dat alle slechteriken in het licht van het feit dat de aarde nog slechts een maand te gaan heeft, allemaal heilige boontjes worden, dat is werkelijk “zum kotzen“. Er is de stalker op de trein die uiteindelijk een held blijkt te zijn, de “sociofobe” opa die als het erop aankomt zijn leven geeft voor zijn kleinkinderen en zelfs de zonderling die onrechtstreeks de dood van opa veroorzaakt, bekeert zich uiteindelijk (zonder zelfs nog na te denken over de eventuele beloning die hem wacht). Alleen de journalist blijft een smeerlap. Ja, want zo zijn journalisten nu eenmaal, nietwaar?

Tussen “The beast from 20.000 fathoms” en “Crack in the world” was er ook nog “Fiend without a face” van Arthur Crabtree uit 1958. Ik vraag me af of het hier geen pseudoniem betreft, want mijnheer Strontboom wist heel goed wat hij afleverde. In volle koude oorlogstijd (alles draait om een Amerikaanse basis in noordelijk Canada van waaruit Siberië wordt bespioneerd) is de zoveelste gekke professor erin geslaagd om zijn gedachten te laten materialiseren. Oorspronkelijk zijn die ook niet zichtbaar (vandaar de titel), maar onder invloed van de kernenergie die op de basis wordt aangewend, vermenigvuldigen de “gedachten” zich en materialiseren ze zich ook in hersenen-annex-zenuwstelsel, waardoor ze een beetje op uitvergrote spermatozoïden lijken. Uiteindelijk wordt de basis opgeblazen door een majoor van de basis zelf, waardoor de kernenergie uitvalt, blijkbaar zonder gevolgen voor de omgeving, tenzij dan voor de hersenen die ter plaatse verschrompelen. Uiteraard is ondertussen – zoals het hoort – de professor reeds door zijn eigen “kinderen” vermoord en krijgt de majoor het mooiste meisje van de streek, tevens secretaresse van de professor. Er wordt dus voor de toekomst van het meisje gezorgd!

“The beast from 20.000 fathoms” (1953) was de rechtstreekse aanleiding om een jaar later de onnavolgbare “Godzilla” van Tomoyuki Tanaka (1911-1997) te draaien. Japan was immers bezet door de V.S. en er werd een strenge censuur uitgeoefend op de filmproductie. Door deze waarschuwing tegen het gebruik van de atoombom kon Tanaka dus ook kritiek uitbrengen op de bezetter zonder dat deze zich rechtstreeks geviseerd voelde. Integendeel zelfs, er werd meteen ook een Amerikaanse versie gedraaid, die uit de oorspronkelijke footage bestond, met enkele shots met Amerikaanse acteurs ertussen gestoken. Godzilla heet in het Japans overigens eigenlijk Gojira, een samentrekking van “gorira” (gorilla) en “kujira” (walvis). De naam Godzilla werd pas gebruikt in die Amerikaanse versie met Raymond “Ironside” Burr, die twee jaar later werd gereleased. Onnodig te zeggen dat Burr ook de redder in nood was geworden en dat het aandeel van de Japanners werd geminimaliseerd. Toen deze Amerikaanse versie ook in Japan werd uitgebracht, gaf dit bijna aanleiding tot relletjes.

De impliciete kritiek in de oorspronkelijke Japanse versie was immers ook de oorzaak van het onmiddellijke enorme succes in Japan, met als gevolg dat Godzilla steeds in andere films moest opdraven, meestal om andere monsters te bestrijden. Zo neemt hij het op tegen de vliegende schildpad Gamera (1965), het vuurmonster Gigantis (1968), de robot Mechagodzilla (1975), de reuzenmot Mothra (1979), de webben wevende Gothra, de vuurspuwende Rodan en de driekoppige draak King Ghidorah (1985). In “The smog monster” (1972) gaat hij zelfs een gedrocht te lijf dat het milieu bezoedelt! Onder invloed van de stralingen kan Godzilla op het einde van de film zelfs vliegen, via een soort van straalmotor, die zijn aars als uitlaat gebruikt. In de jaren zestig draait Inoshiro Honda samen met Thomas Montgomery zelfs “King Kong versus Godzilla”. Dit is meteen het culminatiepunt voor de “ernstige” Godzilla-films, voor zover men deze films sowieso “ernstig” kan noemen. Ondertussen was er echter ook al een televisieserie, die zich tot steeds jongere kijkers ging richten. Uiteindelijk werden de Godzilla-films zelfs komische kinderfilms. De originele makers (de Toho-filmstudio’s) konden het uiteindelijk niet langer aanzien en na 21 films lieten ze Godzilla in “Godzilla versus Destroyer” in 1995 omkomen. Godzilla was toen immers zelf een atoombom geworden die moest vernietigd worden, zonder dat de aarde daar al te veel nadeel van ondervond. Dat klusje werd dus geklaard door Destroyer, een monster samengesteld uit “gefuseerde oceaanmicroben”.

Deze film was ook de wraak van de Japanners omdat de onderhandelingen over een Hollywoodversie van “Godzilla” bleven aanslepen. In 1994 had Jan De Bont het even geprobeerd, maar hij moest zijn poging staken. Het was pas in 1998 dat een andere geïmporteerde Europese regisseur, Roland Emmerich, de klus zou klaren. Toch gaven ze het een anti-Europees tintje door van Godzilla niet langer een tot leven gewekte dinosaurus maar een gemuteerde hagedis te maken onder invloed van de Franse kernproeven in de Stille Zuidzee. Het sinistere personage van Jean Reno, leider van de Franse Inlichtingendienst, verwijst trouwens impliciet naar de aanslagop de Rainbow Warrior in Auckland.

Maar inderdaad, niet enkel kunnen dinosauriërs door atoomenergie opnieuw tot leven komen, ook insecten (“Them!” van Gordon Douglas uit 1953) of andere dieren kunnen muteren en in een reusachtige vorm de mensheid parten spelen: een octopus (“It came from beneath the sea”), bloedzuigers (“Attack of the giant leeches”), wespen (“Monster from green hell”), “Tarantula” (1955, it takes Clint Eastwood to take care of this one), “Attack of the crab monsters” (Roger Corman, 1956, mét na het eten van menselijke hersenen sprekende krabben), de kruising tussen een dode zeeman en een gier (“Vulture” met Akim Tamiroff uit 1966), “Octaman” (zoals de titel aangeeft: half man, half octopus, uit 1971), mieren (“The naked jungle” van Byron Haskin, “Them” van Gordon Douglas, “Phase IV” van Saul Bass uit 1973 en “Empire of the ants” uit 1977 met een gemuteerde Joan Collins), de Azteekse slangengod Quetzlcoatl (Larry Cohen, 1982), een alligator (Lewis Teague, 1980), een hond (“Digby”), junkfood (“The Stuff” uit 1985) en, last but not least, “The killer tomatoes” van de Troma-producties, die sedert 1974 (“The toxic avenger”) niet meer weg te denken zijn uit deze panoplie. (****)

Ernstig bedoeld is dan weer de aanval van de bomen, planten en struiken tegenover de vervuilende mens in “The Happening” van M.Night Shyamalan uit 2008. Zij verspreiden een toxische stof die de mens zelf-destructief maakt. Bijna heel de film door wordt er gesuggereerd wegens het plaatselijke karakter van de “aanval” (het Noord-Oosten van de Verenigde Staten) dat ook deze ramp wel eens door de mens zelf zou kunnen veroorzaakt zijn, tot het slotbeeld van de film reveleert dat eenzelfde voorval zich dan in de straten van Parijs voordoet…

FIN DE SIECLE

Niet te verwonderen dat met het fin de siècle in zicht er een revival van dergelijke films kwam op het eind van de jaren negentig, uiteraard in de eerste plaats met de genoemde remake van “Godzilla”, maar ook met “Starship troopers” (Paul Verhoeven over SF-mieren), “Instinct” (Ron Kasdan over killer bugs), “Antz” (een Disney-tekenfilm met Woody Allen als Hoofdkever), “Mimic” (van Guillermo Del Toro over kakkerlakken) en “Dust” (van Charles Pellegrino, waar de uitroeiing van insecten – nochtans een droom van velen – meteen ook het einde van de wereld betekent).

Regelrecht onnozel is echter “Monster Ark” van Declan O’Brien uit 2008. Archeologen op zoek naar de ark van Noach laten per ongeluk een monster op de wereld los dat al die tijd in het wrak zat opgeborgen. Op zich al totaal ongeloofwaardig natuurlijk, maar op de koop toe worden er aan het monster ook kenmerken van “the power of darkness” (lees: de duivel) gekoppeld. Bovendien ziet het “monster” er eerder als een soort robot uit in plaats van een variante op een dinosaurus, een onvergeeflijke inschattingsfout. Daarnaast wil de film ook inpikken, eerst en vooral uiteraard op de Indiana Jones-films (met een expliciete verwijzing naar het slot van “The raiders of the lost ark”), maar ook op Dan Browns “Da Vinci Code” (de Ark wordt beschermd door een geheime organisatie à la Tempeliers of vrijmetselaars, beide vergelijkingen worden woordelijk gebruikt in de film) en tenslotte ook nog “the war on terrorism” (de Ark bevindt zich namelijk in Irak). Te veel om goed te zijn dus, maar het ergst van al is nog dat de film ook een parabel wil zijn over geloof versus vrijdenken, over godsdienst versus wetenschap. Met natuurlijk – aangezien het een Amerikaanse productie is – een overwinning van het Geloof. En dat ondanks al de onzin die er dus te zien is voor wie erin wil “geloven”. Faut le faire!

UNDERGROUND

Ook vroeger al had men gefantaseerd dat er onder het aardoppervlak nog prehistorisch leven mogelijk was. Zo b.v. in “Voyage au centre de la terre” (1864) van Jules Verne. Dit laatste boek wordt geparafraseerd in “Unknown world” van Terrell O’Morse uit 1951, een film “met de beste bedoelingen” (wil wijzen op de gevaren voor een kernoorlog) maar die door de stuntelige uitwerking nogal komisch overkomt. Op zoek naar een schuilplaats “voor het geval dat” boren een stel wetenschappers o.l.v. Dr.Jeremiah Morley (Victor Kilian) zich met een mechanische mol, de Cyclotram, door een vulkaan een weg naar de aardkern. Of deze Cyclotram ook de uitvinding van Prof.Barabas heeft geïnspireerd kunnen alleen echte Suske & Wiske-kenners afleiden uit de datum waarin dit tuig voor het eerst in de albums verscheen…

De saaiheid van “Unknown world” staat in sterk contrast met het overdreven hectische gedoe van “Secrets of the Phantom Caverns” van Don Sharp uit 1985. Robert Powell, Timothy Bottoms, Lisa Blount en Richard Johnson zijn hierin archeologen die in dienst van het Amerikaanse leger in het Zuidamerikaanse oerwoud een mysterieuze grot ontdekken en meteen een groep albino’s over zich heen krijgen.

Diezelfde nucleaire angst vindt men ook terug in “The beast of hollow mountain” van Edward Nassour met Guy Madison en Ismael Rodriguez over een veehouder in Mexico die wordt gedwongen de mythe over een bergmonster te onderzoeken, wanneer hij in een moeras onder de zogenaamde verblijfplaats van het monster een aantal dode dieren vindt.

In 1956 maakt ook Roger Corman een dergelijke film met “The day the world ended” (met Richard Denning, Lori Nelson en Adèle Jergens). Na een kernoorlog zoeken zeven overlevenden immers een schuilplaats in een afgelegen vallei. Het komt spoedig tot ruzies binnen het heterogene gezelschap, maar een groter gevaar dreigt van buitenaf: drie-ogige monsters die blijkbaar gecreëerd werden door de kernontploffingen. Datzelfde thema bespeelt Corman in het hilarische “Teenage caveman” uit 1958, dat zich lijkt af te spelen in de prehistorie (met de gekende “vergissing” dat er nog dinosaurussen en zo leven, naast gewone jachthonden overigens), maar na verloop van tijd blijkt de film zich juist in de toekomst af te spelen als “the monster that kills with its touch” een 20ste eeuwer in een raar soort camouflagepak blijkt te zijn, die de Bom weliswaar heeft overleefd, maar die door zijn radioactieve straling “kills with his touch”. Het hilarische zit ‘em in het feit (naast uiteraard het basisgegeven dat de mensheid dus nog binnen een mensenleven al opnieuw in de oertijd was terechtgekomen; de prehistorische “monsters” blijken trouwens gemuteerden te zijn!) dat de hoofdrol wordt vertolkt door Robert (Napoleon Solo) Vaughn, die geheel overeenkomstig de tijd “a teenage rebel” zou moeten spelen, maar gezien zijn “als ons haar maar goed ligt”-houding is dat nogal lachwekkend. Maar kom, misschien is dat de verklaring waarom hij een beschaafd soort Amerikaans spreekt, zij het met een beperkte woordenschat.

GROEIENDE BEHA’S

De schrik voor de gevolgen van kernbestraling ligt ook aan de oorsprong van films als “The incredible shrinking man” (Jack Arnold), waarin Grant Williams (1931-1985) de titelrol speelt. Als reactie daarop draaide Nathan Juran in 1958 “The attack of the 50-ft woman”, waarin de gefrustreerde huisvrouw Allison Hayes door een toevallig ontmoeting met een buitenaards wezen plots reusachtige afmetingen aanneemt. (Let wel op: op miraculeuze wijze groeien haar kleren mee!) Buiten het feit dat deze film veel minder filosofisch is dan het ernstige “Shrinking man”, is dit ook veel meer een parabel over de omkering van de machtsverhouding in het rollenpatroon (wat ook wel aan bod kwam in “Shrinking”), want Allison gebruikt haar formidabele kracht om haar overspelige echtgenoot William Hudson een loer te draaien. Wat beide films wél gemeen hebben, is dat ze allebei een remake kenden in de jaren negentig.

In het geval van “the 50-ft woman” werd de rol dan gespeeld door Daryl Hannah, die zoals gebruikelijk wel uit de kleren gaat (het bad dat ze neemt in het zwembad b.v.), maar ondanks de gevorderde zeden blijft ook hier haar beha nog miraculeus groeien! In woorden daarentegen is er wél een evolutie. Zo is er de ronduit scabreuze passage, waarin Hannah – geïnspireerd door “Gulliver’s travels” – aan haar overspelige echtgenoot voorstelt om “nieuwe horizonten te verkennen”. Waarop hij: “What do you mean? In a wet suit with a flashlight?” In een poging om “politically correct” te zijn eindigt de film op een stupide manier: zowel Hannah (die als een King Kong in reverse door helicopters werd bestookt met haar man in haar hand) als haar man worden door de vliegende schotel die aan de oorsprong staat van alles opgepikt. Die blijkt bevolkt door mensen met Star Trek-pakjes. Hannah wordt opnieuw tot leven gewekt en dan wel op normale lengte, terwijl haar man in een praatgroep tot betere gevoelens wordt bekeerd! Mislukking dus, net zoals “The incredible shrinking woman” van Joel Schumacher met Lily Tomlin, dat met een scenario van Jane Wagner een vleugje feminisme en maatschappijkritiek (vooral i.v.m. de milieuproblematiek) wil combineren, maar het resultaat is alleen maar ergerlijk.

Grappige is wél dat William Hudson, de “incredible shrinking man” van Arnold, een jaar eerder reeds te zien was geweest in “The amazing colossal man” van Bert Gordon. Hij speelt daarin echter niet de titelrol, die is weggelegd voor Glen Langan (!). Het is tevens een waarschuwing voor de proliferatie van de atoombom, want het is bij een test met zo’n bom dat luitenant-kolonel Glenn Manning zware brandwonden oploopt, waarvan hij echter zeer vlug herstelt. Maar tegelijk begint hij zo’n drie meter per dag te groeien! En dat tot grote schrik van Cathy Downs. Een jaar later draaide Gordon de sequel met de oneerbiedige titel “The war of the colossal beast”, want blijkbaar had men hem niet klein gekregen, maar nog wat meer verminkt. Dat was dan ook makkelijker om het hoofdpersonage te vervangen door Dean Parkin. Hij kan nu ook een nieuwe vrouw lastig vallen (Sally Fraser), terwijl er ook een nieuwe “redder” opdaagt (Roger Pace).

Voor Arnold zelf was “The incredible shrinking man” zowat het einde van zijn carrière. Niet dat hij geen films meer draaide (in Engeland in 1959 zelfs nog de komische SF-film “The mouse that roared”), maar de studio wilde hem (ondanks het grote succes) niet méér geld ter beschikking stellen, zodat hij geen SF-films meer kon draaien, die “shrinking” zouden overtreffen, terwijl hij in andere genres niet echt thuis was. Arnold was immers reeds met SF verbonden sedert “It came from outer space” (1953), een film die binnen het koude oorlogsklimaat opviel door zijn pleidooi voor verdraagzaamheid. Zelfs als hij een monster ten tonele voerde (zoals in “The creature from the black lagoon” in 1954 en een jaar later in het vervolg “The revenge of the creature”), dan nog voegde hij er een liefdesmotief aan toe, dat men niet mocht interpreteren als een vorm van kinky sex (zoals sommigen wel deden), maar eerder als een “beauty and the beast”-thema. Denk ook aan het monster van Frankenstein of aan King Kong, die eveneens gekweld worden door een fundamentele eenzaamheid. Het thema van de losgeslagen wetenschap bespeelde Arnold (naast uiteraard alweer “shrinking”) het beste in “Tarantula”, over een reuzenspin die uiteindelijk wordt gedood door een piepjonge Clint Eastwood.

Een variante op de “mad scientist” is de “clever scientist” die onder druk wordt gezet door de winsthongerige kapitalist, zoals in “Terror from the year 5000″ van Robert J.Gurney jr. uit 1958. Film (overigens zonder enige echte “terror”) die eindigt met een heuse preek, hoe we de toekomst zelf in de hand hebben.

De beste aanklacht tegen de wapenindustrie in het algemeen is “The day the earth caught fire” van Val Guest uit 1961, waarin de aarde door twee gelijktijdige atoomproeven uit haar baan wordt gerukt en naar de zon toe vliegt – met alle gevolgen vandien. De film gebruikt geen special effects, maar mengt op een handige manier beelden van rampen en zelfs de fameuze vredesdemonstraties van Bertrand Russell. Hij eindigt ook met vier nieuwe ontploffingen die dan juist de bedoeling hebben om het onheil te herstellen, maar het einde stond helaas niet op mijn videoband, zodat ik niet weet of het uiteindelijk nog goed afloopt.

Later werden de waarschuwingen verlegd naar “bacteriologische oorlogsvoering”. “The blob” heeft b.v. nog iets van een SF, maar “Outbreak” kan men bijna als “realistisch” bestempelen. Dat geldt ook voor “The Stand” van Stephen King, waarvan Mick Garris een miniserie heeft gemaakt met Rob Lowe, Gary Sinise en Molly Ringwald. Daarna kwam er zelfs een Vlaamse serie die in Antwerpen werd gesitueerd (“Cordon”) en ik dacht dat dit me dus zeer zou interesseren, maar ik heb de reeks uiteindelijk niet uitgekeken. Dat heb ik wel gedaan met de ellenlange film “Pandemic” van Armand Mastroianni uit 2007. Men kon er gerust een serie van gemaakt hebben, maar men kon anderzijds ook flink de schaar in deze film gezet hebben, aangezien er o.a. een sideline is rond een ontsnapte gangster, die eigenlijk totaal overbodig is. Maar dat is dan nog niets in vergelijking met de politieke twist achter de schermen tussen twee oude krokodillen (Faye Dunaway en Chris Roberts)!

“The blob” doet bij wijlen natuurlijk ook denken aan het hilarische “Fiend without a face” van de Brit Arthur Crabtree (de man heeft zijn naam niet gestolen) uit 1958, waar een gematerialiseerd brein (dat er als een brij uitziet) terreur zaait.

Het is vooral Herbert George Wells die van mening was dat materiële vooruitgang hoegenaamd geen zedelijke vooruitgang met zich meebrengt en nochtans is het enkel deze evolutie die ons van de ondergang kan behoeden. Dat bleek o.a. duidelijk uit “Things to come”, een film uit de jaren dertig waarover H.G.Wells volledige zeggingschap had, van scenario over regie tot de keuze van kostuums en muziek. En ook in “The invisible man” leidt een “onschuldige” uitvinding uiteindelijk tot machtswellust en irrationeel geweld. De eerste versie werd in 1933 gedraaid door James Whale en die paste dit laatste aan aan zijn eigen filosofie, die ook bij “Frankenstein” tot uiting was gekomen: het is de opstand van de wetenschapper tegen de middelmatigheid van de mensen, die hem (net als het monster van Frankenstein) omwille van zijn experimenten als een paria gaan behandelen. Boris Karloff weigerde de hoofdrol en dus werd Claude Rains daarvoor aangezocht. Het maakte hem prompt populair. Ook al omwille van de zwarte humor die kwistig wordt rondgestrooid (de onzichtbare man kan bijvoorbeeld niet in de regen wandelen, want dan gaat hij er als een bubbel uitzien).

Het meest geciteerde voorbeeld om Wells’ opvatting te illustreren is het slot van “Oorlog der Werelden”. Nadat een beschaving die zogezegd nog verder gevorderd was dan de onze hier een spoor van vernieling heeft achtergelaten, sterven deze superieure wezens uiteindelijk omdat ze niet bestand zijn tegen een simpele microbe, een virus dus. Dit vinden we als het ware geparodieerd ook terug bij “Independence day”, waar de veroveraars worden geveld door… een computervirus! (Echt geparodieerd wordt het in “Mars Attacks!” waarin country-gejodel uiteindelijk dodelijk blijkt te zijn voor de aliens. Dit was al eerder bedacht voor “The attack of the killer tomatoes” en al eens nageaapt door onze eigen Kamagurka met Captain Wally die met zijn liederen zelfs het ergste kwaad verdelgt.)

Maar de absolute koning van de destructie op dit moment is dus zoals gezegd Duitser Roland Emmerich, die na een E.T.-achtige film (“Joey”, 1985) naar Hollywood werd gehaald en daar al meteen “Hollywood Monster” draaide (1987). Zijn doorbraak kwam er echter met “Independence day” (1996), waarna o.m. ook nog “Godzilla” (1998) en “The day after tomorrow” (2004) volgden, allemaal films waarin de wereld op een grandioze manier naar de filistijnen gaat. Zijn hoofdvogel schoot hij echter af in 2009 met “2012”, een film over de vernietiging van onze wereld, op basis van de Maya-kalender. Alhoewel… het dient gezegd dat de machinerie een beetje vroeger op gang komt (met name nog tijdens de Olympische Spelen van Londen), zodat de doemprofetieën nog min of meer worden beperkt (maar er zitten nog veel te veel christelijke en boeddhistische boodschappen in volgens mij). In het begin lijkt de film wel een parodie op rampenfilms (met een Arnold Schwarzenegger-imitatie die verklaart “It seems to me that the worst is over“, waarna het Yellowstone natuurpark uitbarst als een soort van supervulkaan, of het “nieuwgevormde” gezinnetje waarvan de echtgenoot zegt “Something is pulling us apart“, waarna prompt de aarde openscheurt tussen hen beiden), maar nadien krijgen we een soort overzicht van alle mogelijke rampenfilms. Zelfs de “Poseidon” wordt nog eens dunnetjes overgedaan met het cruiseschip Genesis waarop de vader van de hoofdfiguur een Nicole & Hugootje doet, al zingende “It ain’t the end of the world“…

Ronny De Schepper

(*) Een zeer realistisch – en dus aangrijpend – beeld van de fameuze tsunami van 2004 vindt men terug in “The impossible” van Juan Antonio Bayona uit 2012 met als vedetten Naomi Watts en Ewan McGregor als moeder en vader van een kinderrijk gezin, die door de ramp uit elkaar worden gerukt. Toch is het het oudste zoontje (gespeeld door Tom Holland) dat de eigenlijke hoofdrol vertolkt.
(**) The film was such a flop that it reached some territories including the UK in 1980 rather than 1979 and had to be renamed upon release in those markets. As such, the picture is commonly known around the world as both “Airport 79: The Concorde” and “Airport 80: The Concorde”.
(***) Dat anderzijds een Duitse film een Engelse (zeg maar: Amerikaanse) titel draagt, verwondert me dan weer helemaal niét. Eigenlijk zouden de Amerikanen hun bemoeienissen overal ter wereld gemakkelijk achterwege kunnen laten, de veramerikanisering is immers al lang een feit.
(****) Ook de Vlaamse (Kortrijkse) productie “Rabid Grannies” van Emmanuel Kervyn uit 1988 wordt door Troma verdeeld.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s