Wenen heeft de reputatie de muziekstad bij uitstek te zijn. Als er dan een Weens gezelschap in een muziekarm landje als België gasteert — zoals dat met « Die lustige Witwe » in het kader van Europalia ’87 het geval was — stelt men daar niet alleen (te) hoge eisen aan de vertolkers, maar koestert men bovendien nog (te) hoge verwachtingen. Geen wonder dat het dan ook tegenvalt.

Nu was dit geen gastoptreden van de Wiener Staatsoper, zelfs niet van de Volksoper, maar gewoonweg van de Junge Oper Wien, i.e. gevorderde leerlingen van de Hogeschool voor Muziek en Uitvoerende Kunsten van Wenen. Beginnelingen dus, en dit was door de onevenwichtige, aarzelende vertolking vanaf de eerste minuten waarneembaar.
Bovendien waren het geen grote stemmen. De Valencienne van Beate Fischer was ronduit teleurstellend (onze eigen Jeannine Martony doet dit veel beter!), terwijl de Hanna Glawari van Marilee Williams slechts naar het einde toe enkele écht mooie momenten had. Als Danilo kon de lichte bariton Gunther Gutmann ons wel bekoren, al had ook hij wat moeite in het hoge register. Vlekkeloos was enkel de tenor Vinzent Pirillo als Camille de Rosillon.
De enscenering van Elfriede Mohrenberger was niet om over naar huis te schrijven en de balletten waren gewoonweg armzalig. Kortom, de O.V.V. zelf had ons een betere reeks van Lehars succesrijke operette kunnen bezorgen.
Als er dan toch moet worden « gegasteerd », waarom dan niet eens de Opéra de Wallonie ? Het moet wel al jàààren geleden zijn dat die onze gewesten nog eens heeft aangedaan. Een nauwere samenwerking tussen de Vlaamse en Waalse operagezelschappen zou nochtans voor beide partijen een goede zaak zijn. De Waalse opera is sterk naar het Franse repertoire gericht, terwijl de O.V.V. meer Germaans getint is. Een regelmatige uitwisseling van producties zou een wederzijdse verrijking van het speelplan betekenen. Maar ja… in de nabije toekomst zal er niet veel van in huis komen, zodat wij zelf maar een uitstap naar Luik gemaakt hebben.
Op het speelplan een opera-bouffe van Jacques Offenbach waarvan wij allemaal de deuntjes kunnen meefluiten, maar die bij ons maar zelden op de planken te zien is : « La Grande Duchesse de Gérolstein ». Het was een bijzonder verzorgde productie van Luc Dessois, met pit gedirigeerd door Jean Périsson. Bij de zangers weerhield vooral Christian Jean als Fritz onze aandacht. Het is een witte raaf onder de tenoren, een échte lichte Franse tenor die zijn partij juist en met souplesse weet te doseren. Waar wachten de platenmaatschappijen op ?
De rest van de bezetting stond op een lager pitje: Anne-Marie Grain als de Grande Duchesse en Dominique Tirmont als Général Boum hebben waarschijnlijk in het verleden betere dagen gekend, maar misten nu de glans om de verrukkelijke aria’s en ensembles van Offenbach genietbaar te maken. Zuiver muzikaal geen hoogvlieger dus, maar wel een voorstelling met sfeer en bijgewoond door een volle zaal die met de honderd jaar oude moppen van Meilhac & Halévy nog heel wat pret beleefde.
Hoge verwachtingen, « great expectations » zoals Dickens zou zeggen, waren er ook bij het eerste avondvullend ballet van het B.V.V. sedert Robert Denvers de leiding van Valery Panov (de specialist bij uitstek van dergelijke producties) heeft overgenomen. Zou bovendien de levende legende Rudolf Nureyev zelf niet een final touch komen aanbrengen bij zijn eigen bewerking van de fameuze Petipa-choreografie van « Don Quichote »? Ja, dat zou hij, maar hij deed het niet, zoals we reeds vooraf veronderstelden (r.v. nr.44) en zijn Oostenrijkse rechterhand Richard Nowotny heeft ook al niet voor een verrassing kunnen zorgen, als we dan maar meteen onze slotvraag van dat artikel beantwoorden.
De grootste schuldigen zijn evenwel toch de namen die reeds werden geciteerd. Beginnen we met Petipa b.v. die uit het prachtige boek van Cervantes enkel wat anekdoten en dan vooral het liefdesverhaaltje uit deel II, hoofdstuk 14 heeft behouden, namelijk hoe Basilius de arme, Camacho de rijke te grazen neemt bij het dingen naar de hand van Quiteria de schone, zoals het in onze vertaling staat, maar wellicht bedoelt men « de mooie », want het is « zo’n knappe meid dat zij wel zo uit Vlaanderen geroofd lijkt », aldus Cervantes zelf (*).
Don Quichote loopt er dus (ook in balletopzicht) voor spek en bonen bij. Bovendien wordt hij ronduit belachelijk gemaakt, een achterhaalde 19e eeuwse interpretatie, die echter wel helemaal in de lijn ligt van de anekdotische, oppervlakkige, oubollige benadering, waaraan Nureyev geen jota heeft gewijzigd. Integendeel, dat anekdotische werd nog beklemtoond (toegegeven, soms in een mooie vormgeving, zoals in de beroemde windmolenscène, maar dat komt natuurlijk op rekening van Roger Bernard en Anna Anni) en dient enkel als stramien voor wat bravourestukjes. Met wisselend succes overigens want de uittocht van Panovs lievelingetjes begint zich nu stilaan te laten voelen, ook al presteerden Maria Teresa del Real (Kitri), Pablo Savoye (Basilio) en nog enkele beloftevolle jongeren heel behoorlijk. Bovendien kwam inderdaad de nadruk die Denvers op het geheel is gaan leggen ook goed tot uiting in de ensembles.
Wat we hem dus aanwrijven is de programmatie van zo’n museumstuk. Hem niet alleen trouwens, dezelfde opmerking kan je immers maken over de musicalafdeling wat « For me and my girl » betreft. Natuurlijk zal dit allemaal wel waardevol zijn, maar dat zijn de oude films die de BRT op zaterdagnamiddag uitzendt ook. Trouwe lezers weten dat wij niet tot die kliek behoren die enkel heel progressieve meesterwerken wil gecreëerd zien. Integendeel, wij vinden dat er zeker plaats is voor « beschaafd amusement ».
Maar als zo’n opeenvolging werkelijk op een bewust beleid schijnt te wijzen, dan stellen we ons toch vragen over de miljoenensubsidie die dan naar zo’n « museumgezelschappen » gaat (**) ten nadele van jong talent. Tenslotte bestaat er ook nog zoiets als « vrije producties ». Die mikken dan enkel op de kassa. Ze moeten wel, want subsidies krijgen ze niet. Wat anderzijds niet wil zeggen dat gesubsidieerde gezelschappen zich met lege zalen mogen tevreden stellen. We hebben integendeel de zakelijke aanpak van het B.V.V. steeds geprezen. Maar nu helt de balans toch te veel aan één kant door.

Referentie
Willy Maijeur & Ronny De Schepper, Great expectations, De Rode Vaan nr.50 van 1987

(*) Op dat moment kon ik natuurlijk nog niet weten dat ik enkele jaren later zou worden geconfronteerd met de vergeten opera van Felix Mendelssohn in de versie van Jos Van Immerseel.
(**) Een verwijzing naar een artikel in « Knack », waarin Denvers beweert « een levend museum van de dans » te willen uitbouwen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.