De Nobelprijs voor Literatuur ging dit jaar naar Kazuo Ishiguro. Dus moest ik wel een boek van hem uit de kast halen. Heb ik vorig jaar immers ook nog niet eens naar “Positively 4th street” geluisterd toen Bob Dylan de begeerde prijs in de schoot geworpen kreeg?

Ik moet wel zeggen dat er oorspronkelijk een misverstand mee gepaard ging. In volle Murakami-gekte werd er natuurlijk verondersteld dat men een soort van “Murakami voor intellectuelen” had bekroond. Een beetje zoals die keer toen Kenzaburo Oë de prijs voor de neus van Hugo Claus wegkaapte.
Het enige boek dat wij bovendien in ons bezit hadden, was de bijna 600 pagina’s dikke kanjer “De troostelozen” (1995). Mijn vrouw heeft zich daar doorheen gezwoegd, maar zonder veel voldoening. Het was slechts toen ze het “weinig Japans” vond dat ik eens ben gaan kijken wie die Kazuo Ishiguro dan wel mocht zijn. En natuurlijk, hij was de schrijver van “The remains of the day” (1989), het boek dat we allebei kenden door de verfilming van James Ivory! Zijn naam had ons dus op het verkeerde been gezet, want Ishiguro woont reeds sedert zijn vijfde in Engeland (omdat zijn vader er benoemd werd aan het Nationaal Instituut voor Oceanografie) en is bij wijze van spreken “Britser dan Brits”. Ik noem hem dan ook “een Engelsman met spleetogen”, wat de politiek correcten wellicht vreselijk zullen vinden, maar ik verzeker je dat het zeer vriendschappelijk is bedoeld. (Met die spleetogen valt het trouwens nog wel mee als je bovenstaande foto bekijkt.)
Toch stel ik tegelijk vast dat ik in mijn bespreking van de film op de pagina van Anthony Hopkins schrijf: “De Japanse verdringing van emoties is goed weer te vinden in het karakter van de butler Stevens, gespeeld door Anthony Hopkins.” En het wordt nog grappiger als volgens Wikipedia in het juryrapport van de Nobelprijs staat dat men hem de prijs heeft toegekend “omwille van zijn krachtige, emotionele romans, waarin hij de afgrond toont die achter ons ingebeeld gevoel van verbondenheid met de wereld schuilgaat” (vetjes van mij).
De film is overigens een zeer goede weergave van het boek en ik heb het dan ook gelezen alsof Anthony Hopkins aan het woord was. Alleen vond ik dat het einde wel stevig afweek van de film, maar nu ik er mijn recensie op heb nagelezen, blijk ik met een gelijkaardige film met Anthony Hopkins in de hoofdrol te hebben verward: “In deze film hebben de butler Stevens en de huishoudster miss Kenton (Emma Thompson) nog slechts the remains of the day om samen van het leven te genieten, maar uiteindelijk doen ze het niet. Dat is precies het tegenovergestelde van wat er gebeurt in Shadowlands van Richard Attenborough. Daarin geven Anthony Hopkins en Debra Winger gestalte aan twee auteurs, de Brit C.S.Lewis en zijn 17 jaar jongere Amerikaanse vriendin Joy Gresham.”
Wat ik evenwel niet uit de film kon afleiden, was de vorm waarin deze roman was gegoten, namelijk een reisverhaal van de butler in kwestie die na vele jaren miss Kenton (die ondertussen mrs.Benn is geworden) gaat weerzien. En het is wààr: ergens koestert hij verwachtingen die uiteindelijk niet bewaarheid worden (ook al heeft mrs.Benn al drie keer haar echtgenoot verlaten). Maar toch ligt daarop de nadruk niet. Het reisverhaal lijkt – zeker in het begin – eerder een zoektocht naar wat van iemand “de ideale butler” maakt. En één van die voorwaarden is – althans volgens de butler die hier aan het woord is – juist het behouden van een zekere distantie tegenover alles wat er gebeurt. En zo merk je als lezer hoe het komt dat de vonk tussen Stevens en miss Kenton destijds nooit is overgesprongen. En je vraagt je af of Stevens al schrijvende ook dichter bij de waarheid komt?
Tegelijk is dat zowat de enige negatieve opmerking die ik over dit ronduit schitterend geschreven werk moet maken. Kijk, het vorige boek dat ik heb gelezen was “Het smelt” van Lize Spit. En wie het heeft gelezen, zal het met mij eens zijn: eigenlijk schrijft zij dit boek vanuit een standpunt dat gewoonweg niet mogelijk is. Maar zij gaat dat uiteraard uit de weg en wij leggen er ons bij neer dat dit nu eenmaal een literaire conventie is. Door echter te beklemtonen waar en wanneer Stevens zogezegd de diverse hoofdstukken van dit boek schrijft, kan je niet anders dan de onnatuurlijkheid ervan vaststellen. Uitvoerig uitweiden over herinneringen aan het verleden en die dan ook nog eens geëlaboreerd te commentariëren vanuit het standpunt van het moment van het schrijven is er een beetje over (een beetje veel zelfs), als men dus moet vaststellen dat dit bij wijze van spreken ergens te velde, tussen de soep en de patatten gebeurt.
En toch. Zou ik willen dat Ishiguro een andere vorm voor zijn werk had geconcipieerd? Niet echt. Hij had misschien gewoon wat meer tussenstops kunnen inlassen, waardoor de hoofdstukken wat korter en dus geloofwaardiger zouden zijn geworden. Kortom, ik ben zo tevreden over dit werk dat ik mij alsnog aan “De troostelozen” ga begeven.
Het eerste hoofdstuk vormt trouwens een mooie overgang: de toespraak van de bejaarde bagagist in de lift lijkt wel een parodie op de butler uit “The remains”. De standaard die hij oplegt aan zijn uitverkoren Twaalf (uiteraard!) komt inderdaad min of meer overeen met de discussies die Stevens voerde met de door hem bewonderde collega’s over “de ideale butler”…
Die bagagist is overigens een specimen van een troosteloze stad (in Duitsland?), waarin de ik-persoon (de “beroemde” pianist Ryder) is beland. Of zoals een andere inwoner stelt: “Het is te laat. Er is geen redden meer aan. Waarom niet accepteren dat we een doodgewone, kille, troosteloze stad zijn? Dat hebben andere steden ook gedaan. Dan roeien we tenminste niet meer tegen de stroom op. De zeil van deze stad, die is niet ziek, meneer Ryder, die is dood. Het is echt te laat.” (p.118-119)
Die persoon doet deze vaststelling overigens in een bioscoop, waar hij en zijn vrienden tijdens de vertoning van “2001 – A Space Odyssey” luidruchtig zitten te kaarten. Een absurde situatie m.a.w. Ik hoop dat het feit dat Ishiguro voortdurend Clint Eastwood de hoofdrol laat vertolken in deze film (i.p.v. Keir Dullea) ook moet bijdragen tot die sfeer van absurditeit en dat het geen onvergeeflijke fout is!
Enfin, Kafka is duidelijk alomtegenwoordig in deze roman of noem het Beckett of Ionesco, maar Ishiguro heeft wel een flair die maakt dat men een nonsensikale roman van haast 600 pagina’s toch wel vlot uitleest. Alleen… alleen begrijp ik niet waarom Ishiguro dit boek wou schrijven. Nu kan je die vraag wel bij meerdere werken stellen, maar hier is dat toch wel heel frappant… En nergens op het internet vind ik een recensie die me wat dat betreft kan helpen. Eigenlijk vind ik nergens een treffelijke recensie, tout court. Het enige wat ik heb onthouden, komt uit een artikel uit de NRC t.g.v. de toekenning van de Nobelprijs. Daar staat dat het boek “door velen als een totale mislukking werd gezien”. Behoor ik daar nu toe of niet? Ik weet het begot niet. De lectuur was aangenamer dan vele andere boeken die ik tot nu toe heb gelezen, alleen blijf ik dus wat verweesd achter als ik me afvraag wat ik nu eigenlijk al die tijd heb zitten lezen?
Daarna leende Fons Mariën mij “Never let me go”, de zesde roman van Ishiguro (dus met enkel “When we were orphans” er nog tussen). Bij de aanvang had ik vaag hetzelfde idee als bij “The unconsoled”, zij het dat dit boek zeker niet surrealistisch of absurd is. Integendeel, het leek allemaal heel realistisch tot ik – eigenlijk vrij toevallig – over een Wikipedia-stuk struikelde dat aangaf (zonder te waarschuwen voor spoilers) dat het hier eigenlijk om een SF-roman ging en dan wel over het bekende thema van organenhandel (denk b.v. aan Coma, een ziekenhuisthriller met Michael Douglas over illegale organensmokkel). Jammer dat ik dit nu al weet, maar als het dan toch zo is, ga ik eens nagaan wanneer men als lezer voor het eerst zelf hiermee in aanraking komt, het woord “donor” niet meegeteld, dat overigens ook andere betekenissen kan hebben (*). Uiteindelijk zou het toch niet zo heel lang duren vooraleer de uitleg er komt (p.73).
Maar goed, ik had voor mezelf uitgemaakt dat de lectuur van dit boek beslissend zou zijn wat mijn mening over Ishiguro (en dus onrechtstreeks over het toekennen van de Nobelprijs) betreft. En voor meer dan negentig procent was dit negatief. Het was zelfs zo dat ik mijn vrouw had afgeraden het boek te lezen. Maar, zoals gezegd, dat was nog vóór het boek helemaal uit was. Ik had mezelf nog voorgehouden te wachten tot het helemaal uit was vooraleer dat leesadvies te geven, maar ik verwachtte niet dat er nog iets zou komen dat mij mijn mening zou doen herzien. En eigenlijk is dat ook zo, alleen heb ik nu uiteindelijk toch beslist om het boek alsnog op haar stapel lectuur te leggen. En aangezien er, zoals gezegd, geen onverwachte wending is gekomen, is het ook zeer moeilijk uit te leggen, waarom ik uiteindelijk toch van mening ben veranderd.
Het heeft wellicht meer met de omstandigheden te maken dan met het boek zelf. En die omstandigheden die zijn dan met name de verjaardag van de moord op James Bulger en datgene wat ik hierover heb geschreven op mijn blog, vlak voor ik het laatste hoofdstuk van “Never let me go” heb gelezen. Op het eerste gezicht heeft het ene niks met het andere te maken, maar het gaat natuurlijk om een zinloze dood en tegelijk om de vraag of niet elke dood zinloos is. En die vraag brengt dan weer onvermijdelijk de vraag over de zinloosheid van het leven met zich mee. En daarmee zal je het moeten doen, vrees ik.
Stilistisch gezien kan ik wel nog zeggen dat vooral naar het einde toe, de schriftuur van “Never let me go” gaat aanleunen bij het formidabele “The remains of the day”. Weliswaar enkel naar het einde toe dus, waardoor een vierde boek dan misschien toch nog uitkomst zou moeten brengen. Even sprong mijn hart op toen Gregory Ball zei dat hij ook een roman van Ishiguro had liggen, maar helaas bleek het eveneens “Never let me go” te zijn. Het zal dus voor een andere keer zijn…

P.S. Achteraf leerde ik van Wikipedia dat Ishiguro – net als de reeds genoemde Lize Spit – een product is van cursussen in “creative writing”. Daar is alvast in “The remains of the day” gelukkig niks meer van te merken. Maar misschien komt dat omdat dit reeds zijn derde was (waarvoor hij dan ook de Booker Prize heeft gekregen). En “De troostelozen” is zijn volgende boek, dus wat dat creative writing betreft, zal ik er misschien zijn eersteling (“A pale view of the hills”, 1982) eens moeten bijhalen.

(*) En uiteraard heb ik het dan ook niet over de nadelen van roken waarover wordt gesproken op p.63. With hindsight weet je heel duidelijk dat er hier al knipogen naar wat later volgt instaan, maar als je dat niet zou weten, dan kan het natuurlijk ook gewoon als een waarschuwing tegen roken worden gelezen. Idem dito voor de verwijzing op p.66: “By then, of course, we all knew (…) that none of us could have babies”. In het licht van die verdomde voorkennis door Wikipedia is dit natuurlijk een onheilspellend omen, maar als men van niets weet, is het gewoon een feit. Een merkwaardig feit, jawel, maar toch doet het nog niet vermoeden waar het boek naartoe gaat.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s