Eén keer heb ik de slaap der rechtvaardigen geslapen. In het bed van Nicu Ceaucescu, het steengruis dat eindeloos draaide rond zijn vader, het vermeende Hemellichaam. Liefst in een snelle Duitse Mercedes. Geen kwaad woord van het bed. Ik heb er prinsheerlijk in geslapen, kort na het afknallen van Ceaucescu senior en de ijsheks Elena.

Geen kwaad woord ook over de Roemeense taal. Ik begrijp er geen lul van, maar geen enkele taal was ooit beter gekozen om het ongrijpbare genie van de Karpaten te vatten in tongslag en handschrift. Vrijwel elk woord eindigt op lul, een goddelijke ingreep in het onbewuste taalgebruik, waarbij Orwells Newspeak als naief en ondoeltreffend in het niets verzinkt. Niet minder begrippen, maar een eindeloze inflatie van begrippen die steeds dezelfde lul herhalen, dat is het merg van waar alleenheerserschap. Niet anoniem, maar eponiem. Ik vermoed dat ook bed in het Roemeens op lul eindigt, daar is het in elk geval flink voor gebruikt. Want Nicu hield hofhouding op de vijfde verdieping van het jongerenhotel in Cluj. Als voorzitter van de socialistische jeugdbeweging (ook toen hij al onwezenlijk verlept was, een Baden Powell van de kniebroekengaarde) achtte hij het zijn recht en zijn plicht om de verplichte dracht van de rode onderbroek na te gaan in zijn donkerbruine werkkamer. Ze hebben een patent op dat karbolineduistere hardhout in het Oostblok van toen, het stond vermoedelijk voor degelijkheid en luister, de praalhanzerij van boerenpummel. Hoe immenser de nutteloze ruimten, gangen, hallen, kantoren, ontvangstsalons, hoe opgefokter het ego. Nicolae Ceaucescu heeft in zijn wijsheid de wijdsheid tot norm verheven. De kilometerslange Laan van de Socialistische Overwinning, die leidt naar het Paleis van het Volk (Populul), is het ultieme embleem van de allesoverheersende leegtenorm geworden. Toen ik er was begin 1990 verkruimelden de protserige fonteinen met hun marmeren namaakbloemen al bij de aanleg tot steenslag. De 30.000 flats in de woonkazernes langs de Laan stonden leeg, behalve de erkers aan de straatkant, daarin sliepen dompelaars opgerold in hun dekentje. Een eenzame soldaat stond verkleumd niet toe te kijken. Twee snaken in uniform, ik schatte ze op hooguit zeventien jaar, bedelden om een sigaret. Het heeft mij juist twee Marlboro‘s gekost (leuk dat ik zelf niet rook) om het verboden terrein van het Paleis zelve op te gaan, en binnen een kijkje te nemen. Een grotesk, gargantuesk, plomp bouwsel, waar puin lag rondgestrooid, wat ruiten waren ingeslagen, en alleen de kroonlijsten waren afgewerkt. Het was er aardedonker, muf, killig en doods, een ruïne graaf Dracula waardig. Het heeft nu zijn verdiende bestemming gevonden. Diplodokus van de democratie te zijn. Kamer en senaat huizen er, de eindeloze gangen en het opzichtige stukwerk, liefst in keizerlijk goud en rood, manen het Volk vooral aan hier weg te blijven. Alleen levendig zijn twee, nee vijf arbeiders in blauwe overall, ze draaien een godganse dag lang vanop een stelling lampen in de overdadige luchters, de hele trapzaal ligt vol met doosjes, teken van beschaving in een bloedeloze katafalk. Ik ben op het balkon gaan staan, waar Ceaucescu de spontaan verzamelde massa’s ging toespreken, en niets begreep van hun onwillig boegeroep, hij, de grote Conducator, het Brein van Bessarabië, de Gehoornde des Overvloeds. Het kostte mij geen moeite een balkondeur te forceren. De spanten zijn scheefgetrokken van het vocht, deurkrukken zijn afgebroken, hout vervormt in brede spleten, er is een aardige stuiver verdiend door westerse bouwfirma’s die tegen schandelijke prijzen minderwaardig materiaal leverden. Het onding was niet eens af, het leger trad op als klusjesploeg, en nog was er 75 miljoen euro door de trechter verzwolgen. Er zijn muren waar je met de vinger doorduwt. De vorst laat zich niet mennen. Ook het voorbije voorjaar was koud, maar de palenka hield warm. Het uitzicht vanop het balkon werkt ontregelend. En toch is een deel van de bedwelming weg. Er ontbrak niets, er was teveel. Er rijden auto’s nu en bussen, heel ongewoon. Want Boekarest, dat was Nurenberg redivivus. Dat was de grootheidswaan van Weimar gecombineerd met de vlakten van Stalingrad. Boekarest moest op zijn best een exercitieterrein zijn en blijven, de bewoning was gesloopt, het leven gebannen. De kern van de samenleving is het ijle niets. Met honderdduizend lakeien ingemuurd rond één hemellichaam uiteraard. Het Middeleeuws syndroom. Van de boer-baron op zijn eigen, eenzame bergtop. De roofboer in zijn arendsnest. Ceaucescu is altijd die boer gebleven, hij bouwde op het land, stallingen en koterijen, en schuren en knechtenhokken. Alleen als die er ongeordend lagen, met daarrond de leegte van de poesta, het schuimgebied van de wolven, kon de innerlijke leegte zijn bekroning vinden in een vesting, met onneembare muren, nutteloze rijkdom, en een laaiend haardvuur dat je kont verbrandt terwijl het je kloten laat afvriezen. Ceaucescu was waarachtig de Nietzsche van de boerenstand. En Elena Petrescu zijn kwadraat. (Ze kreeg net als de Belgische kroonprins Filips van Coburg eerbiedwaardige eredoctoraten, het verstand kruipt waar het niet gaan kan. De ultieme bevestiging van Ceaucescu’s geniaal doorgronden van de Slavische en de slaafse psyche). Kwatongen beweren dat ik met Ceaucescu op de foto sta. Ze dwalen. Wel met zijn ziekelijk afleggertje Iliescu, de studenten die het Universiteitsplein bezetten bij de eerste verkiezingen hadden al zijn aanplakbrieven overtekend met twee vampierentanden. Iliescu was Elena’s slippendrager in de Securitate, hij mocht de zoom van haar rok kussen. Zijn hand is nooit verder geraakt. Hij zit er nog, het bewijs toch dat genie besmettelijk is en alles doordesemt. Iliescu, de bedenker van het onbestaande bloedbad van Timisoara. Dat is niet de hand van de CIA, maar een legaat van de Meester. Oeranos en Kronos. De goden zijn verzwolgen, maar de Roemenen teren voort. Hun land is de landkaart van het Grote Inzicht. Wie Cluj binnenreed begreep dat. Na het berglandschap van Transsylvanië rijd je vanaf Huedin lange tijd een vlakke vallei door, de wolvenvlakte. En dan, gekarteld aan de einder, robuust als een bolwerk, verheft zich de stad. Inderhaast stopgezette bouwwerken van woonkazernes in de buitenwijken, ruïne nog voor het stad geworden is. Ik was langs Oradea het land binnengereden, de slagboom staat open, een onnuttige grondspiegelbak voor de grenspost (wie wil er nu mensen het land insmokkelen ?), een paar beduusde douaniers. Ze doen zelfs geen moeite mijn paspoort op te vragen, kijken schaapachtig en onbegrijpend in het rond, onwennig als ze zich voelen in een uniform, dat per se verdacht is. Een vreemdeling. Wat zoekt hij in een land dat alle richting en zelfbesef kwijt is, verweesd als het is na het plots verscheiden van het Hemels Paar ? Ik wist wat ik zocht. Soelaas voor mijn woede. In de onzalige kerstdagen van 1989 had ik moeten vertrekken. Het gistte al een tijdje in Roemenië, Ceaucescu bleef gebaren van krommen haas, hij ging dineren bij die andere oetlul in Iran, Rafsanjani. Intussen sloot de regering de grenzen, ik had de ambassadeur in Brussel eenzaam en van god verlaten aangetroffen in zijn verduisterde ambtswoning, één hoopje ellende en kanker, en ik had die week het nieuws. Zaterdagnacht, 23 december, vraag van het Rode Kruis en van Artsen zonder Grenzen, of ik mee wil, twee toestellen, keuze zat. Kerstmis is mijn laatste dag eindredactie, dan kan het. Laat collega Danny Huwé zich doodschieten. Een zwartekerstnacht. Verbod van grote baas Kas Goossens om nog te vertrekken. Ik heb die woede nog altijd niet verteerd (al had Kas gelijk). Tijdje later belt mij een zakenman uit Sint-Niklaas. Ik ga hulpgoederen brengen, Mercedes diesel, rij je mee ? (Adoptiedorpen Roemenië zaten in de lift destijds. Julien Weverbergh ook). Top. Interviewtje, man blijkt plaatselijk politicus te zijn voor de Volksunie, afspraak volgende vrijdag vijf uur ’s morgens. Prima want ik heb nieuws tot middernacht. Afspraken gemaakt op het werk. Dan : man belt af. Vrijdag. Om elf uur. Bang. Wie niet ? Rij woest naar huis, koffer staat klaar, vrouwtje kouwelijk in kamerjas, angst, je gaat toch niet ? Toch wel, gooi koffer in koffer, kusje, bel wel, hop, Ascona diesel, in één ruk naar Wenen waar ik ga slapen. Nog altijd boos rij ik Hongarije in, pik twee soldaten op in Györ (één van hen vraagt een sigaartje voor zijn opa, en pikt het hele doosje Cortes in), moet tanken. Natuurlijk heb ik geen coupons gekocht aan de grens, in een dorpje aanvaardt een garagehouder besmuikt mijn dollars (blij toe, ongetwijfeld, en spannend vanwege verboden), het is daarna één rechte lijn naar Roemenië. Ik ben nog altijd ziedend als ik ongehinderd de grens passeer. Waar naartoe ? Cluj, ik weet dat Artsen zonder Grenzen daar een post hebben opgezet. Het valt niet mee de Karpatenzers in hun eigen taal aan te spreken, en ze mogen dan wel lid zijn van de francité, in de werkelijkheid komt er geen gebenedijd woord niet-Roemeens uit (behalve bij de Hongaren, die iets in het Magyaars stamelen, en nog sneller dan de anderen wegduiken om niet gezien te worden). Met gebarentaal kom ik uiteindelijk terecht bij de Rode Valken en in het bed van Nicu. Want, « heb je ergens een hotel of een slaapplaats ? ». « Nee ». « Och, je kunt rustig hier blijven, zolang je wilt. We hebben toch het hele gebouw ingenomen ». Mooi, maar contact zoeken met Brussel, dat ligt wat moeilijk. De internationale telefoonlijnen zijn dood. GSM’s bestaan nog niet. En de korte golf doet het maar af en toe. De eerste avond heb ik geluk. Ik droom al van frele meisjesbilletjes, als gekraak mijn verbinding met Brussel bevestigt. Heel zwak, bijna onverstaanbaar, tracht Wim Wylin hoogte te krijgen van de toestand ter plekke. Ik stuur een bericht door, maar hoor pas na mijn terugkeer dat de kwaliteit benedenmaats was, geen uitzending dus. De rest van de weken die ik in Roemenië verblijf blijft elke band verbroken. Ik maak mij op voor een pittige, maar argwanende zoektocht naar wat er van Roemenië is overgebleven. Ik wil naar Boekarest. Dat is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. « Er zijn ongeregelde elementen in het land ». Bedoeld wordt, niemand weet waar de Securitate is ondergedoken, wie wie heeft verklikt, wie aan de macht likt en wie in de lik hoort. En vooral : ik rij met diesel. Ze krabben in hun haar bij Artsen. « Dat wordt onderhandelen met het Bevrijdingsfront. Morgenvroeg, OK ? ». OK. En dat valt best mee. De buitenlandse belangstelling voor een zo noordelijk stadje als Cluj doet deugd, ik krijg een rondleiding, koffie, en een lange palaber met een zootje patriotten. Het hoge woord voert een taaie grijsbaard, hij is bijna wit zelfs. Ik knik en lach zoals het een meelevend journalist betaamt. Dat heet dan scoren. Tegen de middag aan krijg ik een beduimeld, uitgetikt vel papier, voorzien van een tiental stempels en handtekeningen. Wat moet ik doen ? Eenvoudig. « Een tankstation is open of niet. Is het open, dan staat er gegarandeerd een file van pakweg honderd auto’s. Die rij je straal voorbij. Ga aan de andere pomp staan. Dat is diesel. Laat voltanken, en rij weg ». Hoezo, rij weg ? En betalen ? « Laat dit document zien. Wie met ons is, en niet met de dictator, laat je doorgaan ». Een sprong in het duister, maar hij loont. Bij de eerste de beste pomp aan de rand van de stad doe ik nauwkeurig wat me is opgedragen. De pompbediende staakt gewoon de bediening van de file – 140 wagens, ik heb ze geteld – en bevoorraadt mijn Ascona. Keert zich dan af van mij en tankt door. Het zal volle drie weken werken, de weken die ik in het totaal ontredderde land doorbreng. Kaarten heb ik niet, maar « volg gewoon de wegwijzers, de hoofdwegen geven geen problemen overdag ». Artsen raadt mij aan langs Brasov te reizen. « We hebben daar iemand. We zullen hem langs de korte golf vertellen dat je op weg bent. Zoek het enige hotel dat er is, vlakbij het stadhuis ». Het kost me vier uur om Brasov te bereiken. Dan rij ik doelloos rondjes, geen hotel te bekennen. Het is, zo blijkt achteraf, ook moeilijk te herkennen, de neonlichtjes zijn gedoofd, het verschilt nauwelijks van andere gesloten handelspanden. Want gesloten is in ieder geval het restaurant, de balie blijkt open als ik zorgvuldig alle huizen aan het marktplein langsloop. De gevel van het stadhuis is pokdalig van de vuurgevechten, de burgemeester bezweert me later dat alles onder controle is. Dat werkt verontrustend. En natuurlijk geen man van Artsen zonder Grenzen te bespeuren. De onwillige man achter de balie doet zuur. Nee, er is geen kamer. Nee, hij kent niemand van Artsen zonder Grenzen. Er is ook geen water. En geen elektriciteit. En eten kan evenmin. Wil ik toch een kamer ? Hij zucht diep. « Kost je 84 dollar. Per nacht ». Ik frutsel in mijn papieren. Duur, zeer duur voor niks. Maar hij laat me geen keuze, ik heb geen keuze. « Neem je Visa aan ? » Hij knikt. Op dat eigenste ogenblik zie ik een zwarte naast me staan, langbenig, breed, zeer zwart. Ik wil mijn kredietkaart geven, als de zwarte ongevraagd, en in het Nederlands, tegen me zegt : « Laat zitten ». Ratelt in het Roemeens tegen de baliebunzing, de toon wordt scherper, dit is schelden en dreigen. Tot de grijze man plots inbindt, onderdanig knikt, en mij een sleutel geeft. « Inschrijving ? » « Hoeft niet ». Betaling ? Niets. Blijf zo lang het nodig is, die rekel hier staat in het krijt bij de gemeente (verkeerde kant gekozen voor 22 december, raad ik). En eten ? Hij sluit, maar voor ons opent hij. Ons ? Ja, mijzelf, een medewerkster en Funcke, onze chauffeur. « Maar wie zijn we ? » « Artsen zonder Grenzen ». Ik trek mijn wenkbrauw op. « Ja weet je », zegt Ron, « Ik kom eigenlijk uit Somalië. Mijn familie is helemaal uitgemoord door een krijgsbende, ik ben als kind opgevangen door een Nederlandse zendeling. Die heeft mij grootgebracht, in Nederland. En nu vond ik dat ik iets moet terugdoen voor mijn fortuinlijk lot. Dat is dan Artsen geworden ». Hij lacht oorbreed. « Er komt nog een tweede vrachtwagen morgen. Europese hulp. Ik zal je een sticker geven, plak die tegen je voorruit ». Het heeft geholpen. De andere chauffeur ook. Het kostte Jan twintig seconden om in te breken in mijn wagen, ik had mijn apparatuur laten liggen. « Ik kom uit Amsterdam », gaf hij, bescheiden, als uitleg. Ron regelt afspraken, vindt een Roemeen die bereid is mij naar Boekarest te rijden. « Veiliger », zegt hij. « Je wagen staat hier goed. Onder toezicht » – en hij loenst gramstorig naar de balieman, die ijlings de andere kant opkijkt. Funcke zal me inmiddels een vlag bezorgen, eentje met een revolutionair gat erin. Wapenschild weggesneden. Funcke zal dat doen. Tien jaar later belt hij me op. « Ik heb je vlag nog altijd liggen. Zin om mee te rijden naar Kosovo ? » Funcke heeft de spirit behouden (maar niet zijn vrouw). Wij in elk geval naar Boekarest, in een krakkemikkige groene Dacia, de lokale Renault. Hij neemt een paar kiekjes van me op het Universiteitsplein. Tentjes, spandoeken, de geur van braadworst, en bedompte kleren. Ze zitten hier al een tijdje, en ze doen dat goed. Met overgave. Ze verdringen zich voor mijn microfoon, het ene lugubere verhaal lost het andere af. Naarmate de tijd verstrijkt, lijkt het gehakkel toe te nemen, armtierig Duits met Russische vloeken, gebroken Frans met veel euhs, een woordje Engels geradbraakt in Walachijs gebrabbel. Minder samenhang, duidelijk steeds meer aandikking. En de studenten worden alsmaar ouder, grijze dames doen in rollend maar spraakkundig onberispelijk Frans etherische verhalen over koning Michael en de engel Gabriël. Ik voel dat ik mijn penaten elders te week moet leggen, wil ik de opening van een psychiaterspraktijk ontlopen. « Voor de radio, kunnen jullie nog wat slogans roepen ? » Enthousiasme alom. Er scharen zich zo’n dertig, veertig balsturige Roemenen voor me. « Libertate ! Timisoara Unctul ! Romania Libera ! » Heel goed. Misschien wat bewegen, verglijdend geluid. Niets is teveel gevraagd, er wordt met vlaggen gezwaaid (zonder de gehate Karpaten en de zeer zuivere zon boven een boortoren en dennebomen van de RPR), de stemming stijgt. Daar stappen ze gewoon de straat op, houden trams tegen, verzamelen voor het bordes van het Intercontinental, ze zijn me vergeten. Ik heb me laten meeslepen, zo simpel is het om volksmenner te worden. Funcke grijnst. Wijst naar het hotel voor ons. Mensen rennen naar het portaal en verdringen zich om dingen op te rapen. Vlugschriften, eten ? Ik ren naar het opstootje, krijg een stomp in de maag, twee jonge Roemenen rukken geld uit elkaars handen. Dollars. Vanop de derde verdieping, zie ik tot mijn ontzetting, strooit een cameraploeg dollarbiljetten uit. ’s Avonds krijg ik de beelden te zien op een ambassade. Amerikaanse beelden. Leidraad : nieuwe ongeregeldheden in Boekarest. Je zou voor minder je kabels aan de wilgen hangen. Tien, elf jaar later, sta ik op dezelfde plek. Het is ontzettend vreedzaam geworden, banaal in zijn ijver. Auto’s honken, de Intercontinental ziet er nog even stalinistisch uit als destijds, er wordt gebroken en gebouwd in de zijstraten, vooral in de Calea Victoriei, het Teatrul Odeon speelt doodgewoon La Tiganci van Christian Popescu, verkiezingen blijven de mensen achtervolgen, « Votati o Stea Romaneasca intre Stelele Europei », lees ik bij de divasmile van Ileana Stana-Ionescu, de metro is zoals het hoort volgeklad met graffiti en afgerukte affiches, er is een reclamebord voor McDonald’s bijgekomen. Boekarest heeft de leegte ingeruild voor de linzen van de vrije markt, de eens zo machtige Cercul Militar National maakt onbeschaamd reclame voor Stella Artois, de revolutie is opgedroogd tot een betonnen grafsteen en gestold tot een legering van de ‘Eroilor Anticommunisti’ van november 1945 en december 1989 , in één laatste adem ‘Ucisi Pehtru Libertate’, zelfs Danny Huwé heeft zijn ordinaire gedenkzuil van badkamertegels gekregen op het kruispunt van twee drukke invalswegen waar hij doodbloedde. De wind blaast ijskoud als ik ruim een uur in dat waaigat sta, in mijn truitje, te wachten op een kort eerbetoon, links en rechts schieten wagens weg met soms bevreemdende stickers als Melipark en Garage Georges Malderen – « de handel is levendig en benedengronds », merkt de militaire attaché droogjes op. Zelfs het foeilelijke huis in geelgrauwe baksteen, met een dakbouwsel op het dak, vanwaar een sluipschutter de dodelijke kogel afvuurde, gaat nu gedeeltelijk schuil achter een reclamebord voor sigaretten. Alleen Nicu zal dit hogelijk waarderen. Het heeft geen zin meer opnieuw naar Sibiu te rijden, nog een wingewest van Ceaucescu junior, waar ik met Ron alweer achter gesloten deuren kon gaan eten, of naar Copsa Mica, het vuilste dorp ter wereld. Onuitwisbare indruk, je rijdt de straat af naar de rivier toe, ontzettend hoe hagelwit krombenige vrouwen en versgewassen kinderen afsteken tegen de zwarte dorpsmuren, zwart van het roet, verbrand rubber en onbestemde scheikundige uitwasemingen. Zwart steken de fabrieken af tegen de felle lucht op de andere oever, de rivier kolkt en kookt, dertig kilometer verder zweet ze nog haar giftige dampen uit, bomen zijn wanstaltig verbrande stammen, hele weilanden en grienden braken bruingrijze slierten gras uit als uileballen van uitvallend haar. Het schijnt dat er mensen bestaan die in Copsa Mica overleven. Dat lijkt me zeer geloofwaardig. Er zijn zelfs vrouwen die het bed van Nicu hebben overleefd.

Lukas De Vos

P.S. Dat de tekst één massief blok is, komt omdat ik hem zo heb aangeleverd gekregen. Ik hoop dat Lukas het dus ook zo heeft bedoeld. Indien dit niet zo is, dan ben ik graag bereid een aantal paragrafen aan te brengen, want voor een halve blinde als ikzelf is dit heel moeilijk te lezen.

Een gedachte over “Het Evangelie volgens de Lukas (2): de Lul van de Karpaten

  1. Aan Lukas De Vos, tovarasul

    Als ik in Valea Viilor (Wurmloch) aan Herr Schneider, conciërge van de imposante weerkerk, vraag waar zijn familie oorspronkelijk vandaan komt, antwoordt hij zonder aarzelen “Aus Flandern”. De brave man (“Ich heisse Schneider, mach aber keine Kleider”) weet niet dat ikzelf een Vlaming ben en hij verbaast mij dan ook tot in de toppen van mijn tenen. Als ik vraag waarom hij dat zegt, antwoordt hij dat hij dat zo op de school heeft geleerd. En hij verwijst mij onder meer naar het toneelstuk ‘Die Flander am Alt’ (1883) van de Sachsische schrijver Michael Albrecht. Het is een flutverhaaltje, genre Heimatliteratur, maar het verwijst naar het feit dat heel wat Sachsische dorpen (ik schrijf met opzet ‘Sachsische’ en niet ‘Saksische’ omdat de kolonisten die in de 11de en 12de eeuw naar Transsylvanië kwamen zeker geen Saksen waren maar Franken (uit het westen van het huidige Duitsland), Vlamingen, Walen (anachronismen!), Luxemburgers en inwoners uit het huidige noorden van Frankrijk die je in de middeleeuwen moet situeren in een steeds wisselende landschap van ‘heerlijkheden’ die je met een beetje goede wil ‘Vlaams’ kan noemen. O ja, de ‘Alt’ in de titel van het toneelstuk van Michael Albrecht is de Duitse naam van de rivier Olt die door Sibiu (Hermannstadt) en door de Karpaten stroomt. Deze regio (door de Sachsen uit Transsylvanië – zelf gebruikten zij de naam ‘Siebenbürgen – het ‘Alte Land’ genoemd) kende in de 11de en 12de eeuw een instroom van kolonisten uit de Lage Landen die er de zuidelijke grens van het Hongaarse rijk kwamen verdedigen: arme boeren, kleinadel, lagere geestelijken op zoek naar het ‘beloofde land’. Sommige groepen maakten deel uit van de vele kruisvaarderskaravanen die door de Hongaren of Bulgaren (vaak in dienst van de Byzantijnse keizers) in de pan werden gehakt omdat ze zich buitensporig gedroegen, steden aanvielen en de oogsten op het platteland vernietigden. Anderen werden doelbewust gelokt door zogenaamde ‘lokatoren’ die hen een plaats in het Alte Land aanwezen waar zij hun dorp konden stichten, bevrijd van de ketenen van lijfeigenschap tegen de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij het land zouden verdedigen tegen welke invallers dan ook. En dat deden ze tot de Mongoolse horden in 1241 en 1242 op drie plaatsen door de Karpaten braken, steden en dorpen uitmoordden, de Hongaarse koning verpletterend versloegen, oprukten naar Wenen en zich dan (om logistieke redenen of omdat ze teruggeroepen werden om een nieuwe leider te kiezen?) volledig terug trokken. De oorspronkelijke kolonisten uit de Lage Landen werden gedecimeerd en later aangevuld met nieuwe kolonisten (o.m. uit Beieren). De dialecten die de Transsylvaanse Sachsen spraken/spreken zijn duidelijk ‘Platdeutsch’ of ‘Frankisch’ te noemen. Na de tweede wereldoorlog werden ze zwaar vervolgd omdat ze met ‘den Duits’ zouden geheuld hebben. Roemenië keerde zich pas in de laatste faze van de oorlog af van zijn Duitse bondgenoot! Toen na de ‘revolutie’ van 1989 (de periode waarover Lukas De Vos het in zijn column heeft) de grenzen eindelijk open gingen, vluchtten de Sachsen met have en goed naar Duitsland of Oostenrijk. Hun huizen, hun dorpen, hun versterkte weerkerken (stenen kerkgebouwen die werden verdedigd tegen de invallen van de Ottomaanse Turken) lieten ze achter. Vandaag zijn er nog maar een paar duizenden Sachsen overgebleven. Met hen is ook hun rijke Siebenbürgse cultuur aan het verdwijnen en de overlevering dat velen afstammelingen van Vlaamse voorouders waren. Wat Lukas De Vos schrijft over zijn ervaringen met Roemenië is correct. Toch een paar kanttekeningen:
    Het hotel in Brasov (Kronstadt) waar hij verbleef is hoogst waarschijnlijk het ARO Hotel (dat trouwens nog steeds bestaat). Het was het hotel waar alle buitenlanders die Brasov bezochten verbleven. In het ARO hotel werden alle gasten afgeluisterd vanuit een soort van commandoruimte die vol bandopnemers en afluisterapparatuur stond.
    De ‘lul’ waarover Lukas het heeft is het bepalend lidwoord. Een voorbeeld: un popor (een volk), poporul (het volk)
    Nicolai Ceausescu was een boerenzoon uit de provincie Olt die in 1932 lid van de communistische partij werd. Tijdens de oorlog moest hij zich verstoppen voor de fascistische dictatuur van Maarschalk Antonescu. Na de oorlog werkte hij zich langzaam aan naar de top van de partij om van 1967 tot zijn dood in 1989 staatshoofd te worden. Na de zware aardbeving van 1977 liet hij hele wijken van Boekarest slopen om plaats te maken voor een soort communistische ‘Champs Elysées’ zoals Lukas De Vos bloemrijk beschrijft.
    Het bloedbad van Timisoara heeft niet plaatsgevonden omdat de bevelvoerende kolonel van een tankkolonne, die naar de stad was opgerukt om de opstand in de kiem te smoren, niet op het volk wou laten schieten en de tanks naar hun kazerne buiten de stad liet terugkeren. Dat verhaal heb ik van iemand die boordschutter van zo’n tank was. Hen was eerst verteld dat het Hongaarse leger het land was binnen gevallen. Pas later drong het door dat het regime zijn eigen kinderen had willen laten platwalsen zoals ooit in Griekenland gebeurde onder het kolonelsregime.
    Het Roemeense volk (poporul roman) heeft geen schuld aan het gebeuren, zij werden voorgelogen, platgewalst door de propagandamachine. Zij kregen voedselbonnen om de voedselvoorraden “op een efficiënte manier te kunnen verdelen”. Niemand kon het land binnen of – a fortiori – het land verlaten zonder toestemming van het regime. Toeristen werden weggehouden van de bevolking en omgekeerd. De machtspiramide van de communistische partij was een ingewikkelde structuur die zichzelf in evenwicht hield zonder dat het altijd even duidelijk was wie op welke plaatsen aan de touwtjes trok. Van hoog tot laag was men lid van de partij, meestal (en wie kan het vele gewone mensen kwalijk nemen) om opportunistische redenen. Was Nicolai Ceausescu een lul? Wellicht. Waren de gewone mensen (poporul, weet je wel) dat ook? Neen, om Sting te parafraseren ‘The Romanians love their children too’!
    Jean-Paul Van der Elst

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.